Het geval Libération: onafhankelijkheid rijmt niet met commercie

Pierre Rimbert, ‘Libération de Sartre à Rothschild’, Editions Raisons d’Agir, Parijs, 2005, 142 blz., ISBN 2-912-107-25-3, 6 euro.

Abonnees van de Rheinische Zeitung konden op 19 mei 1842 – dat is weldra 164 jaar geleden – volgende waarschuwing lezen: “Voor de pers bestaat de eerste vrijheid erin geen industrie te worden”. Het artikel was van de hand van Karl Marx.

De Franse socioloog, onderzoeker en mediaspecialist, Pierre Rimbert, duikelde dit citaat van Marx uit zijn archieven op aan het eind van zijn bijzonder boeiende essay ‘Libération de Sartre à Rothschild’. Daarin doet hij het pijnlijke – zij het af en toe hilarische – relaas van de Parijse krant Libération, die in 1973 werd gesticht door Jean-Paul Sartre en zijn medestanders van de maoïstische beweging ‘La Gauche prolétarienne’ en in 2005 in handen kwam van bankier Edouard de Rotschild. Voor Rimbert gaan er achter het verhaal van Libération twee andere schuil: dat van een conservatieve revolutie in de Franse intellectuele middens en dat van een Franse linkerzijde, die zich in de jaren ’80 ijlings tot het liberalisme bekeerde.

In augustus 1972 beslist het uitvoerend comité van ‘La Gauche prolétarienne’ werk te maken van een militant, revolutionair dagblad dat “het woord geeft aan het volk”. De beweging had een toonaangevende rol gespeeld tijdens de meirevolte van 1968 en surft daarop van de ene sociale protestbeweging naar de andere staking of bedrijfsbezetting. Frankrijk zit dicht in de buurt van het maatschappelijke kookpunt. Ook traditioneel links heeft de wind in de zeilen. Georges Séguy, de leider van de communistische vakbond CGT, spreekt in 1969 op het 37ste congres van zijn organisatie gespierde taal: “de arbeidersklasse zal zich nooit laten temmen”. De CGT heeft op dat ogenblik meer dan twee miljoen leden. Bij de presidentsverkiezingen in 1969 schrijft de kandidaat van de Franse communistische partij (PCF), Jacques Duclos maar liefst 21% van de stemmen achter zijn naam tijdens de eerste ronde. De Franse hemel kleurt rood en ter linkerzijde van de PCF kleurt hij nog roder – de ‘soixante-huitards’, ‘les maos’ nemen graag deze ruimte in. ‘La Gauche prolétarienne’ geeft een eigen blad uit: “La Cause du peuple”. Als het gaullistische regime de beweging met strakke repressie te lijf gaat en ‘La Cause du peuple’ dreigt te verbieden, neemt de linkse filosoof en antikoloniale militant Jean Paul Sartre het roer over. Hij wordt directeur van het blad en colporteert het zelf op de Parijse boulevards. Sartre lijkt een soort ‘legale vesting’ te zijn tegen het verschijningsverbod dat boven ‘La Cause du peuple’ hangt.

‘La parole au peuple’

