Het antwoordenloze Links?

Een reactie op de tekst van een lezing van Francine Mestrum, Uitpers nr. 123, 12de jg., september 2010

 

Francine Mestrum moet bijgetreden worden. Op een enkel onderdeel is er te nuanceren. Ook dient gezegd, dat het democratie-aspect totaal ontbreekt in haar terechte kritiek.

Uitgerekend in Vacature van 3.07.2010 was te lezen:

“Elke verandering stuit op weerstand. Nelson Mandela in Zuid-Afrika, Martin Luther King in de VS en Ghandi in India wisten een blijvende verandering door te voeren dankzij een vast concept.

Eerst zorgden zij ervoor dat de mensen ontevreden waren met de bestaande situatie. Daarna presenteerden ze een toekomstvisie: de vrijheid. En dan voerden ze acties. (…)” Een uitspraak van een zekere Vineet Nayar.

In een e-mail van de organisatie Avaaz (zonder dat ik verder een mening heb over deze organisatie) wordt bericht over een overwinning die gezien de krachtverhoudingen niet kon:

“Onze strategie in Brazilië was eenvoudig: maak een oplossing zo populair en bekend zodat er geen tegenstand mogelijk is, en wees zo waakzaam dat we niet kunnen genegeerd worden.”

Al spelen er andere factoren om tot verandering te komen, vooral de vraag wie verandering wil en wie ‘weerstandig’ is, heeft het bovenstaande een grond van waarheid.

Francine Mestrum:

“Laat mij eerst en vooral verduidelijken wat ik bedoel met ‘de crisis’. Het is mijn overtuiging dat we niet alleen in een financiële, economische, sociale en milieucrisis zitten, maar dat we ook en misschien vooral geconfronteerd worden met een zeer ernstige crisis van de linkerzijde. Dat de linkerzijde op dit ogenblik geen voordeel haalt uit de crisis en geen aantrekkelijke boodschap heeft voor de mensen, is daar het beste bewijs van. Begin jaren ’90 waren er nog 15 regeringen in de EU met een sociaal-democratische participatie. Vandaag zijn ze op de vingers van één hand te tellen. En het lijkt me even duidelijk dat, zolang we die crisis van de linkerzijde niet oplossen, we ook geen oplossing kunnen bieden voor die andere crises. Integendeel, er is een risico dat de linkerzijde buiten spel wordt gezet.”

Het moet geweten zijn: als de conjunctuur neerwaarts gaat, dan neemt het rechtse bewustzijn toe. Is er sprake van hoogconjunctuur (gaan we dat ooit opnieuw meemaken?), neemt het linkse bewustzijn toe.

Hierover moeten we niet verwonderd zijn. Omdat links bewustzijn te maken heeft met openheid, ruimdenkendheid en vrijheid. Als er economische beperkingen zijn, zijn er ook beperkingen in het handelen, minder openheid, kortom meer tendens tot fout conservatisme.

Dit heeft te maken met het Zijn van de mensen. Wil dat dan zeggen dat de linkerzijde niet meer aan bod zal komen? Zeker niet. Want mensen zijn vanuit hun Zijn gevoelig voor recht en onrecht. Dat komt uiteraard niet uit de hemel, het is geen metafysica.

Recht en onrecht komen uit de structuren waarin de mensen leven. Ze zijn gegeven, maar niet monolithisch, het ervaren van wat recht en onrecht is, is dynamisch. Het oordeel of iets rechtvaardig is, komt uit feiten die men waarneemt. Echter, dat zgn. feit zelf, bestaat niet op zichzelf. Het bestaat in een context. Anders gesteld: wat we ervaren en zien als werkelijkheid, dat is een verhouding. De werkelijkheid is een verhouding.

Vermits het een verhouding is, kunnen mensen anders kijken naar de ‘werkelijkheid’. Zich bewust worden van een andere of een diepere werkelijkheid.

Mijn stelling is nu dat het aanvoelen van recht en onrecht zowel aanknoping als potentie tot verandering geeft. Het feit dat Links geen aantrekkelijke boodschap heeft, heeft te maken met het verlies aan aandacht voor “wat is rechtvaardig”, althans op het existerende niveau van Jan Alleman. Er is een cerebrale rechtvaardigheid bij de linkerzijde. Maar dat is een verhaal in een vreemde taal voor Jan Alleman.

Denk maar aan Belgen met een uitkering, waaraan moet verteld worden dat nieuwkomers ook moeten kunnen leven. Een moeilijk verhaal en al dikwijls horen vertellen (het ook helaas zelf gedaan) in termen van abstracte rechtvaardigheid. Dat is een taal die niet goed begrepen wordt door die mensen.

In het klassieke schema is de arbeidersklasse “onze” klasse. Als het onze klasse is, waarom moet ze dan als het ware veroverd worden? Waarom moet ze overtuigd worden tot de linkse standpunten? Waarom stemt ze voor de Hitlers, voor de Bushen en de N-VA’ers van deze wereld?

Met de laatste verkiezing in Nederland won rechts, Wilders met anti-islam sentimenten, maar vooral de VVD (de liberalen) met de “besparingsretoriek”. Het werd verkocht als noodzakelijk en rechtvaardig. Jawel.

Wat deed de KPD in de jaren dertig? Pleiten voor (terechte) economische eisen die het arbeidersbestaan moeten verbeteren. Maar Reich – voor zijn ontsporing – wees op het feit dat er meer was.

In de jaren 1970 was er een “moet-je-gelezen-hebben”-boek van Franz Jakubowski (Basis en bovenbouw, Het ideologieprobleem bij Lukács en Korsch, SUN, Nijmegen 1974). Daar, p. 121: “De arbeider kan zich slechts bewust worden van zijn maatschappelijk zijn, wanneer hij van zichzelf bewust wordt als waar.” Ook staat er dat die arbeider zich ervaart als mens én als waar, hij is subject en object. En de waarde van de waar arbeidskracht is een maatschappelijke verhouding.

In het citaat staat het belangrijke “kan”. Om het fors te stellen: iemand die hoognodig geld nodig heeft om zijn honger te stillen, die zet wel even zijn objectivering opzij.

Ik bedoel maar dat er in de dynamische verhouding van subject en object (te zijn) is er het moment waar dit of dat (on)recht is. Dit moet aangegrepen worden om die andere werkelijkheid te laten zien.

