Het einde van de speeltijd. In 2001 maakte het asielbeleid een stille revolutie door

De belangrijkste evolutie die het Belgische asielbeleid in 2001 doormaakte was niet de fikse daling van het aantal asielaanvragen. Schommelingen in het aantal asielzoekers zijn conjunctureel, niet blijvend, zo leert de geschiedenis. Belangrijker zijn wijzigingen in wetgeving en praktijk, waarvan de gevolgen wel blijvend zijn. De voorbije twee decennia gaven aan dat zo’n wijzigingen meestal onomkeerbaar zijn, en zich inschrijven in een neerwaartse tendens waarin de vijs van het asielbeleid steeds vaster wordt aangeschroefd. Het jaar 2001 schoof geruisloos mee in die repressieve maalstroom.

Eind 2000 ontplofte een bom die al enkele maanden tikte. De televisiecamera’s zwermden neer voor de deuren van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) in Brussel, waar honderden vreemdelingen urenlang aanschoven om asiel aan te vragen. Het was december, koud, en de beelden van moeders met kinderen die zonder beschutting en voedsel vanaf 5 uur ’s morgens op de stoep stonden te drummen, werden gretig door de media in prime time en close-up uitgezonden. Toen ook nog Artsen zonder Grenzen ter plekke neerstreek en de overheid een tentenkamp opzette in de buurt, kreeg de Brusselse Jacqmainlaan ineens het aanzicht van een vluchtelingenkamp in een Afrikaanse grensstreek. Grote woorden werden bovengehaald ("Een beschaafd land als België onwaardig!") en in de Wetstraat riep de premier alle hens aan dek.

Toen de bom barstte had Minister van Maatschappelijke Integratie Johan Vande Lanotte – bevoegd voor de opvang van asielzoekers – zijn oplossing al uitgewerkt. Logisch ook, want zijn grootschalige opvangcentra zaten al maanden overvol en de OCMW’s kwamen in opstand omdat zij (voor de zoveelste keer) de asielzoekers kregen toegeschoven. Vanaf augustus 2000 werden vrijwel alle binnenkomende asielzoekers rechtstreeks naar een OCMW gestuurd. Vande Lanotte wou hier komaf mee maken en zichzelf wettelijk verplichten om alle nieuwe asielzoekers enkel nog op te vangen in systemen van materiële opvang.

Vande Lanotte schoof die wetswijziging in in een programmawet om ze snel en zonder veel debatten door het parlement te sluizen. Alzo geschiedde, en de wet verscheen al op 3 januari 2001 in het Staatsblad. De meesterzet van de SP-vice-premier was echter dat hij zijn maatregel wist te verkopen als "het volledige einde van de financiële steun aan asielzoekers", terwijl de wetswijziging in werkelijkheid niet zo ver ging. Asielzoekers die ontvankelijk verklaard worden, worden zelfs na 3 januari 2001 nog gewoon aan een OCMW toegewezen, dat hen in dat geval meestal financiële steun toekent. Nog frappanter: terwijl het duidelijk ook de bedoeling was van de wet om alle asielzoekers die een beroep indienen bij de Raad van State enkel nog materiële opvang te bieden, draaide de Minister nauwelijks enkele weken later in een omzendbrief aan de OCMW’s de klok terug: deze groep zou toch in de gewone (financiële) steunverlening blijven zitten.

De boodschap "afgelopen met de financiële steun" was een signaal voor de eigen bevolking en wou de oppositie de wind uit de zeilen nemen, maar ze was nog meer bedoeld voor buitenlands gebruik: potentiële asielzoekers in de herkomstlanden ontmoedigen. Het hele jaar 2001 stuurde de regering haar zonen uit om deze boodschap overal – vooral in Centraal- en Oost-Europa – uit te dragen.