De maoïstische militanten hebben een diep misprijzen voor ‘de’ pers, het klankbord van het kapitaal en de politieke machthebbers. In 1971 richten zij het Agence de Presse Libération (APL) op. In het manifest van APL staat: “dit persagentschap zal het woord verlenen aan journalisten die alles willen zeggen aan mensen die alles willen weten. APL geeft het woord aan het volk”. Professionele journalisten verlenen hun steun aan APL. Ook de Franse schrijver Maurice Clavel doet dat, wat het prestige van het persagentschap uiteraard een zetje geeft. Op 25 februari 1972 wordt de maoïstische militant Pierre Overney door een fabriekswachter van Renault doodgeschoten. Daarop kidnappen ‘les maos’ een kaderlid van Renault. De ‘grote pers’ ontdekt plots het belang van APL, dat een dagelijks bulletin publiceert met nieuws over de sociale strijd die overal in Frankrijk woedt, protestbewegingen en politierepressie. Het referentieagentschap van de Franse media, Agence France Presse (AFP), neemt een abonnement op APL. ‘La Cause du peuple’ en APL slaan de handen in elkaar en starten een discussie over de oprichting van een eigen dagblad. Serge July, die op dat ogenblik door zijn partij ‘La Gauche prolétarienne’ naar het Noord-Franse Douai is gestuurd om wat revolutionaire praktijk op te doen, ver weg van het Parijse Quartier latin, wordt teruggeroepen. Hij neemt de leiding op zich van het project. Sartre wordt als icoon en als directeur binnengehaald. Op 18 april 1973 rolt het eerste nummer van ‘Libération’ van de persen. Op de voorpagina de kop: ‘La France bouge, libérons la presse!’ (Frankrijk beweegt, bevrijd de pers!). De stichters van de krant hebben een manifest opgesteld dat er niet om liegt. “Het project Libération zet zich af tegen de informatiehiërarchie van de grote pers,” schrijft Pierre Rimbert, “tegen de financiële compromissen van haar directies en tegen hun goede verstandhouding met de elites van het land”. Rimbert citeert uit het manifest van de ploeg rond Serge July en Jean-Paul Sartre: “Vandaag geeft de dagbladpers het woord aan het patronaat, aan politici en machtigen, die overigens deze pers financieren. Als het echt niet anders kan, zal deze pers af en toe eens een losse frase citeren van een arbeider of een boer. Het dagblad Libération zal het woord geven aan het volk en zal af en toe eens een losse frase citeren van de machtigen. Libération zet de wereld van de dagbladpers op zijn kop.”

‘Zelfbeheer’

Ook op organisatorisch vlak streeft Libération naar een radicale breuk met het traditionele mediabedrijf. Eind de jaren ’60, begin de jaren ’70, zo herinnert Pierre Rimbert er ons aan, tonen de grote bonzen van de Franse mediawereld een bijzonder grote appetijt. Ze willen steeds meer kranten controleren en brengen de diversiteit van het Franse medialandschap ernstig in gevaar. Na de bevrijding in 1945 telt Frankrijk niet minder dan 203 dagbladen. In 1968 blijven er daar nauwelijks 100 van over. Robert Hersant, een voormalige collaborateur van het Vichyregime, bouwt een heus persimperium uit. De grote baas van de invloedrijke avondkrant Le Monde, Hubert Beuve-Méry, toont zich ongerust over de groeiende machtspositie van de industriëlen over de mediawereld en de muur van geld die ze er rond optrekken. “Enkele jaren gelden,” schrijft Hubert Beuve-Méry, “was de sleutelfiguur van een krant de hoofdredacteur, vandaag is dat de man die zich hoofdzakelijk bezighoudt met het commerciële aspect van de werking van de krant.”

