Het anticommunisme in zijn blootje

Jacques Pauwels, De mythe van de “goede oorlog”; Amerika en de Tweede Wereldoorlog
EPO, Antwerpen

In 1984 legden de Amerikaanse president Ronald Reagan en de West-Duitse kanselier Helmut Kohl bloemen neer bij graven van SS’ers in Bitburg. De SS’ers golden niet langer als belichaming van een mensonterend fascistisch systeem, maar als gewone soldaten die, net als Amerikanen en Britten, “hun vaderland” hadden gediend en daarvoor moesten worden gerespecteerd.



Het optreden van beide leiders bezegelde het streven naar “desideologisering” van de tweede wereldoorlog. Die tendens hadden westerse leiders al tijdens de wereldbrand voorbereid, vooral nadat de slag bij Stalingrad duidelijk had gemaakt dat Hitler de Sovjet-Unie niet klein zou krijgen, en dat Moskou een grote invloed in het naoorlogse Europa zou hebben.

De bedoeling was duidelijk. De tweede wereldoorlog mocht niet langer worden gezien als een ideologisch geladen conflict over maatschappelijke systemen, een botsing tussen voor- en tegenstanders van het fascisme, tussen parlementaire democratieën en de socialistische Sovjet-Unie enerzijds, en de fascistische As-mogendheden anderzijds. De oorlog moest worden herleid tot een “traditioneel” conflict tussen grootmachten om invloedssferen, zoals de eerste wereldoorlog er een was geweest en zoals de komende oorlogen er dreigen te worden.

Die vaststelling vormt de kern van het fascinerende boek van de Belgisch-Canadese historicus Jacques Pauwels, “De Mythe van de Goede Oorlog, Amerika en de tweede wereldoorlog”. Het werk, in grote mate een geschiedenis van het anticommunisme, is bij de uitgeverij EPO gepubliceerd. Een must.



In Amerika wordt de tweede wereldoorlog vaak de “goede oorlog” genoemd, zegt Pauwels, heel wat “beter” dan andere oorlogen uit de Amerikaanse geschiedenis – denk maar aan de oorlog tegen de Indianen of in Vietnam, die door veel Amerikanen als genocidair of imperialistisch zijn veroordeeld.


Met tegenstanders als Hitler of Mussolini lag dat anders. Zij stonden voor een systeem van onderdrukking, agressie, genocide en oorlogsmisdaden, en tegen zo’n vijand kon een oorlog niet anders dan een “goede oorlog” zijn. Dat niet de fascisten maar wel hun tegenstanders de oorlog hebben gewonnen, is uiteraard een uitstekende zaak. Maar de auteur onderstreept ook de tweeslachtige gevoelens bij de westerse geallieerden in de oorlog. Hij toont uitvoerig aan hoe hun antifascisme werd getemperd, vaak overheerst, door hun anticommunisme.

Al in de jaren 30 toonden heel wat leiders in het westen sympathie voor het Duits en Italiaans fascisme. Ze zagen wel wat in een systeem dat door de uitschakeling van vakbonden en linkse partijen de arbeiders in de pas hield en de productiviteit gevoelig opdreef. Ze hielden niet van de gewelddadige methodes die daarvoor werden gebruikt – het eerste concentratiekamp werd in 1933 in Dachau opgericht, niet voor joden, wel voor socialisten, vakbondsleden en communisten – maar wel van de resultaten.

Vooral bleek het fascisme de aartsvijand van het communisme, het “Rode Gevaar” dat westerse regeringen al met een militaire interventie in de Russische burgeroorlog (1918-1920) aan de zijde van de Witten hadden bestreden. Het bestaan zelf van de Sovjet-Unie was leiders als Winston Churchill een doorn in het oog. Ook in de Verenigde Staten beschouwden de machthebbers de socialistische Sovjet-Unie als een gevaarlijke uitdaging.