In de analyse van de regering was het niet alleen de financiële steun die asielzoekers naar ons land lokte, maar ook de lange duur van onze procedures. Ook hier werd een geslaagde communicatie-truuk uitgehaald. Eerst werd toenmalig Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen Luc De Smet vanaf medio 2000 met alle zonden Israëls beladen. Hij was een rotslecht manager, zijn administratie was niet productief en hem extra personeel toewijzen was als water gieten in een bodemloos vat. Zelfs de progressieve krachten binnen de regering waren op de duur weg met dit verhaal. In werkelijkheid was De Smet inderdaad geen manager, maar met de productiviteit was het nog zo slecht niet gesteld, en het was vooral zijn koppige ongebondenheid die sommigen dwars zat.

De Smet werd eind 2000 opzij geschoven en vervangen door een van zijn adjuncten, Pascal Smet. Het was de volgende opmerkelijke stap in de carrière van de Waaslander met duidelijke SP-stempel (Smet is al sinds zijn achttiende lid van de SP en was ooit ondervoorzitter van de SP-jongeren en provincieraadslid). Als een loper schoof Pascal Smet de voorbije jaren op het schaakbord van het Belgische migratiebeleid heen en weer, telkens naar het strategisch interessantste vakje: eerst van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen (CGVS) naar het kabinet Binnenlandse Zaken (Vande Lanotte) (1997), dan terug als adjunct-commissaris-generaal naar het CGVS (1998), vervolgens terug naar het kabinet Binnenlandse Zaken (Duquesne) (1999), en weer terug naar het CGVS (2001), ditmaal als Commissaris-generaal.

Het is trouwens geen geheim dat Smet niet alleen in SP-kringen maar ook bij de premier Verhofstadt (VLD) in de bovenste schuif ligt. Aan de bewegingen van Smet kon men de voorbije tijd dan ook afleiden waar voor paars de lamp brandde. Toen in 1999 de grote asielhervorming moest uitgewerkt worden, zat hij ineens op het kabinet Binnenlandse Zaken. Eind 2000 was die hervorming eigenlijk al verbrand: ze zou te veel geld kosten, de omschakeling zou jaren duren, het was niet eens zeker dat de nieuwe procedure sneller zou werken dan de oude en iedereen voelde met zijn kleine teen aan dat de Raad van State op de ontwerpteksten ferme kritiek zou leveren. Was het dan niet beter om via de bestaande procedure hetzelfde resultaat te bereiken? Slechts één man werd in staat geacht om dit doel te bereiken. Prompt verscheen Pascal Smet aan het hoofd van de centrale asielinstantie.

Daarmee was de speeltijd voorbij. Het trio Verhofstadt-Vande Lanotte-Smet nam de teugels in handen. In die driehoek zou het asielbeleid vanaf dan worden bepaald. Concreet gebeurt dit via de task force asiel op het kabinet van de premier, een vergadering op het hoogste niveau waar niet alleen kabinetsmedewerkers maar ook de ministers zelf aan deelnemen. In 2001 werd de task force in het asieldossier almachtig.

Wat door sommigen was voorspeld, werd nu bewaarheid. Groenen en PS werden buitenspel gezet. De groene regeringspartijen hadden bij het regeerakkoord van 1999 de regularisatie-operatie en de versoepelde naturalisatie uit de brand gesleept. Ook de PS had zich in dat kamp gepositioneerd. Vooral de regularisatie was onpopulair in liberale kringen en had in vorige legislaturen ook de SP-ministers op Binnenlandse Zaken doen gruwen. Anderhalf jaar lang had de regering moeten toezien hoe vooral deze ‘genereuze’ maatregelen de krantenkolommen vulden. De eerste minister was zelfs door oppositie en pers belachelijk gemaakt met zijn uitspraak dat de regularisatie "snel en efficiënt" zou afgewerkt worden.