Als de werkelijkheid immers een (sociaaleconomische) verhouding is, is die verhouding uit een ander perspectief te bekijken, waarmee de zgn. objectiviteit van die verhouding betwist wordt.

Een belangrijk element in het schuiven naar links of naar rechts heeft te maken met het ervaren van “rechtvaardigheid”. Rechtvaardigheid is iets anders in crisistijd dan in hoogconjunctuur. Het idee van: “dat is rechtvaardig”, is manipuleerbaar. Wat goed te zien is in fictie (films, boeken) waar de kijker/lezer ‘gemanipuleerd’ wordt en zowaar sympathie kan krijgen voor de stouterik.

Het brengen van zo’n perspectiefwisseling moet wel verstaanbaar zijn, geen cerebrale rechtvaardigheid, maar een existentiële.

Voorbeeld: men kon wel zeggen dat Bush dit of dat is, en voorzeker op hele goede gronden. Voor mensen die er niet met de neus opzitten is dat zomaar niet te begrijpen. Het is ‘cerebraal’. Komt over als louter een bewering. Maar zeg je: “Die Bush moet toch een goed mens zijn, want zijn beveiliging – met zijn bezoek aan Brussel – kost ettelijke miljoenen” krijg je een existentieel geladen perspectiefwisseling.

 

 

Francine Mestrum:

“Ik wil dus best aannemen dat er een crisis is van het economisch systeem dat we gemakshalve ‘kapitalisme’ noemen, een crisis van het accumulatieregime, een crisis van de rentabiliteit. Ik wil geloven dat het kapitalisme een in wezen onstabiel systeem is dat altijd en onvermijdelijk van crisis naar crisis sukkelt. Maar ik geloof niet dat het kapitalisme vanzelf zal instorten, dat het kapitalisme op zijn grenzen stoot en daar blijft liggen. Het kapitalisme is een zeer veerkrachtig systeem met veel interne contradicties dat zichzelf in telkens nieuwe vormen steeds kan overleven. Maar het levert nog altijd voordelen op, weliswaar voor een steeds kleiner wordende groep mensen. Kapitalisten liggen niet wakker van anderhalf miljard extreem arme en hongerige mensen in de wereld. Kapitalisten liggen niet wakker van eilanden die onder de zeespiegel verdwijnen. Kapitalisten liggen niet wakker als Afrika ten onder gaat aan armoede en aan conflicten. Dus een beroep doen op het ‘gezond verstand’ om te tonen dat het in ons aller belang is om een rechtvaardige wereld uit te bouwen, heeft weinig zin.”

Hier hebben we drie zaken samen. Het tijdruimtelijke, het niveau van structuur en moraal, de inherente socialisering van de kapitalistische productiewijze.

– Tijdruimtelijk.

De mens kijkt naar de wereld, oordeelt en beslist, vanuit een “nu”. Tijd en ruimte worden zo subjectief ervaren. Het “nu” krijgt aldus meer belang en waarde toegedicht dan goed is voor een correcte analyse. Voorbeelden genoeg. Jaren hebben er linkse militanten rondgelopen (en nog?) met de idee dat overmorgen het kapitalisme de helleduivels zou ontketenen met het doorvoeren van een of andere maatregel. Ook zijn er voldoende linkse denkers – inclusief Marx en Engels – die de komst van de revolutie binnen een korte tijd zagen te gebeuren.

Maar de accumulatie van kapitaal is ver verwijderd van zijn eindpunt. Die accumulatie zelf is trouwens dynamisch en schept andere toestanden voor kapitalistische productieverhoudingen. Zowel in de diepte (creatie van nieuwe behoeften) als in de breedte (geografische uitbreiding (intensifiërend)) kan het systeem nog in accumulatie voor het kapitaal voorzien. Als die uitweg er is, is het geboden dat de linkerzijde in die zin een programma heeft.

– Niveau van structuur en moraal.

Rosa Luxemburg schrijft (Sociale hervorming of revolutie) dat het niet moeilijk is de ‘revolutionair’ uit te hangen … vanuit de morele categorie “rechtvaardigheid”. Je komt dan, in het beste geval, haar parafraserend, thuis met een blauw oog.

Duidelijk is zo, dat het anders moet, nl. vanuit het aanvoelen van (on)recht ingrijpen op het structurele. Een structuur die niet zomaar te wijzigen is, maar als structuur in een kapitalistische productiewijze socialiserende elementen heeft.

– Inherente socialisering van de kapitalistische productiewijze.

Met de toename en ontplooiing van de productiekrachten neemt de socialisatie, het plannen, eveneens toe. Het is de oude vaststelling van doorgedreven planning op bedrijfsniveau versus de anarchie van de markt. Vandaag krijgt dit een politieke vertaling door het “plannen” van de markt. De politieke kaste beheert en ‘plant’ de markt met regelgeving die de inherente socialisering fnuikt. Zij voert als het ware op kunstmatig niveau (antitrustwetgeving, privatiseringen) een commodificatie in. Gepland! Dit, nog steeds, kapitalisme doet niets anders dan plannen. Plannen om de marktverhoudingen, de kapitalistische productiewijze, te conserveren.

Met een boutade: het zal de honger maar uitroeien, zodra het een model gevonden heeft dat winst oplevert uit de betaling van het voedsel van de geldloze hongerenden.

Overigens een prachtig voorbeeld van Marx’ “Van vormen waarin de productiekrachten tot ontwikkeling kwamen, slaan deze verhoudingen om in ketenen daarvan.” (Voorwoord tot de Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie, 1859).

De linkerzijde moet deze drie gegevenheden synthetiseren in het handelen.

Francine Mestrum:

“Als we daar iets willen aan veranderen, zullen we ons moeten organiseren, zullen we een boodschap moeten hebben die mensen aantrekkelijk vinden, zullen we actie moeten voeren.”

– Waarom was de sociaaldemocratie sterk? Voor een deel was dit, omdat zij haar, de organisatie, organiseerde. Het organiseren van de organisatie, dat is niet een vrijblijvend iets. Dat werkt in op het bewustzijn, de moraal, de sfeer.