De ploeg van Libération kiest radicaal voor ‘autogestion’, zelfbeheer: geen onderscheid tussen handenarbeid en intellectueel werk, geen loonbarema’s maar een eenheidsloon voor alle medewerkers, geen advertenties en reclame en vooral geen kapitaalinbreng van buitenaf – het personeel beschikt over het kapitaal, dat wordt aangereikt door lezers en sympathisanten. Libération kan op dat ogenblik op heel wat sympathie rekenen in de journalistieke wereld. Ook de pers ontsnapt niet aan de geest van mei ’68. In tal van kranten leggen journalisten eisencahiers op tafel, die op de eerste plaats gericht zijn op meer onafhankelijkheid. De greep van kapitaalkrachtige groepen op de media is zo sterk dat zelfs bij kranten als Ouest-France en Le Figaro, maar ook bij Paris Match, L’Equipe, Le Parisien libéré en andere journalistencomités worden gevormd, die meer redactionele vrijheid en onafhankelijkheid eisen. Sinds 1951 is Le Monde de enige krant die over zo’n comité beschikt. Jean Schwoebel is aan de vooravond van mei ’68 voorzitter van het journalistencomité (SDR – société de rédacteurs) van Le Monde en van de Franse journalistenbond Fédération française des sociétés de journalistes. Schwoebel is allesbehalve een gauchistische dweper. Begin 1968 publiceert hij het boek ‘La Presse, le pouvoir et l’argent’ (De pers, de macht en het geld), waarin hij de malaise in de Franse mediawereld aankaart. Volgens hem wordt het Franse medialandschap gedomineerd “door echte feodale machten, die aan niemand rekenschap verschuldigd zijn.” Schwoebel heeft het over “marchands d’information” die de hele pers tegen een ijltempo commercialiseren. “Industriële ontwikkeling en financiële overwegingen worden de enige drijfveer van de pers,” schrijft een bezorgde Schwoebel. “De pers is gedoemd om dwangmatig steeds nieuwe reclame-inkomsten na te jagen.” “Informatie is een soort dienst aan het algemeen belang, die in het gedrang komt, door de groeiende schadelijke invloed, die door de commerciële structuren wordt uitgeoefend.” En: “steeds minder journalisten aanvaarden dat de informatie wordt behandeld als om het even welk commercieel product.” Zo luidt begin 1968 het oordeel van een invloedrijke, maar gematigde en als een vroom katholiek bekend staande journalist als Jean Schwoebel. Om maar te zeggen dat het team van July en Sartre de tijdsgeest mee heeft. Libération begint zeer bescheiden met een oplage van 10.000 exemplaren. De krant balanceert voortdurend op het randje van het bankroet en in zijn beste jaren – eind de jaren ’70 – stijgt het aantal lezers nooit boven de 35.000.

‘Een bedrijf zoals een ander’

De spanningen binnen de redactie zijn de eerste jaren bijzonder scherp. Er wordt over twee dingen constant gemord – zij het telkens uit andere hoek: de ideologische strengheid van ‘les maos’ is voor de enen ondraaglijk, voor de anderen is het streven naar “meer professionalisme” een doorn in het oog. Serge July is de man die binnen de redactie “komaf wil maken met het amateurisme”. In 1974 neemt een vermoeide Jean-Paul Sartre ontslag als directeur en hij wordt opgevolgd door Serge July. Die heeft andere plannen met de krant: hij wil van Libération “een bedrijf maken als een ander”. “Libération moet een opiniekrant worden, die de opinies van ‘nieuw links’ (la nouvelle gauche) weergeeft”. “Het gauchisme en de tegencultuur zijn niet langer creatieve krachten,” schrijft July in september 1978. “Als Libération wil leven, zal het hiermee rekening dienen te houden. Met andere woorden de krant zal moeten veranderen.” En Libération verandert, ook al moeten July en zijn medestanders ingaan tegen de meerderheid van journalisten en medewerkers. Op dat ogenblik heeft de krant 100 mensen in dienst, die allemaal 2.700 Franse frank netto verdienen (ongeveer 400 huidige euro), of twee maal het gewaarborgd minimumloon. Om leefbaar te zijn moet Libération minstens 50.000 exemplaren dagelijks aan de man brengen. De directie werkt een investeringsplan uit, blokkeert de lonen en dankt 25 vaste personeelsleden af. ‘Professionaliseren’ en ‘moderniseren’ zijn July’s deviezen. Op 21 februari 1981 haalt July zijn definitieve slag thuis. Na een woelige algemene vergadering van het personeel, kondigt hij het collectieve ontslag van heel de ploeg aan. De krant sluit een tijdje de deuren. July werkt aan een nieuwe formule, haalt een nieuwe ploeg journalisten in huis en op 12 mei 1981, enkele dagen na de verpletterende verkiezingsoverwinning van François Mitterrand is de nieuwe Libération er. Serge July zet meteen de toon: “Frankrijk dat 23 jaar lang gebetonneerd was, met slechts één lenteachtige onderbreking, leeft weer op.” In het verleden had July zijn aversie voor Mitterrand en zijn Parti socialiste nooit onder stoelen of banken gestoken. Maar Libération en zijn hoofdredacteur zijn veranderd, zo veel is zeker.