Groenen en PS betaalden vanaf 2001 zwijggeld voor hun successen uit het begin van de legislatuur. Het helpt niet dat ze geen enkele minister hebben die rechtstreekse bevoegd is voor het asielbeleid. Zo kan alles bepaald worden door VLD en SP, met de PRL op Binnen- en Buitenlandse Zaken in een onduidelijke rol. De positie van de rechtstreeks bevoegde Minister, Antoine Duquesne (PRL) op Binnenlandse Zaken, werd in 2001 zo mogelijk nog zwakker. Sommigen verwonderen er zich over dat hij nog steeds op zijn stoel zit. De verklaring is eenvoudig: het komt iedereen goed uit dat Duquesne in het zadel blijft. De enen omdat ze vrezen dat er in zijn plaats een PRL-hardliner komt, de anderen omdat ze er op rekenen met Duquesne in de Koningsstraat 60 zelf het beleid van Binnenlandse Zaken te kunnen bepalen.

Zo waren begin 2001 de pionnen in stelling gebracht voor een stille revolutie in het asielbeleid. Die heeft zich ook voltrokken, en de asielzoeker heeft het ondervonden.

Binnen de asielprocedure koos de nieuwe Commissaris-generaal in samenspraak met de regering meteen na zijn aantreden resoluut voor een nieuw beleid. Opvallendste nieuwigheid was de zogenaamde "LIFO-aanpak" (last in first out): enkel nieuwe asielverzoeken van na 1 januari 2001 werden nog behandeld. Alle aanvragen ingediend vóór 2001 werden tot nader order bevroren. Zo werden de ‘oude’ asielzoekers die vóór 2001 een aanvraag deden de eerste slachtoffers van het nieuwe beleid. Sommigen zullen dit misschien een goede zaak vinden – ondertussen kunnen ze rustig in België blijven maar voor velen is het een lijdensweg: ze leven in een permanente onzekerheid, met beperkte rechten en ze kunnen niet reizen of hun familie laten overkomen. Jarenlang nietsdoen is vaak hun lot.

Vanaf september 2001 werd de groep van de ‘oude’ asielzoekers nog meer geplaagd. In een grote administratieve operatie begon het CGVS alle asielzoekers van vóór 2001 aan te schrijven met de vraag of ze hun procedure nog wensen verder te zetten. Wie binnen de maand niet antwoordt, krijgt een negatieve beslissing op zijn asielverzoek. Te vrezen valt dat asielzoekers op die manier onterecht uit de procedure worden gewerkt omdat ze om praktische redenen de brief niet in handen krijgen, niet begrijpen, niet terugsturen… Uit de eerste cijfers bleek alvast dat 26% van de aangeschrevenen niet binnen de maand reageerde.

Nieuwe asielzoekers, wier aanvraag in 2001 wel werd behandeld, waren misschien nog slechter af. De procedure werd sterk versneld, zodat ongeveer 70% van de aanvragers binnen de 3 maanden een definitief antwoord kreeg (lees: uitgeprocedeerd werd). Een snelle procedure is uiteraard in het voordeel van de aanvrager: hij is snel verlost van de onzekerheid en kan, bij een positieve afloop, snel een nieuw leven beginnen opbouwen met volwaardige rechten. In 2001 ging het echter té snel in de Belgische asielprocedure. Asielzoekers worden op de dag van aanmelding meteen onderworpen aan een eerste interview, zonder dat ze voordien enige rust of ook maar de meest elementaire informatie krijgen. Meestal valt de eerste beslissing ook al die eerste dag; de asielzoeker krijgt ze in handen gestopt nog voor hij de Dienst Vreemdelingenzaken verlaat.

Vervolgens is er slechts drie dagen om een dringend beroep in te dienen bij het CGVS. Deze termijn werd vanaf 2001 strikter en meer legalistisch toegepast. Het interview volgt kort nadien, vaak te kort om de asielzoeker toe te laten zich goed voor te bereiden (met advocaat of begeleider). Voor de asielzoeker het goed en wel beseft, heeft hij al zijn kansen verkeken en is het wachten op het finale verdict.