– Links zal ook meer op haar strepen moeten staan. Kapitaal en politieke kaste hebben ons geen lessen te geven. Dat zij hun smerigheid eerst maar opkuisen. We moeten terug het “wij-zij” verhaal op de agenda zetten, als linkerzijde. Kijk trouwens maar wat de kapitalisten doen, het is altijd van wij dit en wij dat (geen significant klassenverschil implicerend). Komt het echter toch tot een confrontatie, wordt er gestaakt, dan zijn de stakenden snel ‘terroristen’, onredelijk en des duivels.

– Een wij-zij verhaal, dat krikt het klassenbewustzijn terug op. Dat is nodig, vandaag. Met dat opkrikken zal het tevens eenvoudiger zijn onze boodschap aantrekkelijk te laten zijn.

– Organiseren en een boodschap brengen, dat moet nu ‘vereuropeest’ zijn. Denken, organiseren, handelen in Europees perspectief op basis van gesyntiseerde drie punten van hierboven. Een Europees blad, een Europese website, bouwen aan een Europese structuur zodat we binnen 10 of 20 jaar ook een presidentskandidaat naar voor kunnen schuiven op Europees niveau.

Durf te dromen! Zoals Ché Guevara stelde: “Wees realistisch, eis het onmogelijke”.

Francine Mestrum:

“En ik vrees zelfs dat klein links zelf ook denkt die echte oplossingen in de aanbieding te hebben. Kleinlinkse mensen wéten dat alleen antikapitalisme de wereld kan redden. Zij wéten dat socialisme in de plaats moet komen. En zij wéten, zo lijkt het toch, wat dat socialisme is. Ik moet u bekennen dat ik altijd een beetje jaloers ben als ik hen bezig hoor, want ik wéét die dingen helemaal niet.”

Dit is de erfenis van het 1914-1918 drama. Het grote schisma, om het met Marcel Liebman te zeggen (zie zijn artikel Het Grote Schisma in het Marxistisch Internet Archief). Hiermee is naar mijn mening het programma van een organisatie belangrijker geworden, dan het zou mogen zijn. Het programma werd heilig. Een goed programma was de garantie op succes. …Een hypostase. Daaruit een verbrokkeling naar kleinere organisaties. Ergens ook wel te begrijpen, gezien de praktijken van sommigen. Maar de kern is de overwaardering van het programma. Daaruit ook het voorhoede concept, wat een grote ballast legt op de leden van die organisaties. Ze hebben dan immers een grote taak, het leid naar – ferm in de verf gezet – een soort van ‘heldenmoraal’.

Is dat goed om de wereld te zien, zoals de wereld is?

Het is aan academici en specialisten vast te stellen waar de breuk te plaatsen is (voor, tijdens, na de Eerste Wereldoorlog?). Maar het concept “rechtvaardigheid” is ergens versmald in de rijen van sociaaldemocratie en communistische partijen rond die periode.

De verarming was de focus op de onderbouw, verander die en het bewustzijn verandert. Nogal mechanisch niet?

Daarom is het concept “rechtvaardigheid” belangrijk, het is ontologisch geworteld. Verlies je dit concept van rechtvaardigheid, dan laat je het veld open (en over) aan rechts omdat zij veel gemakkelijker de mensen, met minder politieke scholing, kunnen misleiden.

In de Linkse beweging is er een verarming geweest, in de zin van eenzijdigheid. En juist wel ‘dankzij’ de superioriteit van de marxistische theorie en analyse. Door concentratie op de marxistische verworvenheid van inzicht aangaande meerwaarde en het onderscheid tussen ruilwaarde en gebruikswaarde, is er ethiek en ontologie verloren. En indien niet verloren, zeker versmald.

Francine Mestrum:

Er rijzen dan ook een paar vragen. Als de antwoorden van kleinlinks zo juist zijn, waarom kunnen zij dan niemand overtuigen? Ik hoop dat men niet zal antwoorden dat het allemaal de schuld van de media is. De censuur in de media kan veel verklaren maar niet het totaal gebrek aan geloofwaardigheid. (…) Toen de financiële crisis uitbrak twee jaar geleden zei een goede vriend me: ‘we zijn helemaal verloren, we weten niet eens wat een hedge fund is’. Tja, waar is men dan al die tijd mee bezig geweest? Waar zijn overigens de kleinlinkse analyses van het geldsysteem?

Inderdaad, organiseren en kennis hebben is belangrijk. Neen dus aan een organisatorisch conservatisme. Dat zit ook in kleine praktische dingen. Bv. wie kan de meerwaarde berekenen die hem ontstolen wordt? Wie heeft een praktisch antwoord (geen slogans, niemand koopt een brood met slogans) op de asielproblematiek?

Handelen en denken, dat werkt op elkaar in. Militanten/leden moeten georganiseerd worden en getraind, ook in kritisch denken wat de eigen organisatie betreft. Ze moeten ook bijblijven met de ontwikkeling in de verschillende wetenschapsterreinen (of op zijn minst geïnformeerd zijn).

Het feit van zich in deze optiek te organiseren schept reeds een ander soort links dan er vandaag is. Door de eenvoudige waarheid dat denken en handelen op elkaar inwerken.

Organisatiestructuren – die hebben ook te maken met ruimtelijkheid. Gaande van camera’s die je registreren, over de helikopter die cirkelt boven een betoging, tot de datamining van repressieve/controlerende organen.

Ter bewijs van het belang van tijd en ruimte is er deze logica:

De mens is een tijdelijkheid, niet in de zin van een vaststelling, maar in de zin van een Zijn, een ontologie. Denken we maar aan de herhaaldelijk weerkerende ‘crisis’ van links, in 1920, 1930, 1940, enz. Elke generatie heeft als het ware af te rekenen met het vorige uit de evaluatie van haar momentele onvermogen (het repeterende antwoordloze?)

Op dat punt van tijdelijkheid heeft Heidegger gelijk, maar hij is tegelijk te beperkt, zoals Sloterdijk in een of ander essay schrijft. Heidegger is op een onbegrijpelijke wijze blind voor historische processen. Marxisten kunnen hier beter mee omgaan, wegens de definitie dat een mens het product is van context en geschiedenis. Hiermee, het historisch perspectief, is de tijdelijkheid te overstijgen. Maar dan moet het wel gestructureerd worden.