Op naar het liberalisme

Pierre Rimbert plaatst de drastische ommekeer van de politieke en redactionele lijn van Libération in een zeer brede Franse historische context. En hij doet dat met veel verve en met een waterdichte documentatie. Rimbert geeft daarmee een boeiende en verrassende kijk op de naoorlogse geschiedenis van Frankrijk. Bij de bevrijding in 1945 staat de Franse communistische partij bijzonder sterk en wordt zelfs ‘incontournable’. Bij de wederopbouw van Frankrijk vallen de liberalen uit de boot. Frankrijk krijgt een staatskapitalistische orde – het patronaat houdt netjes alle belangrijke hefbomen van de economie in handen, maar belangrijke sectoren worden niettemin genationaliseerd. Het Franse liberalisme moet decennia lang in de antichambres van de macht wachten. Pogingen om de verlichte, neoliberale bourgeoisie meer armslag te geven mislukken. Tot in de jaren ’80. De koerswijziging van Libération is er een wezenlijk bestanddeel van, zo voert Rimbert aan. Op het ogenblik dat Serge July van zijn krant “een bedrijf zoals een ander maakt”, de deur openzet voor kapitaal en aandeelhouders van buitenaf, overschakelt op publiciteit en zijn redactie ‘moderniseert’ en ‘professionaliseert’, voltrekken zich in Frankrijk twee belangrijke tendensen. De ene springt in het oog en is spectaculair: de verpletterende verkiezingsoverwinning van François Mitterrand en de Part socialiste in het voorjaar van 1981. De andere blijft in de coulissen en wekt alleen maar de aandacht van een handvol insiders. Serge July wordt ‘salonfähig’, wordt geregeld uitgenodigd om zijn zeg te doen op de televisie. Daarbij moet hij ‘en public’ zijn gauchistisch, maoïstisch verleden met klem afzweren. En July doet het met enthousiasme. In Lyon richt hij het woord tot een uitgelezen kransje van industriëlen. Pierre Rimbert citeert niet zonder leedvermaak de kazakdraaiende July: “Uiteindelijk is het heel simpel,” snoeft de hoofdredacteur van Libération tegenover zijn nieuw publiek. “Toen ik in het perswezen begon stond de PCF op 25%. Vandaag leid ik Libération en de PCF staat op 5%”.

Vanaf 1982, 1983 ontstaan in marge van de Franse machtscenakels een aantal onopvallende, maar niet onbelangrijke clubs, die luisteren naar namen als ‘Communication et Participation’, ‘Libre Presse’ of ‘Fondation Saint-Simon’. Serge July wordt opgenomen in deze salons en hij voelt zich goed in het pluche. Deze informele clubs bestaan uit verlichte, ‘linkse patroons (mannen en vrouwen die hun draai niet langer vinden in de verstarde, oude patroonsorganisatie CNPF en resoluut opteren voor een open Amerikaanse neoliberale aanpak van de economie – ook al onder de leuze ‘moderniseren’), technocraten die voor het planbureau hebben gewerkt, weliswaar enig gewicht, maar nooit echte macht hebben verworven (ook zij willen de Franse economie ‘moderniseren’), socialisten die het nieuwe regime van Mitterrand zo snel mogelijk willen ‘moderniseren’ – met andere woorden weghalen uit de oude socialistische retoriek die nog steeds een zweempje Marx vertoonde, journalisten (Jean Daniel van Le Nouvel Observateur en Serge July de rijzende ster van Libération) en een tros intellectuelen, die weldra niet meer van de Franse tv-schermen weg te branden zijn. De lijst die Pierre Rimbert opsomt is indrukwekkend. De ‘modernistische’, ‘linkse patroons’ van de Club Méditerrané, het cosmeticabedrijf L’Oréal, voedingsreus BSN-Gervais-Danone, tot industriële zwaargewichten als Saint-Gobain en Vivendi (de parel aan de kroon van het moderne, links-liberale en multinationale Franse patronaat) worden de vrienden van Serge July en de nieuwe aandeelhouders van zijn Libération. Zij zijn het over zowat alles eens: de vrije markt is het enige zaligmakende dogma, de Europese eenmaking en de Europese Unie het middel bij uitstek, vakbonden zijn anachronismen, verworven rechten van arbeiders en loontrekkenden eveneens, het liberalisme is de toekomst (en van de Amerikanen kan iedereen nog wel wat leren).