Het personeel in de asielinstanties werd onder grote druk gezet om sneller te werken. Gevolg: beperkingen op de duur van interviews, minder heroproepingen, minder interviews in dringend beroep. Personeel moet zich ook flexibel verplaatsen tussen geografische secties en op het laatste ogenblik inspringen voor interviews als collega’s plots verhinderd zijn. Nieuwe medewerkers werden begin 2001 nauwelijks opgeleid, ook degenen die dossiers inhoudelijk moeten beoordelen. Ondertussen bleven de problemen rond de kwaliteit van de tolken bij de interviews op de asielinstanties voorbestaan. Een nieuwe interne richtlijn maakte bovendien een einde aan het vertalen van documenten die door de asielzoeker worden neergelegd. De tendens om de asielzoeker enkel nog verklaringen in Nederlands, Frans of Engels te laten indienen, is trouwens algemeen. Dit alles werkte uiteraard de kwaliteit van interviews en beslissingen niet in de hand.

Ook de kwalijke tendens om asielaanvragen minder individueel maar eerder groepsgewijs te benaderen, zette zich in 2001 door. Al staat het in België niet in de wet, het idee van ‘veilige landen van herkomst’, maakt duidelijk opgeld. Voor een reeks nationaliteiten wordt gewoon nooit ook maar één positieve beslissing genomen. Asielzoekers van die nationaliteiten die een gedetailleerd relaas naar voren brengen, botsen op een koud "volgens onze informatie heeft uw bevolkingsgroep in uw land geen probleem" of "u heeft niet hard genoeg geprobeerd om van uw overheid bescherming te krijgen". Dit soort vage en stereotiepe motiveringen van negatieve beslissingen doet vragen rijzen bij het individuele karakter van het onderzoek van de asielaanvraag.

Ondanks al die ingrepen slaagde het CGVS er in 2001 niet in om alle binnenkomende asielverzoeken volledig af te handelen. In de gegrondheidsfase ontstond al een nieuwe achterstand voor de asielverzoeken van 2001. Het was illustratief voor het feit dat alle aandacht van de Belgische procedure meer en meer uitgaat naar het doorvoeren van een eerste grove schifting. Een snelle schifting wordt immers cruciaal geacht als afschrikmiddel om de instroom te verminderen. Bescherming van wie het echt nodig heeft, is niet de prioriteit. Het aantal erkenningen als vluchteling lag dan ook zeer laag op het CGVS in 2001: 901, het laagste cijfer sinds 1992.

Het opvangsysteem slaagde er voor het eerst in jaren in niet te ontsporen en effectief alle binnenkomende asielzoekers in een systeem van materiële opvang onder te brengen. Voor de asielzoeker hoeft dit niet negatief te zijn. In de razendsnelle eerste fase van de procedure is hij of zij beter af in een systeem waarin begeleiding gegarandeerd is, zoals in de grootschalige opvangcentra en bij de ngo’s. Ook de meerderheid van de lokale opvanginitiatieven lijkt goed te functioneren en meer begeleiding te bieden dan het systeem van financiële steunverlening, enkele notoire blackpoints niet te na gesproken. Oude pijnpunten bleven echter ook in 2001 bestaan: OCMW’s die asielzoekers bewust naar de grootstad sturen en er verder niet meer naar omkijken, en OCMW’s die geen poot uitsteken om asielzoekers die niet in de gemeente wonen te ondersteunen. In het algemeen blijft kwalitatieve huisvesting voor asielzoekers buiten de opvangcentra een probleem.