Hiermee bedoel ik het organiseren van die tijdelijkheid in een historisch perspectief.

Waarom is de sociaaldemocratie zo dominant kunnen worden? Naast de objectieve redenen die te vinden waren in de kapitalistische productiewijze, was er zeker het organiseren van een politiek idee met de corporaties en volkshuizen. Niet het sociaaldemocratische programma als zodanig heeft haar eertijds dominant gemaakt, wel het “organiseren van de organisatie” om het zo te zeggen.

Wat doet Links vandaag op dit niveau? Nada. De Europese kapitalistische pletwals is niet komende, hij is er al. Europees Links is nergens. Geen (gecentraliseerde) Europese website (bv. a la EUobserver), geen organisatie in de voorbereiding van een Europese presidentsverkiezing, geen Europees blad, … Elke natie zit in zijn land over te doen wat ook elders gebeurt. En in elk land werken dan ook nog – precair of niet – vele andere Europese nationaliteiten…

In de feiten is het nog erger. Ik vrees dat op het nationale niveau zelfs, de linkerzijde geen bekwame mensen heeft om een alternatief te zijn voor de onbekwaamheid – al zeker hier in België als je ziet wat er gebeurt – van rechts.

Ook dat, een kader hebben, vraagt tijd, ruimte en organisatie. Of denken jullie soms dat een toespraak van enig niveau, door een traditionele politicus, hij of zij die zomaar voor de vuist weg geeft? Dat wordt bestudeerd, dat wordt getraind, dat wordt georganiseerd.

Als je nu de “organisatie organiseert” overstijg je de tijdelijkheid met het opbouwen van een structuur, tegelijk organiseer en ‘schep’ je een politiek denken. Neem een Volkshuis, of een tijdschrift. In zo een ‘instituut’ komen vele tijdelijkheden samen, vele meningen, maar die tijdelijkheid en variatie overstijgt zich in een blijvende structuur.

 

We hebben ook het politieke begrip van organisatiestructuren.

Het politieke begrip ervan is gebonden aan de stand van technologie (technologie: op zich al een specifiek omgaan met ruimte, al is het maar de zgn. mechanisering van het wereldbeeld). De jonge Marx zou wellicht spreken van “verkeersverhoudingen”, dus een activiteit in de ruimte. Per definitie in de ruimte, het kan echt niet anders!

Nu, om Sartre te herhalen: politieke partijen zijn een recent historisch verschijnsel. Intuïtief kunnen we stellen dat politieke partijen het product zijn van evoluties in de economie, die op hun beurt evoluties brengen in de statelijke organisatie, wat weer concepten (via toename van arbeidsdeling) brengt van zelfbepaling en democratie.

Politieke partijen dus, als product van het bewustzijn van mensen in hun handelen met en in de omwereld (Umwelt) (Marx’ stofwisseling); let wel, het is een bidirectioneel proces.

Met de opmerking over de tweezijdigheid zitten we bij de organisatie opvatting van Kautsky en Lenin.

De kautskyiaanse opvatting is deze van een graduele opbouw van partij en electorale aanwas. Lid na lid, stem na stem moet de partij groeien en uitmonden in de uiteindelijke machtsovername, wat dan een socialistische productiewijze geeft. Deze zienswijze heeft te maken met de technische mogelijkheden, heeft te maken met bewustzijn in de twee richtingen. Het vermoordt ook grondig elke revolutionaire opvatting aangaande het wijzigen van maatschappelijke verhoudingen.

Veralgemenen we dit, dan zit dit starre, dit antirevolutionaire, ingebakken in de partijstructuren.

De opvatting van Lenin is al dynamischer. Hij heeft ook een meer uitgesproken opvatting over het bewustzijn en revolutionaire veranderingen. De politieke uitdrukking is hier te vinden in het democratisch centralisme. Op gestelde tijden komt men samen, dan discussie, een besluit nemen, de partijtop organiseert het besluit en de partijorganisatie voert uit.

Ook deze organisatie heeft de wortels in de technische en ruimtelijke mogelijkheden van die tijd en dat land.

Anders: de partijstructuren en organisatie, dat is geen wet van Meden en Perzen. Maar die structuren hebben wel effect op het denken van mensen, in en buiten de structuren.

Geen idee of bij georganiseerd Links nog immer die rigide partijorganisatie heerst van centraal comité, politiek bureau, etc. Ik weet wel dat het anders moet georganiseerd worden, dat het gezien de huidige mogelijkheden dynamischer kan, meer democratisch. Democratisch in de zin dat meer mensen hun inbreng kunnen doen op een actieve wijze. Niet louter formeel.

We zitten met de vraag: hoe organiseer je een organisatie, die door het zijn van de organisatie als organisatie een stugheid heeft, tot flexibel omgaan met allerlei impulsen van de basis tot de omwereld?

Laat mij antwoorden via een tegenvraag. Hoe weten de burgerlijke overheden, nationaal, Europees, wat er leeft en de politieke opties zijn van hun ‘onderdanen’. Dat wisten zij vroeger plusminus dankzij het dienstbetoon én de verzuiling. Vandaag is dat niet, of minder, het geval.

Ze hebben nu onderzoeksbureaus die peilen naar wat leeft en de opinies van de mensen. Zo is er die zgn. Euro-barometer. Waarmee zij perfect weten of, bv., de EU-burger meer of minder racistisch wordt en dan overeenkomstig hun beleid sturen (het bewaken/controleren van de mensen).

Wel, de linkerzijde moet in staat zijn ook te peilen, om het ingebakken conservatisme, de stugheid, van links te dynamiseren. Het is een kwestie van techniek, die er is, én organisatie (van de organisatie).

 

Technologie

In de Grundrisse spreekt Marx over automatisering en de ‘armoede’ van de arbeidswaardeleer bij toename van automatisering, als de maatstaf.

Automatisering veronderstelt technologie. Technologie is de omzetting van wetenschap in techniek. Maar waar is technologie te plaatsen in de begrippen (productiewijze, productieverhoudingen, productiekrachten, productiemiddelen) waarmee het marxisme werkt? Binnen die begrippen of naast die begrippen?