De denkbeelden van deze clubs in de marge worden breed uitgesmeerd in de kolonnen van Libération. De krant van Serge July wordt de spreekbuis van al deze liberale nieuwlichters.

Alain Minc en Pierre Rosanvallon, aandeelhouders en goede vrienden van Serge July en samen oprichters van de liberale club ‘Fondation Saint-Simon’ blikken met veel genoegen terug op de ommezwaai bij Libération in het begin van de jaren ’80. Minc maakt de spontane vergelijking tussen zijn Fondation Saint-Simon en de aandeelhoudersvergadering van 1983, waar hij deel van uitmaakt: “Ideologisch leek het allemaal parallel te lopen. Dit was de nieuwe ruimte van ‘la gauche libérale’ – liberaal links”. Pierre Rosanvallon is niet minder duidelijk als hij op die heuglijke jaren terugblikt: “Het sleutelprobleem was de modernisering van links, dat de verkiezingen had gewonnen met een gemeenschappelijk programma (samen met de PCF) dat volledig kaderde in een eeuwenoude traditie van een negentiende-eeuws socialisme.”

De operatie ‘modernisering’ drijft de verkoopscijfers van Libération de hoogte in: eind 1981 worden er dagelijks 53.000 exemplaren verkocht, in 1988 maar liefst 195.000. Daarna gaat het wat bergaf. In de periode juli 2004 – juni 2005 stabiliseert de dagelijkse verkoop zich rond de 135.000 – of 40% minder dan een regionale krant als bijvoorbeeld La Nouvelle République du Centre-Ouest.

Niet zonder sarcasme merkt Pierre Rimbert op dat dit liberale links (met Libération als spreekbuis) de weg zou plaveien voor het nieuwe liberale rechts dat vandaag in Frankrijk de lakens uitdeelt.

Wat Serge July niet belet om zeer regelmatig de loftrompet af te steken over zichzelf en zijn ‘merkproduct’ Libération. In 1991 verklaart hij in alle bescheidenheid: “Libération heeft zich in het begin van de jaren ’80 gevestigd als hét orgaan van de economische modernisering.”

