‘Herinneringen van een marginaal’

Maxime Rodinson, ‘Souvenirs d’un marginal’, uitgeverij Fayard, Parijs 2005, 415 blz., ISBN 2-213-62487-9, 22 euro. (Voorwoord van Pierre Vidal-Naquet)

Vorig jaar, op 23 mei, overleed op negenentachtig jarige leeftijd Maxime Rodinson. Hij was linguïst, gespecialiseerd in semitische talen, socioloog, historicus en vooral een zeer geapprecieerd arabist en islamoloog. Rodinson was een intellectueel van de oude school: autodidact, erudiet en nooit te beroerd om zijn verantwoordelijkheid op te nemen en zijn stem te verheffen in het debat.

Maxime Rodinson is – ondanks zijn uitsluiting uit de Franse communistische partij in 1958 – steeds een marxistisch denker gebleven, een militant die geen vrede kon nemen met het racisme, het kolonialisme en zijn zionistische variant. Rodinson was een zoon van joodse immigranten uit Rusland. Zijn compromisloze stellingname tegen de koloniale en racistische ideologie, die aan de basis lag van de oprichting van de staat Israël, bezorgde hem in joodse kringen heel wat vijanden. Zo pas verscheen van hem postuum ‘Souvenirs d’un marginal’, zijn onvoltooide mémoires.

Tien maanden na zijn overlijden, op 5 maart 2005, toen het debat over de hoofddoek weer in alle hevigheid oplaaide, publiceerde Le Monde opnieuw een vrij oud opiniestuk van Rodinson. Het was een tekst die op 1 december 1989 in Le Monde was verschenen onder de titel “De la peste communautaire”. Uit de postume herdruk bleek hoe visionair de auteur was geweest, toen hij voorspelde dat het debat over de hoofddoek zou ontaarden in een communautaire stellingenoorlog. “De oorlog om de hoofddoek heeft zijn lachwekkende kant,” schreef Maxime Rodinson in 1989. “Zou men her en der ook de Tiroolse lederhose of de Schotse kilt willen verbieden?” “Deze oorlog heeft ook zijn schandelijke kant: bij de mobilisatie ter verdediging van de lekenstaat is het duidelijk – en onvermijdelijk – dat bij velen een dosis racisme is binnen geslopen.” Rodinson waarschuwde ervoor dat Frankrijk snel het slachtoffer zou worden van zijn nationalisme en patriottisme, van zijn gevaarlijke neiging om uiteen te spatten in allerlei op zichzelf terug geplooide “gemeenschappen”.

Maxime Rodinson was een man die graag met zijn lezerspubliek in gesprek trad. In 1988, toen zijn boek ‘Peuple juif ou problème juif’ in het Nederlands was verschenen (vertaald als ‘De joodse natie in droom en daad’) (1), was hij in Brussel uitgenodigd voor een conferentie-debat. De organisatoren hadden mij gevraagd om de conferentie in te leiden en het debat te modereren. In de vroege namiddag had ik een afspraak met Rodinson in het centrum van Brussel om een en ander te overleggen. Ik kreeg een drie uur durende uiteenzetting over zijn werk en we hoefden verder niets af te spreken voor het debat van die avond. De organisatoren hadden mij op het hart gedrukt de tijd strikt in het oog te houden. Maxime Rodinson was toen al een eind in de zeventig en het was niet de bedoeling de spreker nodeloos af te matten. Zijn conferentie en het daaropvolgende debat werden ongemeen boeiend. Rond één uur ’s nachts liet Rodinson zich overtuigen om de avond te beëindigen. De conciërge van het conferentiegebouw kon rond half twee moe maar tevreden de deuren sluiten en de lichten doven.

Zoon van een Russische anarchist

Maxime Rodinson is in 1915 in Parijs geboren. Zijn vader is een Russische anarchist, een jood die alle banden met zijn voorvaderlijke religie heeft verbroken. De revolutionairen in de christelijke wereld hebben in die jaren een stevige reputatie van papenvreters. Zij zijn radicale atheïsten en de wereld moet het geweten hebben. Pausen, bisschoppen en pastoors worden genadeloos bestreden. Hun kameraden uit de Oost-Europese joodse getto’s rekenen op dezelfde manier af met de symbolen en hoogwaardigheidsbekleders van hun religie. Zij gaan voor rationaliteit, hebben een passie voor alles wat wetenschappelijk is, kijken met verbazing naar de nieuwe technologieën, die de wetenschap in ijltempo ontwikkelt. “Heel hun kijk op de wereld werd gedragen door de wetenschap,” herinnert Maxime Rondinson zich, “de wetenschap, die sinds enkele decennia gigantische vooruitgang had geboekt en telkens weer uitmondde in wonderbaarlijke, nooit geziene uitvindingen. Ook van de mens- en maatschappijwetenschappen kon men gelijkaardige wonderen verwachten. Ook hier zou de wetenschap zijn wetten dicteren. De spirituele en lucide mens had al snel zijn glashelder credo uit dit alles gedistilleerd: de mens stamt af van de apen, dus moeten we van elkaar houden…”

Rusland is een hel voor de joden. Ook voor revolutionairen – anarchisten, communisten – is Rusland allesbehalve een veilige plek. In 1886 neemt Moïse Rodinson de wijk naar Parijs. Jiddisch is zijn moedertaal, hij spreekt ook Russisch en heeft een mondjevol Frans opgestoken. In Parijs bergt hij zijn joodse voornaam Moïse op en gaat voortaan als Maurice Rodinson door het leven. Hij begint een eigen zaak als fabrikant van regenjassen en enkele jaren later leert hij zijn twintig jaar jongere vrouw, Anna Gotlobovski kennen. Ze komt bij hem in het regenjassenatelier werken. Anna is een dochter van een vrome joodse familie. Na haar emigratie uit Rusland, komt ze in Parijs in contact met joodse revolutionaire kringen en ze wordt een fervente atheïste. Anna heeft een dochtertje, Olga, als ze besluit bij Maurice Rodinson in te trekken. In 1915 wordt Maxime geboren. Zijn naam is een eerbetoon van de ouders aan de Russische revolutionaire schrijver Maxim Gorki. Maurice Rodinson kent het Russische linkse milieu in Parijs heel goed. Hij heeft er tal van vrienden, die actief zijn in de nog jonge vakbondsbeweging. En hij richt – met wisselend succes – enkele volksbibliotheken op voor de vrienden – allemaal joodse arbeiders. De liefde van de kleine Maxime voor boeken is genetisch bepaald. Vader Rodinson speelt in Parijs schaak met Leon Trotski. Maurice Rodinson kiest tijdens zijn eerste Parijse jaren openlijk de kant van de tegenstanders van de ‘grote oorlog’. De Franse socialisten hebben (net zoals hun Belgische, Engelse en Duitse kameraden) de kant van hun regering gekozen en nemen als nieuwe patriotten met enthousiasme deel aan de Eerste Wereldoorlog. In Parijs hebben bekende revolutionaire tegenstanders van de oorlog zoals Trotski, Plekhanov, Radek en Alexdra Kollontai een voorlopig onderkomen gevonden. Maurice Rodinson ontmoet een aantal van hen. Maar hij blijft anarchist, aanhanger van de roemruchte prins en agitator Kropotkin. In 1917 deelt Maurice Rodinson de bewondering die de anarchist Kropotkin heeft voor de oktoberrevolutie. De revolutie van de bolsjevieken is voor hem “een immense sprankel hoop uit het Oosten” en “een belangrijke stap vooruit van de rede”. Als drie jaar later, in 1920, tijdens het congres van Tours de Franse communistische partij (PCF) wordt opgericht, sluiten Maurice en Anna zich onmiddellijk aan bij de nieuwe politieke formatie. Zoon Maxime zal op jeugdige leeftijd in 1937 het voorbeeld van zijn ouders volgen. Ook hij wordt lid van de PCF (in 1958 wordt hij uit de partij uitgesloten).

Autodidact

Maurice en Anna Rodinson zijn harde werkers. Het regenjassenatelier Rodinson brengt net genoeg op om te overleven. Het communistische echtpaar heeft echt niet veel tijd voor het militante leven. Maar als de PCF hen nodig heeft, zijn ze steeds van de partij. Maxime Rodinson vertelt ondermeer hoe hij samen met zijn moeder in 1927 voor de politie op de vlucht moet na een betoging ten gunste van de in de Verenigde Staten ter dood veroordeelde anarchisten Sacco en Vanzetti (die ondanks een wereldwijde campagne tegen hun schijnproces ook daadwerkelijk terechtgesteld zullen worden). De Rodinsons zijn bevriend met heel wat bekende Franse en Russische revolutionairen in Parijs. Moeder Rodinson voelt er aanvankelijk wel wat voor om naar Rusland terug te keren en er deel te nemen aan de opbouw van de eerste socialistische arbeiders- en boerenrepubliek. Moïse Rodinson is echter niet zo gebrand op een terugkeer, ook al heeft hij een onwankelbare sympathie voor de Sovjetunie van Lenin. Maurice en Anna voeden hun kinderen in het Frans op. Veel van de vrienden van het echtpaar Rodinson komen uit het revolutionaire Jiddischland – de door antisemitisme geteisterde en door revolutionaire bewegingen ondermijnde tsaristische samenleving van voor 1917. Maar Jiddisch wordt er ten huize Rodinson niet gesproken, laat staan dat er plaats zou zijn voor een traditionele joodse opvoeding. De Rodinsons zijn virulente atheïsten, die de ‘achterlijkheid’ van de joodse religie hebben afgezworen. De kleine Maxime is een wat vreemd kind. Tot ieders verbazing kan hij al op piepjonge leeftijd lezen. Hij heeft een hekel aan spel en sport. Zijn lievelingsactiviteit: met een boekje in een hoekje. Voor de ouders Rodinson doemt meteen het spookbeeld op uit hun joodse jeugd. In de Oost-Europese getto’s bestaat een type jood waaraan de atheïsten Rodinson een bloedhekel hebben: de chivé bokher. Het is een van de weinige Jiddische woorden, die Maxime Rodinson zijn hele leven lang zal onthouden. Een chivé bokher is een bigotte jongeman, die zijn dagen verdoet met de studie van de talmud en alle joodse heilige geschriften uit het hoofd kent. In de ogen van Maurice en Anna Rodinson is de chivé bokher een levend fossiel en dat is het laatste wat ze hun zoontje willen zien worden. Maar er is geen kruid tegen gewassen. De kleine Rodinson zal zijn hele leven lang een boekenwurm blijven. Toch verloopt de schoolcarrière van de jonge Rodinson niet geruisloos. Hij is een briljante scholier. Enorm leergierig en altijd vaste klant bij de bibliotheken van zijn vader. Maar het regenjassenatelier van de familie brengt net genoeg op om van te leven. Luxe is er echter niet bij. En middelbare studies behoren op dat ogenblik nog tot de luxeproducten Op veertienjarige leeftijd moet Maxime Rodinson uit werken. Hij wordt loopjongen bij een transportbedrijf – vrachtwagens zijn er nog niet, het bedrijf werkt met paarden en karren. Maxime Rodinson combineert zijn baantje met een bijzonder intensieve zelfstudie. Hij blijft boeken verslinden. Leert Russisch via correspondentie. En hij ontdekt de taal van de toekomst, de taal van de internationalisten. Hij wordt een bewonderaar en adept van dokter Zamenhof, de uitvinder van het Esperanto. Als esperantist begint hij te corresponderen met een jonge communist uit Vitebesk, het geboortestadje van zijn vader. Op zijn achttiende behaalt hij in zijn eentje zijn ‘bac’, het diploma middelbaar onderwijs. Hij is vrij leerling aan de Ecole des Langues orientales (waar hij diploma’s haalt voor Arabisch, Turks en Amhaars, een semitische taal uit het oude Ethiopië). Een van zijn docenten heeft al snel door dat Maxime Rodinson een bijzondere student is: “Als er een semitische taal zou bestaan op de maan, zou Rodinson al snel onderweg zijn om ze te leren.” Hij volgt les aan de Ecole du Louvre en als autodidact behaalt hij er zijn eerste licentie – de eerste in een nagenoeg ontelbare rij (geschiedenis, filologie, sociologie volgen later nog).

Abattoir Auschwitz

Zijn encyclopedische kennis en eruditie zullen hem uiteindelijk het leven redden. Bij de algemene mobilisatie in 1939 wordt Rodinson naar Libanon gestuurd. Zijn kennis van het Arabisch maakt hem geschikt voor de dienst bij de Forces françaises libres in Libanon. Hij zal er tot 1947 blijven. Voor de Franse regering is een sterke militaire aanwezigheid in Libanon en Syrië – net zoals in de Franse kolonies in Noord-Afrika (en elders) van het allergrootste belang. De nazi’s bezetten Frankrijk en hebben er het collaboratieregime van maarschalk Pétain in Vichy geïnstalleerd. De Franse regering wil – samen met de geallieerden – beletten dat het Franse koloniale imperium in handen van nazi-Duitsland valt. Voor Maxime Rodinson wordt het verblijf in Libanon en Syrië een eerste kennismaking op het terrein met de Arabische wereld. De jonge Rodinson vervult er een aantal leeropdrachten (ondermeer aan het moslimcollege Maqâsid in de Zuid-Libanese havenstad Saïda), hij wordt bibliothecaris bij de Franse archeologische missie in Libanon en Syrië. Hij verdiept zich in de Arabische taal, cultuur en geschiedenis en legt talloze contacten met de communistische partijen en linkse bewegingen in het Midden-Oosten. Contacten, die hij zal blijven onderhouden na zijn terugkeer naar Frankrijk. Zijn verblijf in Libanon redt hem uiteindelijk het leven, want zijn ouders overleven de nazi-bezetting niet. Maurice en Anna Rodinson, die nooit de Franse nationaliteit hebben aangenomen, blijven na de Duitse inval in Parijs. Ze trachten te overleven met wat ze verdienen in hun regenjassenatelier. In 1943 kunnen ze echter niet ontsnappen aan de ijver van de Franse politie en de Gestapo. In het voorjaar van 1943 worden ze gearresteerd en op transport gezet naar het abattoir Auschwitz, waar ze vrijwel onmiddellijk worden vergast.

Marginaal

Maxime Rodinson noemt zijn mémoires ‘Souvenirs d’un marginal’. In zijn inleiding stelt hij zelf de vraag: “Over welke marginaliteit gaat het dan wel voor een man die zich in mijn positie bevindt ?”. “Ik heb nooit voor de levensstijl gekozen van al die anderen, die alle bruggen hebben opgeblazen met de maatschappij waarin ze leven: ik ben nooit een vrijwillige clochard geweest, geen bohémien of avonturier.” ” Maar ik heb me ook nooit volledig, totaal, aangesloten bij een gesloten maatschappelijk of moreel universum. Ik heb steeds ten minste een vleugje gereserveerdheid behouden, wat scepticisme en de vaste wil om mijn eigen terrein af te bakenen en te behouden, buiten het bereik van mijn engagement.”

Die fundamentele levensbeschouwing heeft Rodinson waarschijnlijk van zijn ouders – vooral van zijn vader Maurice – geërfd. Zij waren overtuigde revolutionairen. Hun politiek en maatschappelijk engagement putten zij uit het rationalisme, dat haaks stond op elke vorm van religieus obscurantisme, nationalisme, blind sektarisme. Het marxisme dat Rodinson voorstaat, heeft niets van doen met een nieuwe religie. Het is gebaseerd op rationaliteit, op wetenschap. De communistische partij lijkt hem te veel op een kerkelijk instituut. De familie Rodinson telde de eigenzinnige marxistische theoreticus Charles Rappoport tot zijn vrienden. Ook Cholem Schwartzbard is vriend aan huis bij de Rodinsons. In 1926 kogelt Schwartzbard in Parijs de Oekraïense hetman Simon Petliura neer. Tijdens de oorlog tegen het jonge Sovjetbewind (1918-1920) had deze Petliura verschrikkelijke anti-joodse pogroms georganiseerd, waarvan heel wat familieleden van Schwartzbard het slachtoffer geworden waren. Schwartzbard wordt na de moord op Petliura gearresteerd. Zijn proces krijgt heel wat media-aandacht. Maar in die dagen is de wereld schijnbaar heel wat milder voor terroristen (zoals ze vandaag zouden worden genoemd). Cholem Schwartzbard kan rekenen op een uiterst clemente rechter en in 1927 wordt hij vrijgesproken. In Parijs wordt hij in bepaalde joodse middens als held beschouwd. Bij de Rodinsons en in hun vriendenkring is Schwartzbard allesbehalve een held. “Het voorbeeld van Schwartzbard kon mij nauwelijks bekoren,” herinnert Maxime Rodinson zich. “In onze kringen werd hij nog voor de aanslag beschouwd als een impulsief – en wat raaskallend – heethoofd. Voor ons was zijn overbezorgdheid over de joodse identiteit (zoals we dat vandaag zouden noemen) buiten elke proportie en in onze omgeving werd Schwarzbard door de meerderheid veroordeeld.”

Rodinson is er zich van bewust dat zijn ‘marginaliteit’ best wel comfortabel is. Voor hem is het de enige manier om de wereld en de maatschappij te begrijpen. Die levenshouding brengt hem vanaf het begin in conflict met het zionisme. Het levert hem ook een gespannen relatie op met de PCF. In 1958 wordt hij voor een jaar lang uit de partij geroyeerd. Hij zal nooit zijn lidmaatschap terug opeisen. De breuk is definitief, maar hij weigert zich aan te sluiten bij het anticommunistische kamp, waarin zo vele andere ex-communistische intellectuelen zullen terechtkomen. Na de oprichting van de staat Israël – die in 1948 ook de steun krijgt van de Sovjetunie – valt het Rodinson op hoe dubbelzinnig (en zelfs onverschillig) de houding van de communisten ten opzichte van het zionisme is. In 1953 publiceerde hij het artikel “Zionisme en socialisme” . De opvattingen van Rodinson over het zionisme botsen met wat de PCF – in navolging van de grote broers in Moskou – over de joodse staat denkt. In zijn magistrale boek ‘Peuple juif ou problème juif’, dat in 1981 verscheen, publiceerde Rodinson een lange inleiding (onder de titel ‘Autocritique’) waarin hij terugblikt op deze gespannen relatie met de PCF (2).

‘Souvenir d’un marginal’ is een onvolledige biografie (Rodinson beschrijft alleen zijn jeugdjaren), maar het is een ongemeen boeiend boek. Voor de lezer is dit wellicht de geknipte kans om (opnieuw) kennis te maken met het oeuvre van deze merkwaardige denker en wetenschapper (3). Zijn werken over het zionisme, over de Arabische wereld en over de islam blijven vandaag actueler dan ooit.

(Uitpers, nr. 67, 7de jg., september 2005)

 

(1) Maxime Rodinson, ‘De joodse natie in droom en daad’, Nabije Oostenreeks, Het Wereldvenster, Houten, uitgeverij EPO, Berchem, 3,75 euro, 1988, ISBN 90-293-9832-9.

(2) In de Nederlandse vertaling ‘De joodse natie in droom en daad’ is deze inleiding vreemd genoeg niet opgenomen.

(3) In het Nederlands zijn ook volgende werken vertaald:

Maxime Rodinson, ‘Mohammed’, Nabije Oostenreeks, Het Wereldvenster, Bussum, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 6 euro, 1980, ISBN 90-293-9801-9.

Maxime Rodinson, ‘De Arabieren’, Het Wereldvenster, Weesp, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 6 euro, 1984, ISBN 90-293-9826-4.

 

Maxime Rodinson

‘Een zwijgende meerderheid of Joden en joden’

In de bijlagen van ‘Souvenir d’un marginal’ heeft Michel Rodinson, de zoon van de auteur, een aantal onuitgegeven teksten samengebracht. Het al eerder genoemde ‘De la peste communautaire’ uit 1989, waarin Rodinson waarschuwt voor de kwalijke gevolgen van de hetze tegen de hoofddoek van moslima’s. Een andere, bijzonder visionaire tekst van Rodinson is ‘D’une majorité silencieuse ou Juifs et juifs’. Dit essay is niet gedateerd. Michel Rodinson vermoedt dat zijn vader deze tekst heeft geschreven in 1969 of 1970. De actualiteit ervan zal maar weinigen ontgaan.

 

“Het is een uiterst gangbare praktijk geworden in onze wereld: spreken in naam van mensen, die niet het minste mandaat hebben gegeven om dat te doen. Beweren een geheel te vertegenwoordigen, terwijl men slechts het standpunt of de belangen van een minderheid binnen dit geheel verdedigt. Het gaat hier (heel vaak) tenminste om een concreet geheel met welomlijnde grenzen, dat ook daadwerkelijk de middelen heeft om vertegenwoordigd te worden, ook al is dat alleen maar schijn: Frankrijk, de arbeidersklasse, de wijnboeren, de petanquespelers. In het geval van de joden echter, eigenen talloze individuen en comités zich het recht toe te spreken in naam van een geheel, dat niet vast omlijnd is. Zij spreken dus ook in naam van mensen die niet tot dit geheel gerekend wensen te worden (Het klopt dat deze mensen dit meestal op passieve en stilzwijgende wijze te kennen geven). Sterker nog, deze kringen treden vaak op als de juridische, zelfs financiële vertegenwoordigers van dit geheel.

Zo zijn er joden die zeer zeker een belangrijk geheel van joden – maar zeker niet de meerderheid – vertegenwoordigen en die via eigen decreten verklaren dat de massa van de joden, in de breedst mogelijke zin van het woord, trouw verschuldigd zijn aan de joodse godsdienst, met andere woorden aan een geheel van dogma’s en praktijken, waarvan die meerderheid absoluut niet op de hoogte is. Volgens hen vormt de massa van de joden een groep van het priesterlijke type – volgens een geseculariseerde en goed bedoelde versie, die onlangs nog in een sympathieke ‘vrije tribune’ van de krant Le Monde verscheen, een groep die toegewijd is aan de cultus van de hoogste menselijke waarden – terwijl de meerderheid van de joden deze hoogste waarden niet nastreeft en tot de gewone mensen wenst te worden gerekend.

Nog anderen (en het gaat hier niet eens om antisemieten, zoals men begrijpelijker wijze zou kunnen geloven, maar om authentieke joden) zijn van oordeel dat de joden een groep van het nationaal type vormen, met een specifieke cultuur en gedrag, die vreemd zijn aan de naties, waarin zij geïntegreerd zijn. De joden moeten zich in deze visie zo snel mogelijk hergroeperen. Het is een standpunt dat energiek wordt verdedigd in de Parijse cafés, in de pubs van Londen of in de drugstores van New York. Sommigen onder hen erkennen dat deze gemeenschappelijke cultuur eigenlijk een geweldig fantoom is. Maar aangezien “onze” vijanden hebben beslist dat “wij” een natie vormen, moeten wij er maar zo snel mogelijk een vormen. Om ze zonder meer gelijk te geven, wat evenwel niet wil zeggen dat wij moeten ophouden om van andere naties deel uit te maken. Dat alles gebeurt uiteraard in naam van de honderdduizenden Lévy’s, Blumenthals en Duponts, die in al hun naïviteit geloven dat ze tot een natie behoren waarvan ze de taal delen, de cultuur, het burgerschap, de rechten, de plichten en, voor vrij ongelijkmatige en zelfs zeer lange periodes, de geschiedenis.

Internationale organisaties beschouwen joodse verenigingen als de vertegenwoordigers, die in naam van “de joden” spreken, eisen, proclamaties opstellen. De zionistische beweging, een joodse beweging die een uiterst kleine minderheid vertegenwoordigt, kondigt (via haar leidende organen, die alleen zichzelf vertegenwoordigen) een beleid af, dat heel lang door een meerderheid van joodse organisaties van allerlei slag en soort werd veroordeeld. Deze politiek – die gevoerd wordt in naam van wat de joden volgens de zionisten zouden moeten willen – heeft tal van gevolgen gehad, waarvan we er vandaag een aantal kunnen bewonderen: een dramatisch conflict met het Arabische volk, de massale emigratie van de joden uit de Arabische landen, het dagelijks leven in een staat die aan gevaren blootstaat, belegerd en geblokkeerd wordt en gedwongen is tot supermilitarisme, en voor de niet-zionistische joden in veel gevallen ontelbare moeilijkheden in hun respectievelijke landen. Alle joden, zelfs in de striktst mogelijk zin van het woord, dragen hier de gevolgen van. En deze gevolgen hangen rechtstreeks samen met het wezen van het zionistische project: de oprichting van een joodse staat op Arabisch grondgebied. Zij waren te voorzien en heel wat joodse prominenten hadden ze voorzien. Nochtans hebben de zionistische beweging en de staat Israël, die door deze beweging werd voortgebracht, alle joden verplicht hiervan – tenminste – de weerslag van te ondergaan. Niettemin spreekt deze joodse staat – en het is wel degelijk een joodse staat – in naam van alle joden. Deze staat strijkt schadeloosstellingen op voor de moord op de meest antizionistische joden, die er ooit hebben bestaan en ramt een groot aantal onwetenden en onnozelen van geest definitieve formules in het bewustzijn als: zionisme is het synoniem van jodendom; men kan geen onderscheid maken tussen zionisme en jodendom, enzovoort. En met als onmiddellijke afgeleiden: elke kritiek op het zionisme is een heiligschennis, want antisemitisme. Elke antizionist – ook al is hij jood – is een reïncarnatie van Sint Johannes Chrysostemos, groot-inquisiteur Torquemada en Hitler. Daarvan maken antisemieten dankbaar gebruik om zich effectief achter het masker van het antizionisme te verbergen.

Waarom protesteren de zovele joden, die niet religieus, niet nationalistisch of zionistisch zijn, niet vaker en met meer klem tegen dit soort misbruiken? Ik onderneem een poging om dit fenomeen te verklaren. In Israël wordt er gediscussieerd over de vraag wie jood is en wie niet. En men raakt er niet uit. Wat alleen maar aantoont dat de term jood betrekking heeft op een brede waaier van erg verschillende individuen, iets wat diegenen, die in naam van de “joden” spreken niet kunnen of willen toegeven.

Er zijn ten eerste diegenen die het jodendom belijden, de religieuze joden met andere woorden. Dat is een vrij strikte afbakening. Vervolgens zijn er de joden die door hun oorsprong, ouders of voorouders, die tot de joodse godsdienst behoorden, min of meer belangrijke sporen meedragen van een specifieke joodse cultuur (bepaalde gebruiken of voorkeuren in bepaalde van hun bezigheden). Sommigen van hen komen openlijk uit voor hun oorsprong, anderen niet. Van sommigen is deze oorsprong bekend in hun milieu en entourage, van anderen niet. Het gaat hier bij wijze van spreken om cultuurjoden en joden met een identiteit, twee categorieën die elkaar allesbehalve overlappen. En tenslotte zijn er de joden die hun naam alleen maar danken aan het feit dat men een herinnering heeft behouden aan hun afstamming van mensen, die de joodse godsdienst beleden. De antisemieten, door hen te vervolgen, en de zionisten, door van hen onderwerping te eisen, hebben van deze mensen situatiejoden gemaakt. En dan zijn er nog de “onbekende joden”, die waarschijnlijk het talrijkst zijn. Het aantal joden dat zich door de eeuwen heen heeft bekeerd tot het christendom of tot de islam is aanzienlijk. Zij hebben zoals zovele oude christenen en moslims een stamvader en weinigen in Europa of in het Midden-Oosten kunnen met zekerheid zeggen dat ze geen joodse voorouders hebben. Deze laatste categorie laten we beter buiten beschouwing. De enige definitie die voor de andere categorieën geldt is de volgende: een jood is iemand die voorouders heeft, die tot de joodse godsdienst behoorden, en die zich dat herinnert of hieraan herinnerd wordt.

De joden, die onder deze zeer brede betekenis van het woord vallen, hebben over alle problemen uiteenlopende meningen, ook over de staat Israël. De meeste cultuurjoden hebben vandaag sympathie voor de joodse staat, maar er bestaan ook antizionistische religieuze joden. De joden met een identiteit of afstamming houden er zeer uiteenlopende opinies op na. Dat is hun goed recht. Ook al nemen ze standpunten in die voor hen zelf nefast zijn. Ik zie echter niet in waarom een jood verplicht is zionist of pro-Israëlisch te zijn. Beide zijn niet helemaal hetzelfde natuurlijk, maar vergeten we niet dat iemand met een pro-Israëlisch standpunt de resultaten van de zionistische beweging maximaal zal toejuichen of tenminste de creatie van het zionisme in bescherming zal nemen. Men mag hem dat niet eens kwalijk nemen. Als Sanguinetti of generaal Koenig (1) de staat Israël verdedigen, waarom zou gelijk welke Jean-Luc Lévy dat niet mogen?

Maar, er is een maar. De strijd tussen ideologieën onder de joden is normaal, net zoals de uiteenlopende sympathieën onder niet-joden. Wat echter niet normaal is, is dat de enen in naam van de anderen spreken. In alle mogelijke studies over de joden, opiniepeilingen, onderzoeken, radio- en televisie-uitzendingen spreken de pro-Israëlische religieuze joden, cultuurjoden, identiteitsjoden en zionisten in naam van de andere joden, worden ze voorgesteld als de vertegenwoordigers van deze anderen. Een voorbeeld uit de duizenden. In een overigens goed geschreven en erg nuttig boek “Les juifs de France et l’Etat d’Israël” stelt de auteur Sylvie Korcaz: “Het gaat hier enkel om de joden die zich om gelijk welke reden aangesproken voelen door het judaïsme in het algemeen en de staat Israël in het bijzonder. Het gaat hier niet om de talloze anderen, die al deze kwesties uitermate slaapverwekkend vinden”. Laat ze gapen, zou men kunnen zeggen. Maar dat zal hen duur te staan komen. Zeer duur!

Nog een voorbeeld. In een televisie-uitzending over “de joden”, dacht programmamaker Pierre Desgraupes er goed aan te doen, om naast de enkele uren die aan het zionisme waren gewijd, minder dan een kwartier zendtijd toe te staan aan twee niet-zionistische joden, een Poolse communiste, die het land was uitgezet en uw dienaar.

Als de joden, die misschien niet allemaal staan te gapen, en die zich niet erkennen in deze etherische, mystieke wezens of extremistische chauvinisten, die verliefd zijn op de eigen vluchtige specificiteit, en die aan de grote massa worden voorgesteld als het imago van alle joden, als deze joden niet protesteren en zwijgen, is het dan niet hun fout dat er een verkeerd beeld van hen wordt gegeven? Zeker en zelfs in zeer ruime mate. Maar hun stilzwijgen uitleggen, betekent tegelijk ook er begrip voor opbrengen.

Tienduizenden Franse joden zijn slechts door afstamming joods. Zij behoren niet tot een joodse religieuze gemeenschap, belijden nauwelijks of niet de godsdienst van hun voorouders, velen zijn niet eens lichamelijk (voor de mannen dan) getekend door de joodse religie. Zij vertonen geen enkel spoor van de joodse cultuur of interesseren zich er min of meer voor zoals iemand anders, of zij zelf, belangstelling vertonen voor de Chinese cultuur. Zij zijn er zich helemaal niet bewust van dat zij individuen zijn, die van God of van de geschiedenis een bijzondere opdracht hebben gekregen. Soms stellen zij in hun eigen gedrag enkele tekenen vast van hun joodse oorsprong, maar ze beschouwen dit fenomeen slechts als een vaag overblijfsel. Zij aarzelen niet om in het huwelijk te treden met een partner van christelijke of andere origine, ze verwekken “halfbloeden”, die later worden… wat ze willen. Maar ze weten in ieder geval dat ze – indien ze er niet voor gezorgd hebben alle sporen van hun afkomst te hebben uitgewist – het slachtoffer kunnen worden van een nieuwe opstoot van antisemitisme en dat ze opgeëist worden door de staat Israël. Zij zijn van oordeel dat hun situatie hen er niet toe verplicht zich aan te sluiten bij het oordeel van hun vijanden of hun gehoor te verlenen aan de sirenenzang uit Tel Aviv. Waren de inwoners van de Elzas tijdens de tweede wereldoorlog verplicht zich als Duitsers te manifesteren, omdat Duitsland hen opeiste, omdat sommige Fransen hen wantrouwden of omdat sommigen onder hen gehecht waren aan hun germanisme?

Deze situatie plaatst de joden in een onmogelijke positie. Zij zijn van oordeel – en volgens mij volledig terecht – dat zij slechts in een sterk afgezwakte betekenis van het woord joods zijn. Als ze als jood het woord nemen, zelfs om zich te keren tegen de stellingnamen van het judaïsme of het jodendom, die de hele scène domineren, verbinden ze zich met het joodse geheel, waarvan ze de zin niet begrijpen, net zomin als de publieke opinie, die de grootste moeite zal hebben om het onderscheid dat hierboven is gemaakt werkelijk te vatten.”

 

(1) Wellicht bedoelde Maxime Rodinson de in Frankrijk erg controversiële admiraal Antoine Sanguinetti, die vorig jaar overleed. Sanguinetti was aanvankelijk een gaullist – zijn broer Alexandre was één van de baronnen van het gaullisme, terwijl hij tot de linkervleugel van de beweging werd gerekend. De Sanguinetti’s kwamen uit het verzet. Vanaf 1967 werd Antoine Sanguinetti bevelhebber van het vliegdekschip Clémenceau. Later werd hij admiraal en in de jaren zeventig stond hij een tijdlang aan het hoofd van de Franse marine. Onder president Giscard d’Estaing werd Sanguinetti met vervroegd pensioen gestuurd, na zijn onophoudelijke kritiek op het Franse defensiebeleid, dat naar zijn oordeel veel te atlantistisch was. In 1977 kandideerde hij voor de PS van François Mitterrand voor het burgemeesterschap van de stad Toulon. In 1982 werd hij uit de PS gezet nadat hij zich bij de regionale verkiezingen op Corsica (Sanguinetti was een geboren Corsicaan) kandidaat had gesteld op een dissidente lijst.

Generaal Pierre Koenig was een held uit de eerste en tweede wereldoorlog. Tijdens de eerste wereldoorlog had hij op achttienjarige leeftijd als vrijwilliger dienst genomen. In 1942 nam hij deel aan de slag tegen Hitlers troepen in El Alamein. Tot bij zijn dood in 1970 was generaal Koenig voorzitter van de zionistische lobbygroep Comité franco-israélien.