Wat ik er van weet, is dat Marx hierover niet duidelijk is geweest en technologie nooit als afzonderlijk item behandeld heeft. In het begin sprak Marx over verkeersverhoudingen, niet over productieverhoudingen. Met verkeersverhoudingen bedoelde hij blijkbaar bv. het fenomeen dat men op één dag met de trein naar Parijs kon, en dat dit een fundamentele andere verhouding gaf op het menselijke niveau.

Ik denk dat hij gelijk heeft. Ik denk dat naast de analyse van de warenmaatschappij we echt oog moeten leren krijgen voor technologie, als element dat naast of met de waren een sleutelgegeven is waar de dingen werkelijk veranderen. Waar het menselijk denken en leven bepaald worden. Dus ook ons denken dat een geheel andere en minder barbaarse maatschappij wil uitbouwen.

Technologie kan in ieder geval bevrijdend werken (ontwikkeling van de productiekrachten in de zin van Marx) of niet-bevrijdend (Marcuse).

Het is echter eveneens een feit dat links geen enkele vinger heeft in de technologische pap. Anders gesteld, het lijkt nu al een verloren strijd hier het gevecht aan te gaan. En toch… er is moraal. Moraal is een krachtig wapen, maar het kan – om Rosa Luxemburg te parafraseren – je een blauw oog kosten, als je het zomaar gebruikt. Gecombineerd met structuren die wijzigen wordt het wel een ander verhaal.

Technologie én de warenmaatschappij structureert de wereld. Andere technologische voorwaarden geeft andere morele opinies een kans. Een eenvoudig voorbeeld is de invloed die uitgaat van medische technologie op het denken over de dood. Hierover zijn de morele opvattingen nu veel minder uniform dan pakweg 200 jaar geleden.

Het besluit: Technologie en warenmaatschappij structureert onze wereld (die barbaars is). Technologie is een wezenlijk aspect waar de dingen essentieel, wezenlijk, veranderen. Daar gebeurt het, misschien nog veel meer dan in de strijd om de meerwaarde. Maar we hebben er geen vat op, als linkerzijde. Tenzij via de weg van de moraal. Maar moraal alleen kan ons blauwe ogen bezorgen door kapitalistische vuistslagen. En wat indien we moraal en technologie verbinden? Twee zeer krachtige elementen in de wereld. Wat als we nu vanuit de moraal de politieke eis gaan formuleren dat de landen niet moeten kijken naar het BNP maar naar het SR? Naar het Sociaal Rapport? Hoeveel naar onderwijs, hoeveel naar gezondheid, naar huisvesting, naar… En dit in combinatie met technologie, dat er technologische vondsten en onderzoek moeten gaan naar sociale optimalisaties en niet naar bv. kleurenonderzoek bij en naar snijbloemen voor de handel.

Bij Marx staat de warenanalyse volop in het brandpunt om het kapitalisme te begrijpen, ook wel om de menselijke relaties te begrijpen die bepaald zijn met en via uitwisseling van materiële objecten, die de mens verschijnen als waar vanaf een zeker niveau van civilisatie.

Aan de andere kant is er de techniek als voorwaarde, primaire voorwaarde, tot het hebben van die materiële objecten die ons verschijnen als een waar.

In zekere zin is de focus op de waar, van Marx en anderen, niet-dialectisch. Simpel en schematisch komt dialectiek neer op zien (en het feit) dat A onmiddellijk B oproept als zijn tegendeel en uit dit spel tussen A en B een nieuwe toestand ontstaat.

Het hebben van een techniek om een materieel object gebruikswaarde te laten hebben, geeft onmiddellijk de potentie tot een waar te zijn. Nu zijn er twee zaken aan de hand. Enerzijds geeft de dynamiek van de waren een uitwerking op de techniek zelf, anderzijds geeft de techniek zelf een structurerend effect op de mens en zijn omgeving. De leefwereld van een mens (en zijn mens-zijn zelf) wordt kwalitatief anders indien men dieren kan doden met een wapen, dan dat men dieren moet doden met zijn handen.

In zekere is Marx met zijn focus op de waar, niet-dialectisch – schreef ik hierboven. In zekere zin… Want Marx schreef bv. in de Grundrisse (www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1858/1858automatisering.htm) dat de arbeidswaarde een achterlijk gegeven zou worden met de toename van automatisering.

Wat het geval ook mag zijn, onderhand is duidelijk dat technologie evenals het fenomeen waar belangrijk zijn en het bestaan (in de zin van ontologie, van Zijn) effectueren.

Technologie en techniek structureert de wereld en ons mens-zijn. Ook in een constituerende zin. Dat is belangrijk!

Technologie kan mensen vrij maken, het kan mensen onvrij maken! Maar telkens structureert en maakt het de mens. De vraag is m.a.w. welke technologie willen we, en als we dit weten: hoe verhoudt het zich tot het kapitalisme dat zijn wortels heeft in de veralgemeende koopwarenproductie?

Kortom, de linkerzijde zou moeten denken op een wijze alsof zij de winkel morgen, liefst vandaag nog, overneemt. Uiteraard om niet te hervormen, maar om het beter te doen. Machtig veel beter, dan het nu is. Maar dan moet je het wel kunnen. Je moet vaardigheden hebben en concreet inzicht qua gestelde problemen. Zou de linkerzijde zo denken, alsof morgen zij de zaak beheert, zou dat de kwaliteit van links versterken.

Francine Mestrum:

Ik twijfel er aan dat kleinlinks nog een degelijke analyse van de sociale realiteit van vandaag heeft. De klassenanalyse van Marx is onvoldoende om de realiteit van vandaag te vatten. Door vast te houden aan orthodoxe marxistische analyses en alles ondergeschikt te maken aan het klassenconflict heeft kleinlinks trouwens lange tijd een aantal problemen onderschat: de discriminatie van vrouwen, het milieuprobleem, de nationaliteitenkwestie, cultuur, migratie, enz.

Dit behoeft tegenspraak. Er is veel rijkdom, geproduceerd door de linkerzijde aangaande de vermelde thema’s. En het grondschema van Marx is nog immer actueel! Meer, hij nam zelfs een voorschot op de kapitalistische ontwikkelingen, met het stellen dat met het toenemen van de automatisering (Machinerie en levende arbeid, in de Grundrisse, 1858), de arbeidswaardeleer dan een miserabele leer zou zijn (de link staat hierboven).

Een andere historische evaluatie die niet gemaakt wordt, is dat sinds Engels zijn boek over de toestand van de arbeidersklasse in 1845 uitbracht, er wezenlijk niets veranderd is. Naar de vorm uiteraard wel, maar wezenlijk? Nog immer huurproblemen, derde rangs arbeid, voedsel toestanden, etc.

Neen, Marx staat er nog!

Francine Mestrum:

“Ten tweede is er een probleem met de exterioriteit van de analyses. Kleinlinks analyseert alles ‘van buitenaf’ alsof men er zelf geen deel van uitmaakt. Dat is zo voor het kapitalisme, maar ook voor de Europese Unie, de WTO, de Wereldbank en het IMF. Alsof men er niets mee te maken heeft. En daardoor maakt men zichzelf en anderen ook machteloos.”

Inderdaad. Denken alsof men morgen de winkel overneemt, dat helpt hier. Zulks denken kan, zonder de as Wij-Zij te verlaten. Links moet denken alsof het morgen de winkel overneemt. Zo denken zal invloed hebben op het programma, maar méér nog de mensen zelf die het willen waar maken. Als ik kijk naar Links – ik reken er mijzelf bij – dan is Links onbekwaam morgen de winkel te runnen. Dat moet beter. Zonder daarom in reformisme te vervallen. Je hebt nu eenmaal technische capaciteiten nodig (dossierkennis, vaardigheden, stiptheid…).

Francine Mestrum:

“En we zullen er niet uitkomen zolang we niet over ‘hervormingen’ of ‘reguleringen’ kunnen spreken in een niet-reformistische betekenis. De belangrijkste hedendaagse denkers, van Immanuel Wallerstein over Atilio Boron tot François Houtart zeggen ons dat we met hervormingen moeten werken met als doel het kapitalisme te overstijgen, dat we moeten hervormen tot het kapitalisme zichzelf niet meer herkent. Waarom mogen we dat woord dan niet gebruiken zonder voor ‘reformist’ te worden uitgescholden?”

Het probleem is de kwalificatie die men geeft aan ‘hervorming’, is ze reformistisch of revolutionair. Dat is tot vandaag moeilijk exact te bepalen.

Het kapitalisme ontwikkelt zich. Die ontwikkeling, dat is een vorm verandering. Een vorm nu, is tweeledig:

– “er toe doende” voor het systeem (functioneel dus);

– wezenlijk.

Is dit niet het onderscheid tussen reformisme en revolutionair? Voor het kapitalisme is de accumulatie wezenlijk. Indien geen accumulatie, dan geen kapitalisme.

Bestaan er hervormingen die de accumulatie, dialectisch uitgedrukt, opheffen? Of is het zo fout gesteld, moet het zijn: “Indien de kapitalist niet de vrijheid heeft de accumulatie te besteden zoals hij wenst, dan geen kapitalisme”?

Wat is een “markt” eigenlijk? Wat kan wel op de markt komen, wat niet? En bestaan er geen soorten van markten? Anarchistische versus gereglementeerde? Een markt waar Jan Alleman evenveel, inhoudelijk en formeel, te zeggen heeft als een Etienne Davignon. Wat dan?

Francine Mestrum:

“Tenslotte, waarom blijft men zo versnipperd met vier trotskistische en drie communistische stromingen, en daarnaast nog enkele kleinere garnalen. Als er echt onoverkomelijke ideologische verschillen tussen al die stromingen zitten, dan is het hopeloos. Dan kunnen we naar huis en wachten tot het neoliberale kapitalisme, dat nog lang niet aan zijn doodstrijd bezig is, ons wel ten grave draagt.”

Eén woord: baronieën (ontsproten uit dat schisma en het ó zo zuivere programma. Baronieën kunnen remmend werken, omdat afstand doen van status of een ijdel voordeel nu eenmaal niet prettig is.

Francine Mestrum:

“We hebben een instrument gecreëerd om het progressieve gedachtegoed in België, in Europa en in de wereld naar elkaar te laten toegroeien. (…) In België en in Europa lukt dat echter niet. Voor sommigen zijn de fora ‘te links’, voor anderen ‘niet links genoeg’. Het is met dat soort vooringenomenheden dat we onszelf de das omdoen, dat we bezig zijn politieke zelfmoord te plegen.”

Het waarden-discours wordt hier vertechniseerd? VSA en Europa hebben een ander ‘wereldbeeld’?

In de marge van een opleiding, al ettelijke jaren geleden, kwam het volgende aan bod:

“But even this makes America more distinctive. Partly because America is divided in this way, its domestic political debate revolves around values to a much greater extent than in Europe. Political affiliation there is based less on income than on church-going, attitudes to abortion and attitudes to race. In America, even technical matters become moral questions. It is almost impossible to have a debate about gun registration without it becoming an argument about the right to self-defence. In Europe, even moral questions are sometimes treated as technical ones, as happened with stem-cell research.”

Bron: http://www.economist.com/displayStory.cfm?Story_ID=1511812

(Toegang tot de link is ondertussen betalend geworden)

Francine Mestrum:

“Is het echt niet mogelijk om samen te zitten en wars van alle idées fixes te zoeken naar wat we gemeenschappelijk hebben, te streven naar iets wat we mensen kunnen aanbieden, waar we mensen mee kunnen verleiden, een aantrekkelijke boodschap die mensen bescherming biedt. Want dat is tenslotte wat mensen zoeken en nu enkel aan de rechterzijde vinden. Wij stellen dan dat dat geen goede bescherming is. Maar het publiek wil onze boodschap niet. Ik ben er daarom van overtuigd dat we onze boodschap niet enkel naar inhoud maar ook naar de vorm zullen moeten bijstellen om mensen voor onze zaak te winnen.”

Allereerst moet Links als het ware nodig zijn. Het moet iets bieden aan de mensen. Het moet tolken, de onvrede en frustraties verwoorden en politiseren. Vertrekkend uit hun existentie. Er zijn toch voldoende items? Fout bestede openbare fondsen, te lage pensioenen, te lage lonen, de communautaire warboel, fiscale fraude…

Het tolken dan, moet aan de hand van zes kenmerken.