Liberaal en ‘onafhankelijk van het kapitaal’…

Pierre Rimbert geeft een gedetailleerde beschrijving van de metamorfose van Libération van uiterst links contestatieblad tot spreekbuis van het verlichte neoliberale kapitaal. De voorbeelden zijn legio. De krant van Sartre had een reputatie van tiersmondisme en radicaal anti-imperialisme. Daar schiet in het totaal niets van over. Rimbert sneert niet ten onrechte dat de redactie van Libération vandaag in gevechtstenue en met soldatenhelm op het hoofd naar de wereld kijkt. De krant trekt ten strijde tegen iedere vorm van ‘anti-Amerikanisme’. Maar de trend werd ingezet vanaf het ogenblik dat Libération de deur openzette voor nieuwe kapitaalkrachtige aandeelhouders. Begin de jaren ’80 opende Libération zijn kolonnen voor de ‘nieuwe filosoof’ André Glucksmann die een pleidooi afstak voor de opstelling van de Amerikaanse Pershing II-atoomrakketten. De krant verdedigt de militaire interventie van de troepen van Mitterrand in Tsjaad (1983), applaudisseert voor het Amerikaanse optreden tegen Libië en tegen de Sandinisten in Nicaragua. Openlijke steunbetuigingen aan de contra’s van Ronald Reagan in Nicaragua vinden in Frankrijk hun weg naar het publiek via Libération. Pierre Rimbert citeert een schamperende Noam Chomsky: “De eerlijkste Europese krant in die dagen was The Guardian in Londen. De ergste was de Parijse super-Reaganistische krant Libération, die in zijn steun aan de propaganda van de Amerikaanse regering zelfs de ergste van de Amerikaanse kranten voorbijstak.”

En het wordt alleen maar erger. July juicht de NATO-bombardementen op Belgrado toe. “Alleen de oorlog bleef nog over om de essentiële democratische waarden – en laten we het in alle ernst duidelijk maken – de opvattingen van een Europese beschaving te verdedigen” (Libération 14 april 1999).

De Amerikaanse invasie van Irak in 2003 doet hoofdredacteur July zo waar zweven: “Met de schade die deze onderneming aanricht neemt ook de anti-Amerikaanse hysterie toe,” orakelt hij. “Deze koorts wekt ook een antisemitisme op dat zich nauwelijks nog verschuilt. De democratische wereld heeft Amerika nodig. In de globalisering zijn Amerikaanse politieke nederlagen tegelijk ook nederlagen voor de democratie.” (Libération 26 maart 2003).

July trekt samen met Mitterrand ten strijde om de Fransen in 1992 te overtuigen om voor het Verdrag van Maastricht te stemmen. De tandem July-Mitterrand wordt bij het referendum over dit verdrag ei zo na door de Franse kiezers teruggefloten. In 2005 verkettert July de tegenstanders van het Verdrag voor de Europese Grondwet als rood-bruine populisten. De Fransen verwerpen in een referendum de Europese Grondwet en kapittelen daarmee de ‘moderne’, ‘linkse liberaal’ July.

Pierre Rimbert merkt bij de metamorfose van Libération deze uiterst belangrijke constante op: “Elke aandachtige waarnemer, die de Parijse pers volgt, weet dat een krantendirecteur die in de verleiding komt om het industrieel avontuur te wagen drie stelregels zal volgen: hij zal zijn onafhankelijkheid inroepen, ook al is die niet langer vanzelfsprekend; de ‘garanties’ die hij van zijn aandeelhouders kreeg zal hij voorstellen als een grote overwinning van de geest op de materie; en hij zal spotten met die media (bij voorkeur de televisie) waar de onderwerping aan het dogma van de winst het schreeuwendst is. Telkens als een krant de voorbije twintig jaar zijn deuren openzette voor het kapitaal, gebeurde dit krachtens deze principes en weerklinkt er een stevige hymne aan de onafhankelijkheid”, besluit Rimbert. Elke nieuwe stap die Serge July in de commercialisering van zijn krant zette “ging gepaard met een tekst waarin hij juichte over de intact gebleven en zelfs versterkte autonomie van de krant. De invoering van reclame? Dat is “de waarborg voor onze toekomstige onafhankelijkheid”, zo zette Serge July een hoge borst op (Libération 12 februari 1982). De deur openen voor het kapitaal? Dat is uiteraard het middel “om een journalistieke onafhankelijkheid te garanderen, die iedereen elke dag opnieuw zal kunnen vaststellen” (Libération 26 januari 1983). Het kapitaal dat in handen van de werknemers is tot minder dan twee derden terugbrengen? “Het kapitaal van Libération werd verhoogd in omstandigheden die onze redactionele onafhankelijkheid vergroten” (July in Libération, 1 februari 1988). Vijf jaar voordat 39% van de krant werd opgekocht door bankier Edouard de Rothschild – door July uitgelegd als “een consolidatie van onze onafhankelijkheid” – beschreef de hoofdredacteur van Libération de intrede van de Britse investeringsgroep ‘3i’ (goed voor 20% van de aandelen) als een triomf van “onze onafhankelijkheidsstrategie”. De nieuwe investeerder liet de directeur van Libération zijn dialectische pirouette rustig voortzetten, maar eiste wel “een vetorecht op de belangrijkste strategische beslissingen van het bedrijf en een gemiddelde jaarlijkse rentabiliteit van tenminste 22% gespreid over vijf jaar.” Het verlies aan onafhankelijkheid op het vlak van de kapitaalinbreng voorstellen als een winst aan redactionele onafhankelijkheid vereist een diametraal tegenovergestelde definitie van het begrip onafhankelijkheid,” stelt Pierre Rimbert ietwat sarcastisch vast. “Het eerste hoofdartikel van Libération affirmeerde op 22 mei 1973: “Onze armoede is de graadmeter van onze onafhankelijkheid”. Drieëntwinting jaar later lezen we exact het tegendeel. De klaroen van Serge July schalt: “Onafhankelijkheid is zeer eenvoudig: de boel moet draaien, er moet geld verdiend worden.”

