Het geld voor de pensioenen gaat naar de aandeelhouders

Gilbert De Swert – Het pensioenspook – EPO – 238 blz.

De hervorming van het Belgische pensioenstelsel stond onder liberale druk bovenaan de agenda van de onderhandelingen over de regeringsvorming. Vanwege de toenemende vergrijzing zou er geen geld meer zijn om de pensioenen te betalen. Aan de hand van de meest officiële gegevens haalt Gilbert De Swert, voormalig hoofd van de studiedienst van het ACV, de ‘pensée unique’ over het pensioenstelsel onderuit. Hij toont aan hoe de liberale propagandisten de waarheid over het pensioenstelsel ontkennen, met name dat het beschikbare geld steeds meer naar de aandeelhouders gaat. Tevens schetst hij de mogelijkheden om een rechtvaardig pensioenstelsel uit te bouwen.

De regeringen (lees: de belastingplichtigen) betalen zich blauw om de banken te redden. Dat leidt uiteraard tot overheidstekorten. Om die weg te werken moet zogezegd worden bespaard, bijvoorbeeld op de pensioenen. Die zouden onbetaalbaar zijn geworden. Gilbert De Swert vraagt zich allereerst af waarom de pensioenen niet gered worden zoals de banken. Banken krijgen geld en staatswaarborg. Bedrijven worden ‘gered’ door lastenverlagingen en tijdelijke werkloosheid. De pensioenen zouden evenwel alleen maar kunnen worden gered door er minder geld voor ter beschikking te stellen. Dat komt erop neer dat de rekening van de financiële crisis naar de werknemers en de bevolking in het algemeen wordt doorgeschoven.

Om het snoeien in de pensioenuitgaven te verantwoorden wordt vooral naar de demografische ontwikkeling verwezen. We leven steeds langer en daardoor worden de pensioenen onbetaalbaar, zo luidt de liberale stelling. Om het pensioenstelsel leefbaar te houden wordt door bedrijfsleiders, bankiers en andere liberalen voor een hogere pensioenleeftijd en in ieder geval voor langer werken gepleit. Ze wijzen voortdurend op de toenemende vergrijzing maar zwijgen als de dood over de toenemende verjonging van de samenleving. Overal moeten scholen worden bijgebouwd.

Er wordt alarm geslagen omdat er nu vier actieven (in de arbeidsleeftijd) zijn tegen een oudere. Over vijftig jaar zullen er nog maar twee actieven tegen een oudere zijn. De actieven zouden de toenemende pensioenlast niet meer kunnen dragen, zo wordt beweerd. De Belgische Vergrijzingscommissie (in feite het Planbureau) verzwijgt echter dat bij een verwachte productiviteitsstijging van 1,5 procent per jaar, de arbeidsproductiviteit in 2060 bijna verdubbeld zal zijn. In een uur zal dan kunnen worden geproduceerd wat nu in twee uren gebeurt. Een actieve zal in 2060 evenveel produceren als twee actieven in 2010. Door altijd maar te roepen dat er meer en langer moet worden gewerkt, probeert het politiek-financieel-economische establishment te doen aanvaarden dat werknemers niet in die productiviteitsstijgingen mogen delen.

Bovendien neemt de bevolking in de actieve leeftijd (15-64 jaar) niet af maar toe: van 6.774.000 in 2002 naar 7.911.000 in 2060. De actieve bevolking zal ook voortdurend verjongen door de toename van het aantal geboorten en de immigratie. Er wordt ook onvoldoende op gewezen dat niet alleen het aantal 50-plussers, maar ook het aantal werkende 50- en 55-plussers is toegenomen. De voorbije tien jaar is de arbeidsparticipatie van 55-plussers met meer dan 12 procentpunt gestegen: van 25 procent in 2000 tot 37,3 procent in 2010.