Want voor het eerst had de Russische revolutie (1917) bankiers en bedrijfsleiders getoond dat ze alles konden verliezen, ook hun politieke macht, als ze de werknemers geen behoorlijk bestaan boden. En ook al ontwikkelde de Sovjet-Unie zich niet tot een “paradijs”, ze vormde wel een “tegensysteem” voor het westers kapitalisme, dat in een diepe crisis van overproductie verkeerde en nog geen uitgebreid systeem van sociale zekerheid kende.

Amerikaanse bedrijfsleiders investeerden behoorlijk in nazi-Duitsland. Zelf waren ze geen fascisten, op enkele uitzonderingen na, maar ze waardeerden wat de fascistische leiders uitvoerden. Terwijl ze in de “Grote Depressie” in de VS zelf last hadden van stakende arbeiders en militantere vakbonden, hadden ze daar in het Derde Rijk geen last van. Hitler en zijn geestesgenoten waren “good for business”.

Toen Hitler in 1939 Polen en daarna West-Europa aanviel, verwachtten velen in Washington gelaten dat Europa voor onbepaalde tijd onder de “nieuwe orde” van het fascisme zou leven. De Amerikaanse ambassadeur bleef in Berlijn, er werden normale diplomatieke relaties onderhouden met het collaborateurs-regime van Pétain in Vichy.

Maar het tij keerde toen bleek dat Hitler Groot-Brittannië, een oude politieke bondgenoot en belangrijke economische partner, zou aanvallen. Amerikaanse bedrijven begonnen massaal jeeps, tanks, vrachtwagens en vliegtuigen te produceren voor de Britten . De werkloosheid daalde, de winsten stegen, de VS leken de crisis te boven te komen.

Dan, in de zomer van 1941, viel Hitler de Sovjet-Unie binnen. De aanval op het thuisland van het verfoeide communisme zou bij de Amerikaanse elite en de media bejubeld zijn geweest indien hij vroeger was gekomen, merkt Pauwels op. Maar nu waren steeds méér Amerikanen gaan duimen voor Groot-Brittannië, en de nieuwe Sovjetvijand voor Hitler betekende een voordeel voor Groot-Brittannië.

De Amerikanen gingen evenwel nauwelijks in op Stalins verzoek om kredieten en wapens, ze gingen ervan uit dat de Sovjet-Unie wel door de knieën zou gaan voor Hitler. Toch kon Moskou een tijdelijke ontlasting voor het bedreigde Groot-Brittannië betekenen. Pas vanaf november 1941, toen bleek dat Stalin de nazi’s het hoofd zou blijven bieden, gaf Washington kredieten voor Moskou vrij. De Amerikaanse politieke en economische elite was nu ,antifascistisch”, maar bleef tegelijk anticommunistisch. Liefst zag zij nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie elkaar in een lange worsteling uitputten.

Maar dan kwam de Japanse aanval op de Amerikaanse vlootbasis Pearl Harbor, op 7 december 1941. Daarmee bevestigde Japan dat het de strijd met de VS om invloed in de Stille Oceaan en het verre Oosten ook met de wapens wilde beslechten. Dat heeft de Amerikanen in de oorlog betrokken. Maar pas vier dagen later raakte Amerika ook officieel verwikkeld in de oorlog tegen Duitsland, toen Hitler op 11 december de VS de oorlog verklaarde. De oorlog, tot dan een Europese oorlog, werd een echte wereldoorlog.

Amerikaanse media, filmmakers en propagandisten, die tot dan de bolsjevisten als de grote vijand hadden afgeschilderd, maakten nu van Japan en Duitsland hun mikpunt. Er kwamen zelfs vleiende berichten over Uncle Joe (Vadertje Stalin) en de Sovjetjoodgenoot. De gewone Amerikaan hoorde nu dat er in de Sovjet-Unie geen werklozen waren, dat er gratis onderwijs en ziekteverzekering bestond, en dat de mensen er betaalde vakantie kregen. Dat wakkerde in de VS de vraag aan om na de oorlog in eigen land een sociale New Deal af te dwingen.

