Het geval Marie L. Media tussen emotie en onverschilligheid?

Vrijdag 9 juli 2004 in Frankrijk. Het Elysée, de rest van de politieke wereld, tientallen verenigingen en de media reageren hoogst verontwaardigd op de zoveelste antisemitische agressie in het land. Die ochtend, op de RER lijn D, station Sarcelles bij Parijs, is Marie L., 23 jaar, slachtoffer geworden van een zeer brutale agressie.

Vier Noord-Afrikaanse en twee zwarte jongeren hebben haar bestolen, haar kleren aan flarden gescheurd, haar haar afgesneden en hakenkruisen op haar buik gekerfd. "Un étrange processus a ravagé la tête des agresseurs. Un papier d’identité dérobé portait une adresse dans le 16e arrondissement… Seizième = riche = juif". (In het hoofd van de aanvallers sloeg een vreemde redenering toe. Op een identiteitsbewijs van Marie L. stond een adres van het Parijse 16de arrondissement…Zestiende = rijk = joods").

Het parlement dat uitzonderlijk op zondag bijeen was, onderbrak zijn zitting om lucht te geven aan zijn verontwaardiging. Tientallen verenigingen vonden dat plechtige veroordelingen van het antisemitisme – zoals president Jacques Chirac er nog maar pas een had gedaan – niet langer volstonden. Nicole Guedj, staatssecretaris voor hulp aan slachtoffers, ontving Marie L. De leidster van de communistische PCF, Marie-George Buffet, riep op tot een betoging. De meeste media gebruikten de hardste adjectieven om die agressie te veroordelen.

Ook zo de kwaliteitskrant Le Monde. In zijn dagelijks kolom had Eric Fottorino het in de maandagkrant, gedateerd 13 juli, over "Méthode de nazis". "Vrijdag is een jonge vrouw in de RER, die gedurende dertien minuten joodse werd onder de wrede blik van zes aanvallers, slachtoffer geworden van nazi-methodes". Waarop hij de onverschilligheid aan de kaak stelde van de passagiers van wie niet één reageerde. Zijn besluit: "Men kan zich de panische angst inbeelden die zich van Marie meester maakte, de manier waarop ze de hakenkruisen van haar huid moest wissen. Van haar huid, maar niet uit haar geheugen".

De krant wijdde er ook een commentaar aan: "Le civisme en berne", in De Morgen overgenomen onder de titel "De burgerzin halfstok". Daarin had de commentator het over het antisemitisme van uiterst-rechts, terwijl dat "antisemitisme nu ook woekert in sommige groepen van immigranten die door radicale islamitische geestelijken worden bewerkt".

Diezelfde maandag ging de twijfel knagen toen bleek dat Marie L. een voorgeschiedenis van verzinsels had, terwijl er ondanks alle oproepen géén enkele getuige van het voorval opdook. Op de camera van Sarcelles was van het voorval al evenmin iets te merken.

Le Monde meldde de dag erop dat ‘le doute s’installe’, de twijfel slaat toe. Diezelfde dag was er geen twijfel meer, Marie L. had alles van begin tot eind verzonnen.

De risico’s van het vak

Le Monde wijdde aan die wending dezelfde aandacht als aan het verzinsel. Fottorino had het in de krant van woensdag, gedateerd donderdag15 juli, over "Les risques du métier". Hij verwees naar de talrijke reacties van lezers die de redactie wezen op enkele elementaire regels van eerlijke journalistiek. "Vérifier et croiser ses sources…Revenir au sens de la mesure et se garder de l’ubris…Faire un travail de journaliste, en somme…", (Zijn bronnen verifiëren en met elkaar confronteren… De zaken weer nuchter bekijken… Kortom, het werk van een journalist doen) aldus een van de geciteerde lezers. Een ander verweet de redactie te zijn vervallen "dans le catastrophisme ambiant", daaraan toevoegend "C’est vrai que cela se vend bien".

Daarmee legde die lezer de vinger op een zere plek: als het maar verkoopt. Of zoals een gewezen adjunct-hoofdredacteur van Het Nieuwsblad, later werkzaam bij de concurrentie, ooit zei: "Wat geeft het dat dit een verzonnen verhaal is, het laat zich lezen". De strijd om "de lezer" wordt steeds harder, de lezersmarkt stagneert of slinkt zelfs, de selectie gebeurt steeds meer in functie van het ultieme criterium: doet het verkopen?