Rimbert haalt er nog een andere ‘modernisator’ bij: Franz-Olivier Giesbert. In de jaren vijftig stond hij mee aan de wieg van L’Express, het blad dat zich eveneens tot doel had gesteld de Franse economie te ‘moderniseren’ en de liberalen hun plaats te verzekeren in het Franse politieke landschap. Giesbert was jarenlang de ster van dit ‘modernistische’ blad en stapte later over naar de aartsreactionaire Le Figaro. In 1989 werd hij ondervraagd over de censuur die een eigenaar van een krant op zijn redactie kan uitoefenen. Giesbert toonde zich veel minder hypocriet dan zijn links-liberale collega Serge July: “Elke eigenaar heeft zijn rechten over zijn krant. In zekere zin heeft hij de macht. U spreekt me aan over mijn macht. In werkelijkheid is dat één grote grap. Er is immers de echte macht. De echte, stabiele macht is de macht van het kapitaal. Het is absoluut normaal dat die macht wordt uitgeoefend. Dat gebeurt bij alle kranten. Er bestaat geen enkele krant, waar dat niet het geval is.”

Serge July weet dat uiteraard ook, alleen valt het hem zo moeilijk om het ook toe te geven. Het is natuurlijk een cliché, maar als het in Parijs regent, druppelt het in Brussel. Ook bij ons werd er onlangs een debatje gevoerd over de commercialisering van de pers, de machtsconcentratie van enkele grote persgroepen en de redactionele (on)afhankelijkheid van kranten. Het werd helaas gevoerd door de slechtst geplaatste heren: de liberale bobo, Guido Van Liefferinghe (destijds goeroe van ‘Dag Allemaal’, het succespulpblad van de liberale Persgroep, die al ettelijke jaren in onmin leeft met zijn vroegere baas Christian Van Thillo) en die andere (neo)liberale bobo, Yves Desmet, hoofdredacteur van de krant De Morgen, eveneens eigendom van Christian Van Thillo’s Persgroep. Beide Vlaamse perscoryfeeën mochten een robbertje naast de kwestie uitvechten in het caféprogramma van Canvas, ‘Morgen Beter’. Het was een potsierlijke vertoning. Dan maar liever het debat met echte argumenten. Lectuur van Rimberts ‘Libération de Sartre à Rothschild’ kan hierbij zeer inspirerend werken.

(Uitpers, nr. 74, 7de jg., april 2006)