De minister bevoegd voor de opvang lag in 2001 weer permanent onder vuur vanwege de opening van nieuwe asielcentra. Met name de omvorming van de voormalige vakantieverblijven in Westende en Houthalen deed veel stof opwaaien vanwege buurtcomités die soms gevaarlijk in de buurt kwamen van een racistisch discours. Ondertussen werd het met veel bombarie aangekondigde plan om met (commerciële) privé-partners in zee te gaan het hele jaar in de ijskast gelaten. Om voor eens en altijd van alle heisa rond de oprichting van asielcentra af te zijn, riep Vande Lanotte – weer eens via een programmawet – medio 2001 een parastatale in het leven (het Federaal Agentschap voor de Opvang) die de hele opvang voor asielzoekers gaat beheren. Kwestie van dit dossier te vertechniseren en uit het politieke vaarwater te halen. Voor de asielzoeker zou dit een positieve evolutie kunnen zijn indien het Agentschap er werkelijk in slaagt kwaliteitsnormen voor de opvang af te dwingen.

De meest negatieve ontwikkeling voor de asielzoeker was ongetwijfeld het inschakelen van de opvangcentra in het verwijderingsbeleid. In het voorjaar van 2001 bleek al gauw dat de regering zichzelf met haar nieuwe aanpak – ironisch genoeg –vast reed. De combinatie van een veel snellere asielprocedure en het opvangen van alle asielzoekers in centra zorgde er al na twee maanden voor dat de centra vol kwamen te zitten met uitgeprocedeerde asielzoekers, die massaal beroep indienden bij de Raad van State.

Die uitgeprocedeerden waren blijkbaar niet meegeteld in de berekening van het nodige aantal opvangplaatsen. De regeringstop zag maar één oplossing: een krachtdadiger uitwijzingsbeleid voor wie in de centra verbleef. Of de asielzoeker een beroep had lopen bij de Raad van State zou daarbij van geen tel zijn. Strikt juridisch gezien is dat beroep niet opschortend en mag de asielzoeker ondertussen uitgewezen worden.

Minister Vande Lanotte vaardigde in maart een eerste regeling uit: het personeel van de centra werd verplicht om mee te werken aan de gedwongen uitwijzingen, door het doorgeven van informatie aan de Dienst Vreemdelingenzaken en door hulp aan de politie wanneer die naar het centrum kwam voor een aanhouding. Dit veroorzaakte flink wat protest onder het personeel van de centra – dat betoogde voor het kabinet van de minister – en in bepaalde politieke kringen. Daardoor, maar vooral omdat Dienst Vreemdelingenzaken er zelf niet in slaagde de aanhoudingen te organiseren, bleef de regeling vrijwel dode letter.

In het najaar legde Vande Lanotte een nieuwe regeling voor. Uitgeprocedeerde asielzoekers zullen moeten verhuizen en geconcentreerd worden in de drie opvangcentra. Het personeel van deze centra zal opgeleid worden in het begeleiden van de terugkeer. De regeling werd begin 2002 van kracht. Te vrezen valt dat asielzoekers niet gebaat zijn bij dit nieuwe systeem. Heel wat uitgeprocedeerden zullen wellicht niet durven of willen verhuizen naar de gespecialiseerde centra, omdat ze vrezen dat hen daar de uitwijzing wacht. Ze zullen verdwijnen in de anonimiteit, zonder opvang, ook al loopt er nog een procedure bij de Raad van State. Gezinnen met kinderen die moeten verhuizen, zullen het onderwijs van de kinderen moeten onderbreken. Ook met de medische en juridische opvolging kunnen zich problemen stellen bij de gedwongen verhuis.

De druk op de opvangcentra was maar één aspect van het verscherpte verwijderingsbeleid. In 2001 bleef het uitwijzingsbeleid bijna volledig buiten beeld, hoewel zich ook hier een stille revolutie voltrok. De stilte rond het verwijderingsbeleid illustreert meteen een van de belangrijkste problemen op dat vlak: het gebrek aan transparantie en controle. De gesloten centra staan wel open voor controle van buitenaf. Hier moeten vooral de ngo’s en de advocatuur in eigen boezem kijken waarom zij die controle niet effectiever georganiseerd krijgen. De luchthaven van Zaventem blijft echter een zwarte doos die haar inhoud niet wil prijsgeven. Toegang tot en controle van de verwijderingseenheid van de politie, de transitzone, het centrum voor de inadmissibles is vrijwel onmogelijk. Voor een democratie is het bestaan van dergelijke grijze zones hoogst ongezond.