Iets gelijkaardigs gebeurde ook in de Sovjet-Unie. Daar werd de antikapitalistische wereldrevolutie uit het discours geschrapt. Op 22 mei 1943 doekte Stalin de Comintern op, de internationale die verondersteld werd om overal ter wereld de proletarische revolutie te bevorderen. Britten en Amerikanen waren bondgenoten van de Sovjet-Unie in de strijd tegen het nazi-gevaar.

De Sovjet-Unie, die veruit het zwaarst te lijden had onder de nazi-agressie, vroeg haar westerse bondgenoten om in West-Europa een tweede front tegen Hitler te openen. Dat zou aan het oostfront het Rode Leger ontlasten. Maar dat tweede front zou Moskou pas veel later krijgen, toen het beter paste in het kraam van Washington en Londen.

Wel begonnen de Amerikaanse en Britse luchtmachten in 1942 met zware bombardementen op Duitse steden. Die slokten veel middelen op die volgens Stalin beter waren ingezet in een tweede front. Ze beletten ook niet dat de Duitse oorlogsproductie – ook filialen van Amerikaanse bedrijven maakten militair materiaal voor de nazi’s en werden kennelijk bij de bombardementen gespaard – werd opgedreven om in 1944 een hoogtepunt te bereiken. Ze wakkerden bij de Duitse bevolking ook haat tegen de geallieerden aan.



In november1942 begonnen de westerse geallieerden een grootscheepse operatie in Noord-Afrika. Die versterkte Britse posities in Gibralter, Egypte en het olierijke Midden-Oosten. Ze bood ook het voordeel dat ze Duitslands zwakke Italiaanse partner bedreigde. Maar het tweede front in West-Europa, dat Stalin beter zou hebben ontlast en hem na de oorlog misschien toeschietelijker zou hebben gemaakt, kwam er noch in 1942, noch in 1943. Pas op 4 juni 1944 zouden de westerse geallieerden in Normandië landen, minder om de druk op het toch al oprukkende Rode Leger te verminderen, dan om de wedloop met dat leger naar Berlijn te winnen.

Dat het Rode Leger Hitler niet alleen had weerstaan, maar ook terugdreef, verhoogde het aanzien van de Sovjet-Unie bij de bevolking in het Westen. Daar was een groot deel van het antifascistisch verzet geleid door communisten. Washington en Londen werden erg bezorgd dat dit Moskou en de West-Europese communisten na de oorlog erg invloedrijk zou maken. Ze moesten ervoor zorgen dat de westerse geallieerden niet voor Moskou onderdeden.

De bevrijding van Italië toonde hoe ze te werk wilden gaan. In de zomer van 1943 landden ze daar vanuit Noord-Afrika. Met het antifascistisch verzet, dat radicale sociale en economische hervormingen na de oorlog beoogde, wilden ze niet samenwerken. Want daar gaven communisten de toon aan. In de plaats daarvan sloten ze akkoorden met dezelfde elites die in 1922 Mussolini aan de macht hadden geholpen. En met de maffia, een anticommunistisch bastion dat op grond van die samenwerking zijn wereldwijde macht heeft opgebouwd. In bevrijd Italië leek het nieuwe regime verdacht veel op het oude, merkt Pauwels op, velen hadden het over “fascisme zonder Mussolini”.

Tegelijk moesten met Stalin afspraken worden gemaakt over de naoorlogse orde in Europa. Weinig invloed van Moskou en communisten, was het streefdoel van de westerse geallieerden. Maar door zijn successen tegen de nazi’s stond Stalin niet langer in een zwakke, maar in een aldoor sterkere positie. Dat bleek al op de conferentie van alle geallieerden in Teheran in 1943, het bleek nog sterker op die van Jalta in 1945. Op de conferentie van Jalta was vooral aangedrongen door Amerikanen en Britten. Het Rode Leger was al opgerukt tot aan de Oder. Alles wees erop dat de Sovjettroepen het vlakbije Berlijn zouden bevrijden, mogelijk zelfs Duitsland tot aan de Main of de Rijn.