1. Eenvoudig. Een idee moet beperkt blijven tot zijn essentie.

2. Onverwacht. Verrassen!

3. Concreet. Voorbeelden uit dagdagelijkse praktijk. Geen vaktaal. Herkenning!

4. Geloofwaardig.

5. Met gevoel.

6. Met een verhaal.

Volgens mij doen wij, Links, veel te weinig de verbinding van het concrete met het perspectief naar een andere organisatie van de samenleving. Die verbinding kan gemaakt worden met/via morele uitspraken.

Ik denk dat de kapitalistische machten juist hiervan danig schrik hebben. Morele uitspraken/veroordelingen die niet blijven binnen hun logica. Ik denk niet dat het toeval is dat er zulk een innige controle en verwevenheid is van het kapitalisme met de bewustzijnsindustrie.

Nog een doordenker: maak eens de vergelijking tussen het proces van aan de macht komen der burgerij binnen en uit de feodaliteit. De burgerij heeft in het economische proces haar materiële ruggengraat kunnen uitbouwen binnen de feodale productiewijze. Wat op een gegeven moment de kwalitatieve omslag gaf van de heersende klasse te worden en dan is haar ideologie heersend geworden, dus op basis van de materiële productie (als eigendomsverhoudingen) waar zij heersend was geworden.

Kan de arbeidersklasse zo een proces overdoen? Nee. Zij moet eerder de omgekeerde weg volgen, ideeën heersend laten worden vanuit vast te stellen tegenstrijdigheden en onrecht uit de kapitalistische productiewijze, waarop zij weliswaar geen eigendomsrechten kan laten gelden (En die ideeën dan laten verankeren in structuren).

Marx heeft ergens laten zien dat ideeën zeer belangrijk zijn, zeer krachtig. Dagelijks zien we ook dat het kapitalistisch systeem er zorgvuldig mee omspringt. Een staking met enig niveau en binnen de kapitalistische logica blijvend, krijgt al te maken met mediageweld.

Dat zal zijn redenen hebben. De burgerij is bereid om voor alles een prijs te betalen, zelfs voor de strop om haar nek, om Lenin te parafraseren. Maar niet voor haar materiële machtsbasis, dan wordt het een ongeleid en hysterisch projectiel.

Anders

Het moet anders, het kan anders, en velen willen het anders. Dat komt neer op het weigeren van wat er nu is. Weigeren, dat klinkt passief maar het is naar inhoud wel degelijk actief! Kijk maar de oorspronkelijke betekenis van het woord. Als ik een toestand weiger die men mij wil opleggen, dan dwing ik de ‘oplegger’ tot een andere politiek.

Door weigeren komen er mogelijkheden waarvoor ik kies, en niet de tegenstander. Die mogelijkheden scheppen uitzicht op middelen, en middelen dat is wat de macht heeft en definieert. Overigens behoort macht tot de woordgroep van mogen. In het Engels is het woord voor macht in zijn etymologie zeer duidelijk, evenals het Frans en het Duits.

Wij kunnen weigeren! En hiermee mogelijkheden scheppen, dus macht. Wat er moet geweigerd worden zal duchtig doorgepraat moeten worden. Verwar echter niet stoppen met weigeren. Het is kwalitatief verschillend.

Staken, dat is (etymologisch) stoppen. Het verschil is duidelijk te zien in situaties van ongewenste arbeidsomstandigheden. Men staakt, men krijgt een compensatie in de vorm van loonopslag of wat anders, en hup – terug aan het werk. Het is een soort van ‘omkopen’ opdat men terug aan het werk zou gaan onder de gegeven verhoudingen. Het stopt. Tijdelijk, fundamenteel verandert er niets.

Retorisch: was het niet onder Reagan dat luchtverkeerleiders, die staakten, werden ontslagen? Wat deed Reagan? Hij weigerde!

Een doel moreel verantwoorden is krachtig. De burger kan immers – indien een dergelijke mening toegedaan – moeilijk publiek en voluit gaan pleiten voor analfabetisme, omdat de rijksmiddelenbegroting een tekort heeft.

Links moet voldoen aan kwaliteitseisen.

– Het moet aansluiten op materiële noden;

– Het moet verstaanbaar gebracht worden (slogan, korte uitleg);

– Het moet structureel (partieel) ingrijpend zijn (productiewijze);

– Het moet te rechtvaardigen zijn (de morele component);

– Het moet de ‘Wij-Zij’ verhouding duidelijk maken (= deels ook moreel).

Matigheid, macht, middelen?

Het klinkt niet bijzonder, eerder normaal en veel te braaf als er wordt gezegd: “Met gematigdheid kom je verder dan met revolutie”.

Triviaal niet? De vraag “Wat is revolutie” aan de kant zettend (niet negatief bedoeld, de breuk is nodig) is het maar de vraag of dit “niet bijzonder” is.

We kennen veel politici en politieke stromingen die gematigd zijn en mensen rond zich verzamelen. Of ook door gematigdheid juist mensen kunnen verzamelen en via die gematigdheid er in slagen te wegen op de politieke agenda, of die te sturen.

Het is wel zo dat politieke wijsheid en de geschiedenis ons laat zien “dat we met velen” zullen moeten zijn om politieke veranderingen te krijgen. Zelden of nooit zal dit lukken met een extreem standpunt. Het woord zegt het trouwens al: uit het centrum.

De Russische maatschappij van 1917 lag in puin en het ordewoord van de bolsjewieken om de oorlog te stoppen kon wel extreem lijken, maar is het niet. Ik zou eerder zeggen: radicaal, naar een wortel (niet dé wortel) gaande.

Radicaal en extreem, zijn twee verschillende dingen. Ik vrees dat ze soms niet goed onderscheiden worden. Zoals tolerantie en permissiviteit ook al onderhevig kunnen zijn aan een mix-up.

Matigheid nu, heeft niets te maken met extreem zijn. Maar matigheid sluit daarom geen radicaliteit uit. Er valt zelfs over na te denken dat een wortel om goed te wortelen, een ‘centrum’ worden kan! Een stabiliteit nodig heeft.

Wil nu het feit zo zijn, dat het woord “matigheid” kan komen van ‘maat’ (in de eerste betekenis, niet van maatschap, maar van ‘meten’, en … spreken!)… Iemand die goed ‘meet’, weet wat de ‘maten’ zijn en kan ‘passend’ werk leveren, dus ‘goed’ werk!

In politieke termen: gematigdheid klinkt ‘vies’. Maar het is wel de realiteit om mensen te kunnen verzamelen. Uit de boven gegeven beschouwing is het zelfs geen onzin.

Het politieke woord is: gematigd zijn, maar het spel niet meespelen. Niet extreem zijn, wel radicaal zijn. Beginselvastheid. De kapitalistische productiewijze is een onding. Het moet weg. Maar via extremisme, via onaangepastheid, gaan we het niet eronder krijgen. Natuurlijk ook niet via louter sleutelen aan zijn vormen (dit is niet eenvoudig, gezien de dialectiek van vorm en inhoud) zoals reformisten willen doen.

Matigheid brengt niet het doel onmiddellijk. Matigheid geeft wel de mogelijkheid tot machtsverwerving. En wat is macht? Dat is het hebben van middelen. Wat dus onmiddellijk is, is geen macht, want onmiddellijk is ont-middeld. Beroofd of leeg aan middelen.

Dit is de onderliggende structuur die we moeten zien in het complex van matigheid – radicaliteit – verandering.

Uitgaande van het standpunt van Marx dat de bevrijding van de mens ligt in de ontwikkeling van de productiekrachten kan je ‘historisch’ kijken naar de huidige crisis. Wat de regeringen nu doen aan reglementeringen en lapmiddelen om de economie kapitalistisch draaiend te houden, is een stap, een fase, in die ontwikkeling van de productiekrachten. In deze historische zin is dit proces niet negatief (wel natuurlijk in de ellende die het creëert).

Het is wel in deze context, die grote en lange lijn van kapitalistische beweging, dat er een intelligent antwoord moet zijn van de linkerzijde. Dat er in gematigdheid (dus passend, oftewel “goed”) een weigering komt, maar geen vage weigering, en de weigering moet radicaal zijn (radicaal in de zin van verworteling). Als de kapitalistische productiewijze in haar schoot de socialistische baart, is het de taak deze baring zowel te helpen als minder pijnlijk te laten gebeuren.

Het komt dus neer op het vinden van factoren in de kapitalistische productiewijze die de komst van een socialistische productiewijze helpen.

Op dit punt draagt de linkerzijde niet altijd mijn onverdeeld genoegen met zich mee. Daar is de linkerzijde niet altijd wijs mee omgegaan. En ja, wijsheid heeft te maken met wijzen, de richting aangeven.

Isoleren

Het verschijnsel “isoleren” is, als filosofische abstractie, tegennatuurlijk omdat alles met alles verbonden is. Aan de andere kant is het ook natuurlijk omdat isoleringen van materie en gebeurtenissen de wereld mogelijk maakt en er doet zijn.

We kunnen wel een historisch proces zien van toename van individualiteit. Bij het liberalisme staat het individu bovenaan, dat is heilig. Vrijheid en dergelijke zijn zelfs afgeleiden van het individu-concept bij mijn weten. Het woord individu slaat op ondeelbaarheid. Het is de eerste substantie (Aristoteles). Maar dat klopt niet, die historische wortel en de sacraliteit van het individu. Want we zijn, als ‘individu’ ten eerste zelf een product van onze tijd en onze maatschappij, ten tweede zijn we ‘deel-baar’, we zijn niet éénduidig marxist of wat anders.

Een ander woord dat ook tot ons is gekomen van de Grieken, is “persoon”. Persoon gaat terug op het toneel bij de Grieken en slaat op het ‘masker’, op de ‘rol’. Dit is een geheel andere benadering, het individu als persoon – of de persoon als individu…

De persoon heeft tal van relaties, door zijn rollen (en maskers), met zijn omgeving. Staat dus niet op zich zelf in deze zin.

In de filosofie bestaat er de school van het personalisme. Dit is christelijk van oriëntatie. Het staat tussen liberalisme en marxisme, om het grof te zeggen.

Kan je nu een persoon isoleren? Moeilijk lijkt me. Maar wel een individu. Een individu dat ondeelbaar is en op zichzelf geworpen is als een atoom, dat kan wel geïsoleerd worden. En dat doet toch het liberale denken! Het formaliseert het individu tot zakelijke relaties, waar in die zakelijke relaties de fictie heerst van gelijkwaardigheid. Het formaliseert de politieke verhoudingen tot zakelijke verhoudingen. Het haalt de politiek uit de politiek. Het individu is geen ‘persoon’ in de polis…

Het linkse denken, zeker het marxistische, is nu geïsoleerd door de liberale pletwals …die de mensen hun …identiteit ontneemt. Letterlijk, dan wel figuurlijk door een surrogaat op te bouwen van onnodige behoeften. Op het niveau van onnodige behoeften dus het verschaffen van een nieuw ‘zelf’ (zijn door het hebben van consumptiegoederen).

Maar veel drastischer, gortig en dramatisch is dat wat Naomi Klein beschrijft in haar boek Shockdoctrine. Door het kraken en isoleren (marteling, afzondering, zintuiglijke deprivatie, pillen) van de identiteit, van de persoon. … Om een nieuw individu te scheppen. Geen nieuwe persoon, maar een individu.

Het gaat hier bij ons minder snel en gortig, maar is ook onze wereld ons niet ontstolen? Zijn we ook niet geïsoleerd? Het was onvoorstelbaar in de jaren 1970 dat bv. ooit de post een privé-firma zou zijn. Of je leest zaken waar het ontduiken van belastingen een (positieve) ethische daad is. De mensen als individu zijn zo politiek dom geworden, dat ze niet beseffen dat dit een herverdelende functie heeft, die belastingen.

 

Bijkomend wil ik nog het volgende kwijt. Als we terug kijken in de geschiedenis, dan winnen de boeven telkens. Er komt links en rechts wel een wijziging, een kleine aanpassing of verbetering. Maar de mensen die streden voor een ander project ontvingen ten langen leste de klappen van de reactie. Erge klappen doorgaans.

Laat voor de linkerzijde dit ook maar een historisch besef worden. Er zijn reeds al te veel levens verwoest, om vanuit onze tijdelijkheid dit te vergeten.

(Uitpers nr. 124, 12de jg., oktober 2010)

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 81 Times, 1 Visit today