Nochtans is er reden tot ongerustheid. Hoeveel verwijderingen er in 2001 precies plaatsvonden, is niet bekend. Wel zeker is dat het aantal sterk gestegen is in vergelijking met voorgaande jaren. Volgens Minister Duquesne lag het aantal verwijderingen per maand in oktober 2001 twee keer zo hoog als in januari 2001. Wie zijn deze mensen? Welk statuut hadden ze voordien? Waar werden ze opgepakt? Hierover is nauwelijks informatie beschikbaar. Weer die ondoorzichtigheid. Bovendien, aldus nog de Minister, zijn er in 2001 niet minder dan 14 speciale (charter)vluchten uitgevoerd voor verwijderingen. Ook dit speelt zich af in de grootste geheimhouding, zonder vervelende pottenkijkers. Het is allemaal niet erg geruststellend.

Deze geheimdoenerij is natuurlijk de beste voedingsbodem voor geruchten en wilde verhalen allerhande, die nog worden aangezwengeld door het feit dat manifeste dysfuncties niet worden gesanctioneerd. In 2001 viel alvast geen uitspraak in de zaak Semira Adamu. Het overlijden van asielzoeker Xhevdet Ferri werd evenmin opgehelderd. Ferri overleed in oktober 2000 na een val van een metershoge draad tijdens een ontsnappingspoging uit het gesloten centrum 127bis. De krant De Morgen publiceerde later documenten en getuigenissen waaruit bleek dat de Rijkswacht niet het nodige had gedaan om Ferri op tijd te laten verzorgen.

Het strengere beleid op het vlak van opvang, asielprocedure en uitwijzingen had een directe invloed op het aantal binnenkomende asielzoekers. Het aantal asielaanvragen daalde in 2001 met 42,5% in vergelijking met het jaar 2000 (24.549 tegenover 42.691). Voor de regeringstop, de eerste minister op kop, was dit de voorbije maanden aanleiding tot zelfgenoegzame verklaringen. Terwijl de premier in oktober 2000 in zijn state of the union nog een mea culpa sloeg vanwege het falende asielbeleid, luidde het vanaf medio 2001 dat het asielbeleid "succesvol" was en de situatie "onder controle".

Tegen die zelfgenoegzaamheid over de gedaalde asielcijfers valt heel wat in te brengen. Het belangrijkste wat men kan zeggen, is dat de euforie over de dalende trend volkomen misplaatst is. Dalende asielcijfers kunnen een goede zaak zijn als ze veroorzaakt worden door positieve evoluties in de landen van herkomst of door een daling van het aantal personen dat om andere redenen dan bescherming beroep doen op de asielprocedure. Die laatste evolutie is positief omdat de procedure zich dan beter kan concentreren op wie echt bescherming nodig heeft. Dat is echter niet wat er gebeurd is in België in 2001. De cijfers geven immers duidelijk aan dat het aantal positieve beslissingen niet merkbaar is gestegen in 2001. Het percentage positieve beslissingen in ontvankelijkheid steeg heel licht bij de Dienst Vreemdelingenzaken (van 5,8% in 2000 naar 7,5% in 2001) en daalde zelfs op het Commissariaat-Generaal (van 23,3% naar 22%). Het percentage positieve beslissingen in gegrondheid op het Commissariaat steeg iets merkbaarder (van 27,3% naar 32,7%).