Stalin, die zich de anticommunistische buitenlandse interventie in de Russische burgeroorlog herinnerde, vertrouwde zijn westerse bondgenoten maar half. Het einde van het Derde Rijk naderde, en nazi-leiders hoopten op redding door een afzonderlijke wapenstilstand met de westerse geallieerden. Dan zou een gezamenlijke kruistocht tegen de “natuurlijke” vijand, het communisme en de Sovjet-Unie, kunnen beginnen. Als de westerse leiders er aan hebben gedacht op die idee in te gaan, dan hebben ze geen rekening gehouden met de publieke opinie in eigen land. Die zou het vermoedelijk niet hebben genomen dat haar leiders uit anticommunisme aan de zijde van de voormalige nazi-vijand een nieuwe oorlog zouden hebben ontketend. In elk geval haalden de Amerikaanse leiders in hun land het anticommunisme van onder de domper die ze er bij het begin van de oorlog hadden op geplaatst. De nieuwe campagne zou als McCarthyisme de geschiedenis ingaan.

De afspraken in Jalta bezegelden de verdeling van Europa en van Duitsland. Moskou had zich verzet tegen een verdeling van Duitsland, omdat het oordeelde dat een verdeeld en verzwakt Duitsland niet in staat zou zijn de geëiste herstelbetalingen te verrichten. Bovendien was het aan de Sovjet-Unie toegewezen bezettingsgebied het armste van Duitsland. Dat Moskou dit aanvaardde, toonde volgens Pauwels de angst van Stalin om het Westen niet voor het hoofd te stoten op een moment dat de economische levensvatbaarheid van de Sovjet-Unie op het spel stond.

Vanuit het standpunt van de Amerikaanse elites die voor de oorlog uit anticommunisme gevaarlijk dicht bij sympathie met het fascisme waren gekomen, is de tweede wereldoorlog pas onlangs voltooit, benadrukt Pauwels. Het grote objectief van die oorlog was de uitschakeling van de “ware vijand”, de Sovjet-Unie. De Koude Oorlog moest dat doel blijven nastreven, westerse regeringen zetten er zelfs vroegere nazi-vijanden en oorlogsmisdadigers voor in. Net als de grote wereldbrand heeft de Koude Oorlog, tot blijdschap van veel Amerikaanse banken en bedrijven, een enorme wapenindustrie gevoed. Maar ook de Sovjet-Unie draaide mee, en kon de kosten uiteindelijk niet blijven opbrengen. Dat werd in 1991 één van de redenen van haar instorting.

Het einde van het “tegensysteem” opende niet alleen Oost-Europa opnieuw voor westerse kapitalen en producten. Het stelde het kapitalisme ook in staat zich als enig mogelijk systeem op te werpen. Dat is volgens de auteur bijzonder gevaarlijk. Want de Russische revolutie en de krachtsverhoudingen in de tweede wereldoorlog hadden het kapitalisme na die oorlog gedwongen een menselijker gelaat te ontwikkelen: sociale zekerheid, pensioenen, betaalde vakantie… Zonder concurrentie is de kans reëel dat die welvaartsstaat wordt afgebouwd, waarschuwt Pauwels. Dan wordt het kapitalisme “elke dag meer het brutale systeem dat het in Europa al was in de negentiende eeuw, en dat het in de Derde Wereld steeds is gebleven”.


 


Jacques Pauwels werd in 1946 in Gent geboren. Na studies in de geschiedenis week hij uit naar Canada, waar hij het staatsburgerschap verkreeg. Hij doctoreerde aan de universiteit van Toronto, en doceert aan verscheidene Canadese universiteiten. Hij heeft vooral over de tweede wereldoorlog gepubliceerd.

About