Stijgende rijkdom

De voorbije twintig jaar is de Belgische rijkdom trouwens, ondanks de opeenvolgende crises die het kapitalisme veroorzaakt, met meer dan 30 procent toegenomen, dankzij een gemiddelde productiviteitsgroei van meer van 1,5 procent. Het is totaal ondenkbaar dat de stijgende uitgaven voor de sociale zekerheid (onder meer voor de pensioenen) niet zouden kunnen worden gedekt door die toenemende rijkdom. De financiering van de vergrijzing vergt dat gemiddeld ieder jaar 1/7 van de bijkomende rijkdom naar de sociale zekerheid gaat.

Vanwaar dan dat gekerm over de toenemende en onbetaalbare vergrijzing? Omdat banken en verzekeringsmaatschappijen graag bijkomende pensioenvormen (groepsverzekeringen, pensioensparen) verkopen. Dat neemt niet weg dat de vergrijzing de sociale zekerheid meer zal kosten, maar geenszins voor het failliet hiervan zal zorgen. De sociale zekerheid zal in 2030 3,8 procent van het bruto binnenlands product (bbp) of 12,9 miljard euro meer moeten uitgeven dan vandaag en in 2060 5,6 procent van het bbp of 19,1 miljard meer. Die bedragen moeten echter niet meteen worden opgehoest, maar pas geleidelijk over respectievelijk een periode van twintig en vijftig jaar. Dat is best doenbaar. Hetzelfde geldt voor de pensioenuitgaven apart genomen. Die zouden in 2030 13,3 procent van het bbp en in 2060 14 procent van het bbp belopen, respectievelijk 3,6 procent bbp en 4,3 procent bbp meer dan vandaag. Dat is slechts een jaarlijkse gemiddelde stijging van 600 miljoen over de komende twintig jaar en van 300 miljoen over de komende vijftig jaar. Welke begroting zal dat niet kunnen verteren?

Probleem is echter dat de verdeling van de toenemende rijkdom sinds de jaren tachtig verschoven is van de lonen naar de winsten. Die hogere winsten gingen op de koop toe niet naar productieve investeringen, maar vooral naar de dividenden voor de aandeelhouders. Zo vertegenwoordigden de dividenden in Frankrijk in 1980 4,2 procent van de loonmassa. In 2008 was dit opgelopen tot 12,9 procent. Dat betekent dat de Franse werknemers in 1980 72 uren per jaar voor de aandeelhouders werkten, nu 189 uren.

Gilbert De Swert waarschuwt voor de toenemende rol die de zogenaamde aanvullende pensioenen (tweede en derde pijler) naast het wettelijk pensioen (eerste pijler) spelen. De pensioenfondsen beheren die tweede pijler (groepsverzekeringen) en derde pijler (privé-sparen). Om hun rendabiliteit te verhogen oefenen de pensioenfondsen steeds meer druk uit op de bedrijven waarvan ze aandelen bezitten. Ze eisen een rendement van 15 procent per jaar. Om zo’n rendement te halen beperken de bedrijven de loonkosten, onder meer door oudere werknemers te ontslaan. Resultaat: minder bijdragebetalers voor het wettelijk pensioenstelsel en meer werklozen en (vroeg)gepensioneerden. De tweede en derde pijler zijn dus geen aanvulling van het wettelijk pensioenstelsel, maar ondergraven het. Bovendien bewijzen tal van voorbeelden dat pensioenfondsen hoogst onbetrouwbaar zijn. Het zijn beleggingsfondsen als andere die geen garantie bieden.

Remedies

Gilbert De Swert overloopt tot slot de remedies om het pensioenstelsel in leven te houden. De belangrijkste liberale remedie is de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd tot 67 jaar. Waarom 67? Niemand die daar enige verklaring voor heeft. Een hogere pensioenleeftijd is bovendien onrechtvaardig. Het is een zware maatregel voor mensen die op betrekkelijk jonge leeftijd zijn beginnen werken, een lange loopbaan achter de rug hebben, vaak het lastigste werk hebben gedaan en gemiddeld minder lang leven. Verhoging van de pensioenleeftijd bestraft ook vrouwen die vroeger met werken zijn gestopt.

De auteur formuleert zelf een aantal voorstellen om de financiering van de vergrijzing veilig te stellen. Om te beginnen moet de overheid haar begrotingsmeevallers voor sociale doeleinden gebruiken. De twee paarse regeringen van Guy Verhofstadt deden dat duidelijk niet. Ze gebruikten meer-inkomsten om belastingverminderingen toe te kennen, de ‘bedrijfslasten’ te verlagen en voor de gezondheidsuitgaven een groeinorm van 4,5 procent vast te leggen. Die laatste maatregel diende om de socialisten zoet te houden. Resultaat: het Zilverfonds van Johan Vande Lanotte kon niet op begrotingsoverschotten rekenen.

In alle Europese landen met een uitgebouwd sociaal systeem schiepen liberalen (De Swert rekent daar ook de sociaal-democraten bij) de voorwaarden voor de ontmanteling van het socialezekerheidsstelsel dat na de Tweede Wereldoorlog totstandkwam. Zowel de staatskas als de sociale zekerheid wordt overal geplunderd om belastingen te verlagen en fiscale geschenken uit te delen, meestal ten gunste van de rijkere klasse. Dat alles moet ons er dan van overtuigen dat ‘we’ boven onze stand leven.

Naast de bijdrage van de overheid moet ook de werkgelegenheid voor de financiering van de vergrijzing zorgen. Maar er zijn nog altijd duizenden oudere werklozen en in totaal ongeveer 500.000 werkzoekenden. De Swert stelt vast dat onvoldoende inspanningen worden geleverd voor de bijscholing van die werkzoekenden. De ontslagnemende regering Leterme beloofde de Europese Commissie nochtans dat er over tien jaar een half miljoen meer werkenden zullen zijn. De Swert wil dat daar eerst werk van wordt gemaakt en dat nadien over langer werken wordt gepraat. Men mag trouwens niet vergeten dat het aantal werkende Belgische 55-plussers wel degelijk is gestegen: van 25 procent in 2000 naar 31,8 procent in 2005 en 37,3 procent in 2010.

Een andere liberale eis is het terugdringen of afschaffen van de brugpensioenen. Dat zal volgens De Swert maar weinig zoden aan de dijk brengen. Er zijn immers steeds minder bruggepensioneerden: slechts 5,7 procent van alle 50-plussers. Sinds het generatiepact is het aantal bruggepensioneerden onder de 60 jaar met een kwart gedaald en onder de 55 jaar met 60 procent. En minder bruggepensioneerden betekent nog niet dat er meer werkenden zullen zijn. De bedrijven verbinden er zich immers geenszins toe oudere werknemers in dienst te houden als de brugpensioenen beperkt of afgeschaft worden. Afdanken is meestal gemakkelijker en goedkoper. Zo spreken de patroonsorganisaties zichzelf tegen. Want als brugpensioen zo’n verderfelijk systeem is, waarom mogen iets oudere personeelsleden dan niet in dienst blijven? En waarom zorgen bedrijven niet voor voortgezette opleiding en aangepaste werkomstandigheden voor de 50-plussers?

We kunnen ons voorstellen dat bij de patroonsorganisaties VBO, Voka en Unizo de haren te berge rijzen bij het lezen van De Swerts voorstel om quota met sancties in te voeren voor het in dienst houden en aanwerven van 50-plussers.

Zoals gezegd kan een eerlijke verdeling van de toenemende rijkdom waar de economische groei voor zorgt het sociale stelsel, dus ook het pensioenstelsel, in stand houden. Maar ook zonder groei is er voldoende rijkdom te verdelen. Denken we maar aan de schandalig hoge inkomens, de bonussen, de buitensporige winsten, de speculatieve winsten en de fiscale en sociale fraude die in de tientallen miljarden loopt. En waarom geen fatsoenlijk maximuminkomen voor alle burgers, actieven en gepensioneerden, en een redelijke belasting op vermogensoverdracht?

Als de vergrijzing niet de oorzaak van de financieel-economische crisis is, moet ze ook niet opdraaien voor de misgrepen in de financiële sector, aldus De Swert die terecht opmerkt: ‘De twintigste eeuw heeft zo hard gezwoegd om de dromen van de negentiende eeuw te realiseren, dat de eenentwintigste eeuw dat allemaal niet mag neerhalen.’

(Uitpers, nr. 137, 13de jg., december 2011)