De instroom daalde dus spectaculair, het percentage positieve beslissingen bleef gelijk. Voor dit fenomeen zijn twee mogelijke verklaringen. Ofwel kwamen er procentueel nog steeds evenveel asielzoekers aan die de procedure oneigenlijk gebruikten. In absolute cijfers zou dit betekenen dat het zowel het aantal oneigenlijke gebruikers als het aantal personen die echt internationale bescherming behoeven, in 2001 sterk terugliep. Met andere woorden: in 2001 kwamen er veel minder "echte" vluchtelingen naar België. De andere mogelijkheid is dat er procentueel wel veel meer "echte" vluchtelingen kwamen, maar dat die niet als dusdanig werden (h)erkend door de asielinstanties omdat ze in 2001 veel strenger werden.

Welke van de twee verklaringen men ook kiest – wellicht gaat het om een mix van beide – de grote verliezers zijn zij die werkelijk internationale bescherming behoeven. Het strengere asielbeleid van 2001 heeft hen afgeschrikt of (h)erkent hen niet meer. En dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn van een efficiënt, humaan beleid. Daarom is elke euforie over de daling van de asielcijfers misplaatst.

Er zijn bovendien heel wat redenen aan te halen waarom de daling van het aantal asielaanvragen die we vorig jaar kenden, gerelativeerd kan worden. Schommelingen in het aantal asielzoekers zijn conjunctureel en niet structureel, zo wijzen de cijfers van het voorbije decennium uit. De daling van 2001 doet sterk denken aan die van 1994. Ook toen daalde het aantal aanvragen met 47% na het recordjaar 1993 (26.882 aanvragen). Die daling bleef een paar jaar aanhouden, maar vanaf 1998 begonnen de cijfers opnieuw te stijgen, tot aan het record van 2000. Niets wijst er op dat een dergelijke beweging zich niet kan herhalen.

Regeringen geloven natuurlijk graag dat zij de instroom van asielzoekers sterk in de hand hebben. Door op de aantrekkingsfactoren (pull-factoren) in te grijpen, kunnen ze het aantal aanvragen doen teruglopen. Wat in België gebeurde in 2001, lijkt de aanhangers van de maakbare samenleving alvast gelijk te geven.

Enkele relativerende commentaren zijn echter op hun plaats. De drie nationaliteiten die in 2001 in absolute cijfers het sterkst daalden waren Kosovo (-2074), Iran (-2019) en Albanië (-1911). Samen vertegenwoordigen ze een daling van 6004 aanvragen, of één derde van de totale daling (-18.142). Als we die daling in Europees perspectief plaatsen, valt op dat voor deze nationaliteiten in heel Europa een sterke daling optrad: ex-Joegoslavië –36%, Iran –55% en Albanië –40%. De daling in België was wel telkens scherper, maar algemeen kan gesteld worden dat ons land hier meedreef op een Europese golf en niet zelf met zijn strenger beleid de grote kentering veroorzaakte. Deze kentering ging wellicht veeleer terug op de situatie in die landen zelf, op de push-factoren dus.

Er was in 2001 ook veel te doen over de zogenaamde afschaffing van de financiële steun aan asielzoekers, waarover we het eerder al hadden. Dat dit voor bepaalde nationaliteiten een invloed had op de instroom, valt niet te ontkennen. Toch ook hier enkele vraagtekens. Hoe komt het dat de instroom, nu de financiële steun is afgeschaft, nog steeds hoger ligt dan in de periode 1994-1998, toen er wel financiële steun werd uitgekeerd? Hoe komt het dat de instroom van Slovaken, Russen, Roemenen en Tsjechen – nationaliteiten die vaak genoemd worden als voorbeelden van asielzoekers die van onze sociale zekerheid komen "profiteren" – in 2001 procentueel minder sterk daalde dan het gemiddelde? Hoe komt het dat het aantal aanvragen van bepaalde nationaliteiten zelfs steeg (vooral Algerije en Macedonië, ook Nepal en Angola)? Hoe komt het tenslotte dat in de jaren 1999 en 2000, toen de financiële steun nog bestond, heel wat asielzoekers in ons land aankwamen maar verkozen hier niet te blijven en door te trekken naar het Verenigd Koninkrijk?