Dat speelde ook mee in het geval van Marie L. Enige afstand nemen en vooral de tijd nemen om feiten en achtergronden na te trekken moesten voor het commerciële aspect wijken. Hier was waakzaamheid nochtans meer dan geboden, want er waren verscheidene recente precedenten waarnaar enkele media ‘après coup’ verwezen. Op 17 december 2003 stuurde het Parijse college Montaigne twee 11-jarige scholieren voorgoed weg wegens "dreigementen en geweldpleging tegenover een scholier" – een joodse scholier. Daar waren geen getuigen van, terwijl hun voornaamste leraar en het adjunct-schoolhoofd het hadden over onbetekenende incidenten die zeker geen racistisch karakter hadden. Op 1 juni 2004 verbrak de administratieve rechtbank van Parijs de uitsluiting van de twee scholieren. Op 3 januari 2004 had een Parijse rabbijn, Gabriel Farhi, gemeld dat hij in zijn synagoge was overvallen en dat hij in de buik was gewond; drie dagen later werd zijn wagen in brand gestoken. Maar de onderzoekers hadden sterke twijfels aan zijn verhaal – het onderzoek liep nog steeds toen de affaire Marie L. in het nieuws kwam. Op 4 juni 2004 werd een aanranding op een joodse student in Epinay afgedaan als een antisemitisch incident. Kort daarop bleek dat dezelfde overvaller, een mentaal gestoorde persoon, in totaal acht mensen – van Arabische, Haïtiaanse, Portugese en Guinese origine – had overvallen. Alexandre Moïse, voorzitter van de zionistische beweging in Frankrijk, stuurde zichzelf schriftelijke dreigementen waarover hij dan klacht indiende. En dit is nog maar een bloemlezing.

Meeslepend

In het commentaar van die dag, 15 juni 2004 – "La faute et le défi"- gaf Le Monde toe een fout te hebben gemaakt. "Le trop vraisemblable n’est pas le vrai. Un simple récit ne constitue pas une preuve. La parole d’une "victime" n’est pas sacréé". (Wat zeer waarschijnlijk is, is daarom niet waar. Een verhaal is op zichzelf geen bewijs. Het woord van een "slachtoffer" is niet heilig). Het is een tekst die elke journalist, naast vele andere, boven zijn pc zou moeten hangen, veel collega’s die met vluchtelingenverhalen te maken hadden, zullen dat zeker beamen".

De commentaarschrijver wees er terecht op dat het voor een journalist niet makkelijker wordt. "Le poids d’Internet et l’accélération du rythme de circulation de l’information ne simplifient rien. L’univers médiatique vit désormais l’actualité en temps réel". (Het impact van Internet en het opgedreven ritme waarmee informatie circuleert, maken het niet eenvoudiger. De mediawereld beleeft de actualiteit voortaan als een onmiddellijke realiteit). En hij besloot met een verwijzing naar François Mauriac die het had over "le crime du silence" (de misdaad van het stilzwijgen), eraan toevoegend dat er sinds enige tijd ook een "délit d’emballement" is, de fout om zich te laten meeslepen. Het komt erop aan het juiste evenwicht te vinden tussen de dictatuur van de emotie en het rijk van de onverschilligheid.

Wijze woorden die onder meer commentaarschrijvers van de Morgen zich zouden moeten ter harte nemen. Na de aanslag op een overheidsgebouw in Oklahoma had De Morgen het over het gevaar van moslimfundamentalisme, terwijl het in dit geval snel bleek dat de daders te zoeken waren onder Amerikaanse superpatriotten. Een journalist en een fotograaf van die krant schreven in een zeer emotionele commentaar na een bezoek aan de grens met Kosovo in 1999 dat ze een Nederlandse collega bijna slaag hadden willen geven omdat hij twijfel had geuit aan het relaas van sommige vluchtelingen. Een typisch voorbeeld van het gevaar zich te laten meeslepen.

Evenwicht tussen emotie en onverschilligheid? Het is meer dan dat. De journalist werkt in een context waarin hij/zij wordt aangemoedigd tot "emotie", niet om hem/haar de kans te bieden zijn/haar gevoelens de vrije loop te laten, wel omdat een uitgever ervan uitgaat dat dit commercieel interessanter is naar lezers, kijkers en luisteraars toe. Het is een tendens die zich de jongste jaren ook doorzet in media die zich graag een kwaliteitslabel toekennen. In feite gaat het om een evenwichtsoefening tussen de professionele integriteit van de journalist en het winstoogmerk van de uitgever.

Het kwaad is geschied

Maar "Le mal est fait", vervolgde Fottorino twee dagen later onder de titel "Notre histoire". Daarin beschreef hij hoe Marie L. erin geslaagd was om door het gebruik van de "juiste symbolen" – hakenkruisen op de buik gekerfd – de "mur du son", de geluidsmuur, te doorbreken. De dag vóór ze haar verhaal deed had president Chirac, na een reeks antisemitische daden, het antisemitisme nog plechtig veroordeeld. Haar verhaal gaf een dramatische dimensie aan de woorden van de president, iedereen – autoriteiten, media, publiek – stond klaar om Marie L. op haar woord te geloven. Ook al werden jonge Magrebijnen en zwarte Afrikanen daardoor nogmaals gestigmatiseerd. Zij werden de echte slachtoffers tegenover wie we onze excuses moeten aanbieden, vond de kroniekschrijver van Le Monde. Verontschuldig u ook maar tegenover het publiek, vonden enkele briefschrijvers die het onder meer niet namen dat ook de "passief toekijkende passagiers" ervan langs hadden gekregen, waarmee ook die categorie zich kon geculpabiliseerd voelen. Bovendien, aldus een briefschrijver, had de krant het recht niet te zeggen dat Frankrijk verbijsterd op Marie’s verhaal had gereageerd omdat volgens hem het publiek een veel nuchtere kijk heeft dan de autoriteiten en de media.

Met deze rechtzettingen op dezelfde plaatsen, in hetzelfde volume en in dezelfde formats als het verzonnen verhaal van Marie L., deed Le Monde zijn reputatie als kwaliteitskrant eer aan. De redactie had wellicht kort daarvoor ook de zelfkritiek van de New York Times gelezen waarin die krant zich verontschuldigde omdat ze in de aanloop tot de oorlog in Irak verhalen had gebracht die de Amerikaanse regering goed uitkwamen maar die later vals bleken. De verhalen kwamen op de voorpagina, de latere rechtzettingen en twijfels waren ergens binnenin weggemoffeld.

Amerikaanse media verscholen zich in dat verband nogal vaak achter de schok van 11 september. In hoeverre had de oorspronkelijke houding van Le Monde te maken met de golf van consternatie die de verzinsels hadden veroorzaakt? In de krant van 25 juli 2004 vertelde ‘ombudsman’ (médiateur) Robert Solé dat er op zondagavond 11 juli op de redactie een vergadering was geweest om de behandeling van Marie’s verhaal te bespreken. "De redenen voor wantrouwen werden weggenomen door de houding van de hoogste staatsinstanties die in deze zaak blijk gaven van zowel vastberadenheid als lichtzinnigheid". Met andere woorden: de uitspraken van de president namen bij de redactie alle twijfels weg. Ten onrechte, schreef Solé die herinnerde aan twee principes: 1)Als er slechts één bron is, wat in dit geval zo was, hou alles dan in de voorwaardelijke wijs. 2) Neem geen uitgesproken editoriale standpunten in als de feiten nog niet volledig vaststaan. Hij had er kunnen aan toevoegen dat voor een journalist gezagsgetrouwheid taboe is, want net het omgekeerde van de vereiste kritische instelling.

Hoe dan ook, Le Monde trachtte lessen uit deze affaire te halen en wees erop dat het gevaar voor dergelijke fouten toeneemt. Door niet alleen Marie L. te blameren, maar ook de berichtgevers, ging die krant heel wat verder dan de rest van de mediawereld.

Intussen blijft de vraag waarom de verzonnen aanranding in Sarcelles een evenement werd. Waarom wordt het ene feit een nieuwsfeit en een ander, op zichzelf minstens even belangrijk, volslagen genegeerd? Omdat Marie L. blijkbaar aanvoelde wanneer een verhaal geschikt is om in een ‘format’ te passen. Want om een evenement te worden moet het feit kunnen ‘geformateerd’ worden, in een ‘format’ passen, wat veel gemakkelijker is als er beeldmateriaal is om ‘het feit’ te begeleiden. Een conflict zonder beelden bestaat voor de media nauwelijks of niet. De in Irak actieve kidnappers wisten beter dan wie ook hoe van een ontvoering een schokkende wereldgebeurtenis te maken: videobeelden naar Al Jazeera of Al Arabiya. De sekte van Raël haalde eind 2002 het wereldnieuws met haar verhalen dat ze mensen aan het clonen was. Waar of niet? De spektakelwaarde ervan is voor veel media belangrijker dan het waarheidsgehalte. Zorg voor schokkende beelden en haal de wereld van het "infotainment" – op wereldschaal.

"Ik dacht na over de aard van de Amerikaanse media en het gemak waarmee die kunnen worden gemanipuleerd", zei de Amerikaan Benjamin Vanderford begin augustus 2004 toen uitlekte dat hij zijn eigen onthoofding als "gijzelaar van terroristen in Irak" had laten opnemen en op video wereldwijd had verspreid.

(Uitpers, nr. 56, 6de jg., september 2004)

Visited 13 Times, 1 Visit today

Tags :