Deze fenomenen geven enkel aan dat verklaringen voor de instroom veel complexer zijn dan het simplistische discours dat enkel oog heeft voor de aanzuigende factoren. Wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat het niet die pull-factoren zijn die mensen aanzetten om hun land te verlaten, maar dat de rol van deze aantrekkingsfactoren zich veeleer situeert op het niveau van de keuze van het land van bestemming. In die keuze houdt de migrant echter lang niet alleen rekening met de soepelheid van het asiel- en opvangbeleid in een bepaald land, maar spelen ook heel wat andere factoren zoals de aanwezigheid van zijn gemeenschap, van familieleden en kennissen, het imago van het land, de mogelijkheid tot (zwart)werk, enzovoort.

Het wekt dan ook verwondering dat de regering Verhofstadt haar succes zo sterk verankert in die onvoorspelbare en wispelturige asielcijfers. Je politiek lot verbinden aan iets waar je slechts weinig invloed op hebt, is riskant. Wat als de asielcijfers net voor de verkiezingen van 2003 opnieuw beginnen te stijgen?

Nog een laatste woord over de dalende asielcijfers. De dalers nummer 5, 6 en 7 waren Bulgarije, de Russische Federatie en Oekraïne. Deze nationaliteiten illustreren een andere duidelijk fenomeen: als één (Europees) land zijn beleid verstrengt, verleggen de stromen zich gewoon naar andere landen. Terwijl België 1185 minder aanvragen van Bulgaren registreerde (-70%), steeg hun aantal in heel Europa met 8,4% en heroriënteerden de Bulgaren zich naar landen als Noorwegen (+938) en Zweden (+443). België registreerde 1180 aanvragen minder uit de Russische federatie (-32,7%), terwijl Europa 26% meer aanvragen registreerde en de Russen naar Duitsland (+1800), Frankrijk (+1000) en Noorwegen (+900) trokken. De Oekraïners tot slot kwamen met 1012 minder naar België (-64%), maar Europa kende een stijging van 82% en de stroom verlegde zich naar Tsjechië (+3200), Noorwegen (+900) en Frankrijk (+380). De situaties die mensen uit Bulgarije, de Russische federatie en Oekraïne verdreven, bleven in 2001 wellicht onveranderd. Zij hadden het signaal uit België blijkbaar begrepen en zochten elders hun heil. Dergelijke fenomenen doen zich helaas voortdurend voor en illustreren vooral het gebrek aan solidariteit binnen Europa, de neerwaartse spiraal van negatieve concurrentie en het ontbreken van een buitenlands beleid dat de werkelijke oorzaken van migratiebewegingen aanpakt.

2001 werd het jaar waarin het (rood)groene kader rond het paarse asielbeleid afbrokkelde. De asielzoeker blijft bont en blauw achter. 2001 was ook het jaar van het spreekwoord "wie laatst lacht, best lacht". Is het asielbeleid in 2001 immers niet "snel en efficiënt" geworden (natuurlijk in een bepaalde, enge, betekenis), zoals de premier in 1999 aankondigde? Afwachten hoe de zaken in 2002 evolueren. Spelen groenen en PS zichzelf terug in de wedstrijd of blijven ze langs de zijlijn toekijken? Hoe graag willen ze terug meespelen? Klopt het gerucht of klopt het niet dat Ecolo-vice-premier Isabelle Durant militanten die ook na de regularisatie bleven aandringen op een assertievere opstelling in het asieldossier, toebeet: "Nous ne sommes pas le parti des immigrés."? Een antwoord op al die vragen volgt in het ongetwijfeld politiek boeiende jaar 2002. Vraag is of ook de asielzoeker van dit boeiende spektakel zal weten te genieten.

(Uitpers, april 2002)

(*) Deze tekst verscheen ook in het jaarboek van het Vlaamse Minderheden Centrum.

(**) Pieter Degryse is verbonden aan het Overlegcentrum voor de Integratie van Vluchtelingen (OCIV).

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 49 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook