Heeft de Marokkaanse monarchie nog een toekomst?

Jean-Pierre Tuquoi. Le dernier roi. Grasset, Parijs, 2001, 317 blz., 16,3 euro

Bij het lezen van ‘Le dernier roi. Crépuscule d’une dynastie’ (De Laatste Koning. Ondergang van een Dynastie) van Jean-Piere Tuquoi, herinnerde ik me plots weer het meesterwerk van Ryszard Kapuscinski over de Ethiopische keizer, Haile Selassie.

Jean-Pierre Tuquoi, de Maghrebspecialist van het gezaghebbende Franse dagblad ‘Le Monde’, heeft voor dit boek – waarin hij de levensstijl aan het Marokkaanse koninklijke hof grondig onder de loep neemt – met talrijke bevoorrechte Marokkaanse getuigen gepraat: mensen uit de hofhouding van Hassan II en zijn opvolger en zoon Mohammed VI, hoogwaardigheidsbekleders, voormalige ministers, topambtenaren uit het koninklijke staatsapparaat. Allen verkozen ze een strikte anonimiteit te bewaren. De Marokkaanse dynastie heeft nooit van nestbevuilers gehouden en over de persoon van Zijne Majesteit wordt niet in het openbaar geroddeld.

‘Le dernier roi’ van Jean-Pierre Tuquoi roept inderdaad herinneringen op aan ‘Cesarz’ (De Keizer) (1) van Ryszard Kapuscinski. Deze Poolse reporter was eigenlijk op het verkeerde continent geboren. Meer dan veertig jaar lang doorkruiste hij Afrika en daarbij vermeed hij het liefst van al de officiële routes. Hij reed mee in de laadbak van vrachtwagens, trok met nomaden door de woestijn en logeerde bij boeren in de tropische savanne. Hij raakte in Afrika verzeild in tientallen revoluties, omwentelingen, staatsgrepen, oorlogen en burgeroorlogen. Kapuscinski observeerde Afrikaanse machthebbers als N’Krumah, Kenyatta, Amin, Mobutu of de Ethiopische keizer Haile Selassie.

Over deze laatste, een hallucinant feodale heerser, die een halve eeuw lang aan het hoofd stond van een schatrijk, maar archaïsch keizerrijk, in een land waarvan de inwoners geregeld op een dieet van gras en wortels moesten overleven, schreef Kapuscinski in 1978 zijn meesterwerk ‘De Keizer’. De Poolse journalist sprak in het grootste geheim met tientallen mensen uit de hofhouding van de keizer, die in 1974 door een groep militairen aan de dijk werd gezet en omgebracht. Koks, tuinlieden, zaalbedienden, paleiswachters, maar ook voormalige ministers leefden sinds de coup tegen Selassie ondergedoken. Kapuscinski schreef hun verhalen geduldig op. Het resultaat was een haarscherp beeld van een feodale monarch, die van zijn absolute macht een nachtmerrie had gemaakt voor miljoenen Ethiopiërs.

Haile Selassie regeerde zonder wetten, zonder regering, zonder schatkist (want de staatsfinanciën waren zijn persoonlijke eigendom). Hij benoemde en ontsloeg ministers, die nooit naar een kabinetsraad moesten. Elk van de ministers werd dagelijks door Selassie op het paleis ontboden voor een wandeling door het park van het paleis. Elke minister liep op een paar passen achter zijne Hoogheid en bracht dan verslag uit. En het moest altijd goed nieuws zijn. Bij het afscheid moesten de excellenties achterwaarts op hun stappen terugkeren, want het was ongepast dat een onderdaan de keizer de rug toedraaide.

‘Onze vrienden’ in de Maghreb

Jean-Pierre Tuquoi schildert in ‘Le dernier roi’ een onthutsend beeld van de Marokkaanse monarchie: net zoals Haile Selassie in Ethiopië, beschouwt het Marokkaanse koninklijke huis Marokko als zijn landgoed. Het paleis houdt er een middeleeuws-feodale levensstijl op na en verspilt jaarlijks miljoenen euro’s voor de persoonlijke pretjes van de monarch, prinsen en prinsessen, terwijl de meerderheid van de Marokkanen in bittere armoede vegeteert en de doorsnee Marokkaanse jongeren slechts één droom koesteren: hun land verlaten, emigreren naar Europa – ook al moet het in een gammele boot via de levensgevaarlijke Straat van Gibraltar.

Tuquoi, die voor ‘Le Monde’ al ettelijke jaren de actualiteit in Mahgreb-landen volgt, blijft zich steeds weer verbazen over de grenzeloze welwillendheid van Franse presidenten, premiers, ministers en media ten opzichte van Maghrebijnse potentaten en feodale koningen. In 1999 publiceerde Tuquoi samen met zijn confrater Nicolas Beau van ‘Le Canard enchaîné’ een onthullend portret van de Tunesische ‘sterke man’, Zine Ben Ali. In ‘Notre Ami Ben Ali’ portretteerden Tuquoi en Beau de Tunesische president zoals hij in werkelijkheid is: als kleine ‘flic’, maakte Ben Ali onder de ‘verlichte dictatuur’ van zijn voorganger Bourguiba pijlsnel carrière, knoopte nuttige banden aan met de Franse politiediensten en zette in 1987 een seniel geworden Bourguiba geruisloos aan de dijk. Sindsdien regeert Ben Ali de Tunesiërs met ijzeren hand. Hij staat aan het hoofd van een politiek-economische maffia van zeven families. Samen met deze vrienden verrijkt hij zich in snel tempo. Ben Ali en consoorten bewierroken zichzelf onophoudelijk als de architecten van het ‘Tunesische economische mirakel’. De Franse pers en politiek vergapen zich aan deze Tunesische bondgenoot, die in 1989, 1994 en 1999 telkens met een monsterscore van 99,44% van de stemmen de presidentsverkiezingen op zijn naam scheef. Al wie oppositie voert tegen de Tunesische chef komt vrijwel zeker in aanraking met zijn politie, folterknechten en gevangenisbewakers. Aan het presidentiële hof van Ben Ali werd tandenknarsend kennis genomen van het boek van Tuquoi en Beau. De Franse president Chirac, een aantal van zijn excellenties, politieke medestanders en bevriende journalisten streken snel de plooien glad.

Middeleeuwse monarchie Marokko

Voor ‘Le dernier roi’ hanteert Tuquoi opnieuw het scalpel om – net zoals bij ‘Notre ami Ben Ali’ – de allerlaatste zenuw van het Marokkaanse koninklijke regime bloot te leggen. Tuquoi had de bedoeling een gedetailleerd portret te maken van de jonge Marokkaanse koning, Mohammed VI, die in 1999, na het plotse overlijden van zijn vader Hassan II, op de troon terechtkwam. "Wie de zoon wil begrijpen," schrijft Tuquoi, "moet een grote omweg maken via zijn vader."

Nog maar eens een boek over Hassan II van Marokko? Toch komt Jean-Pierre Tuquoi – ook voor de meeste doorgewinterde ‘Morocco Watchers’ bijzonder verrasend uit de hoek. Om de mysterieuze figuur van de 38-jarige Mohammed VI te doorgronden beschrijft hij met een luxe aan pittige details de omgeving waarin de jonge Marokkaanse vorst is opgegroeid. Tuquoi neemt ons mee naar de talloze paleizen van Hassan II – een twintigtal in Marokko zelf, van Tanger tot Agadir, via Rabat tot Marrakesj, Ifrane en Casablanca. Sommige zijn heuse domeinen met hectaren park en landbouwareaal. De monarch heeft ook enkele optrekjes in het buitenland, waarvan twee opzichtige in Frankrijk: in Armainvilliers, in de buurt van Parijs heeft hij zijn ‘petit Versailles’, een kast van een paleis met meer dan tweehonderd kamers. In Betz heeft Hassan II ook een ‘pied-à-terre, die niet veel kleiner is dan die in Armainvilliers. Tuquoi laat ons over de muren kijken van het paleis in Rabat. Het is een stad in de stad met eigen straten, een hospitaal (waar de vorst zich permanent laat verzorgen door buitenlandse specialisten en waar zijn kinderen geboren werden), een begraafplaats, een slachthuis, een college (waar de kinderen hun opleiding krijgen), een stoeterij (Hassan II is trots op zijn Arabische volbloeden), twee zwembaden, een rits tennisvelden, een golfterrein met 18 holes, een uitgestrekt bos, villa’s voor de prinsen en prinsessen en een gevangenis. De geheime vertrekken van Hassans paleis worden bevolkt door tientallen van zijn concubines en paleisdienaressen, die eigenlijk een slavenbestaan leiden. Zij beschikken over een eigen bakkerij, eigen winkels binnen de paleismuren die ze nooit verlaten. In het paleis in Rabat verblijven nog steeds een twintigtal concubines van Hassans vader, Mohammed V. Toen deze vorst, een flukse vijftiger, in 1961 een banale chirurgische ingreep niet overleefde, liet hij tientallen rouwende concubines achter. Zijn zoon ontfermde zich over de dames. Veertig jaar later zijn ze nog met een twintigtal. De vrouwen zijn inmiddels zeventig, tachtig jaar oud, maar worden nog steeds door het koningshuis onderhouden.

Tuquoi beschrijft het dagelijkse leven aan het koninklijke hof in al zijn pijnlijke details. De feodaal Hassan II leeft met zijn harem in een paleis, waarvan de vertrekken onderling verbonden zijn door geheime gangen. In elk van de kamers stapelt Hassan zijn verzamelingen op: in het ene vertrek een collectie gouden uurwerken, versierd met de kostbaarste diamanten, in een andere kamer staat zijn verzameling zilveren vuuraanstekers uitgestald of een verzameling ivoren bidsnoeren. De Marokkaanse monarch is ook een verwoed verzamelaar van peperdure auto’s. Hij kan zich eigenaar noemen van een duizendtal luxemodellen: Rolls Royce, Cadillac, Chrysler Imperial, Lincoln, Mercedes, Jaguar en een hele vloot 4×4-voertuigen, uitgerust met de laatste technologische snufjes. Aan één merk heeft de koning de pest: BMW.

Het zwembad van de koning

Hassan II heeft in zijn koninklijke vertrekken een eigen bioscoopzaal. Daar bekijkt hij in aanwezigheid van zijn concubines actie- en horrorfilms of Franse producties met Louis de Funès, Cathérine Deneuve en Alain Delon, zijn lievenlingsacteurs.

Op een van de verdiepingen bevindt zich een zeer luxueus zwembad. Hassan II heeft het sinds 1983 niet meer gebruikt. Want, schrijft Tuquoi, "Hassan II heeft in zijn leven één belangrijke beoordelingsfout gemaakt, die hem herhaaldelijk bijna het leven kostte: hij overschatte de loyauteit van het leger." Na de dood van generaal Ahmed Dlimi, zat de schrik er bij de vorst goed in: hij wenste in geen geval dat hij bij een volgende militaire coup door de putschisten zou worden verrast in zwembroek, zonder een wapen binnen handbereik. Ahmed Dlimi was de opvolger van generaal Mohamed Oufkir, die in 1972 uit de weg werd geruimd na zijn mislukte staatsgreep tegen Hassan II. In 1983 kwam generaal Dlimi op zijn beurt om het leven – volgens de officiële versie tijdens een tragisch verkeersongeval. Tuquoi toont in zijn boek aan dat generaal Dlimi werd vermoord, nadat hij in het bijzijn van Hassan II was ondervraagd over een nieuw militair complot.

Het is in deze archaïsche, middeleeuws-feodale paleiswereld dat kroonprins Sidi Mohammed opgroeit. De jonge prins kent samen met zijn broer en zussen een luxueus leventje in de schaduw van een onmogelijke potentaat, zijn vader Hassan II. Voor het minste vergrijp moeten prinsen en prinsessen van hun vader de falaka ondergaan: tien tot dertig zweepslagen op de billen of de voetzolen. De kinderen van Hassan II – vooral de toekomstige koning Mohammed VI – hebben het grootste misprijzen voor de barbaarse praktijken van hun vader, voor zijn onverzadigbare appetijt als het op vrouwen aankomt – tal van zijn concubines, die in ongenade vallen, verdwijnen in een van de geheime gevangenissen van de vorst – en voor zijn vulgaire voorkeur voor kitsch en slechte smaak. De jonge prins en troonopvolger wordt door zijn vader van alle belangrijke staatsaangelegenheden uitgesloten. Af en toe mag hij eens opdraven voor een of ander protocolair akkefietje. Voor het overige blijft Sidi Mohammed zo ver mogelijk uit de buurt van zijn autoritaire vader en leeft zijn eigen luxeleventje: zijn lievelingsbezigheid is de jetski, waarmee hij over de golven voor de Marokkaanse kusten scheurt – wat hem vandaag de bijnaam "Sa Majetski" oplevert bij Marokkaanse kwatongen. Hij houdt van wintersport in de Zwitserse Alpen en van een flinke duik in het Parijse of Romeinse nachtleven.

Lente in Rabat

En dan is er het plotse overlijden van Hassan II. Op 25 juli 1999 wordt Mohammed VI gekroond. Niet alleen de Marokkaanse paleiskranten vergalopperen zich, ook in de Franse pers spat de vleierij in het rond. De nieuwe monarch, die met evenveel middeleeuws bombast op de troon wordt gehesen als zijn vader Hassan II destijds wordt bewierookt als "de koning van de democratie", de "koning der armen" en zelfs "le roi-citoyen". Vooral in Frankrijk overdrijven de media met koppen als "Perestrojka in Rabat" en de "Marokkaanse lente"… Kortom, met Mohammed VI wordt alles anders. En dat is nu net wat Jean-Pierre Tuquoi, iets meer dan twee jaar na de troonsopvolging in Marokko, in twijfel trekt. In Marokko is er in wezen bitter weinig veranderd. Sinds 1998 worden de Marokkanen "geregeerd" door een regering met een socialistische premier. Abderrahmane Youssoufi, het oude boegbeeld van de Marokkaanse socialisten, staat aan het hoofd van een zeer dicht bevolkt kabinet, dat al jaren uitblinkt in absoluut immobilisme. Ten tijde van Hassan II liet de regering-Youssoufi alle beslissingen over aan het paleis. Onder de nieuwe koning, Mohammed VI, is het niet anders. Het paleis beslist en de regering doet niets. In een eerste fase leek het er even op dat Mohammed VI daadwerkelijk wilde afrekenen met de erfenis van zijn vader: de sterke man van Marokko, minister van Binnenlandse Zaken, Driss Basri, werd door de nieuwe vorst bedankt voor bewezen diensten. De belangrijkste Marokkaanse dissident, Abraham Serfaty, mocht eindelijk uit ballingschap terugkeren. Deze marxistische opposant en anti-monarchist bekeerde zich tot een enthousiaste aanhanger van de nieuwe monarch, van wie hij hoopte dat hij een soort "Marokkanse Juan Carlos" zou worden. Serfaty kreeg inmiddels een belangrijke post als expert van de Marokkaanse oliesector. De familie van de door Hassan II en generaal Oufkir uit de weg geruimde oppositieleider Ben Barka werd uitgenodigd om naar Marokko terug te keren. De nieuwe koning had blijken van medeleven voor de slachtoffers van zijn vader, die jarenlang in de beruchte bajes van Tazmamart hadden gezeten. Het huisarrest van de leider van de Marokkaanse moslimfundamentalisten, sjeikh Yassine, werd opgeheven. En Mohammed VI verleende zijn naam zelfs aan een jaarlijkse prijs voor de mensenrechten. In Marokko heerste euforie. Weldra zou "de koning der armen" aan de echte en levensnoodzakelijke hervormingen beginnen.

Twee jaar later blijft er van de "Marokkaanse lente" weinig of niets over. Inmiddels werden opnieuw kranten verboden. Journalisten werden geïntimideerd en zelfs gearresteerd. Mensenrechtenactivisten werden in december 2000 brutaal aangepakt door de koninklijke politie. 36 onder hen verschenen naar oude traditie voor de rechtbank en verdwenen voor maanden achter de tralies. In de Westelijke Sahara versterkten het Marokkaanse koloniale bestuur en de ordestrijdkrachten de repressie. Honderden autochtone Saharanen werden gearresteerd en gefolterd.

Van enige economische of maatschappelijke hervorming is geen spoor te bekennen, terwijl van de dertig miljoen Marokkanen "één op twee analfabeet blijft" en "één op vijf onder de door de internationale organisaties erkende armoedegrens vegeteert (met een inkomen van 1 dollar per dag per persoon)", stelt Tuquoi vast.

Eind 2000 werd de Marokkaanse telefoon- en telecommunicatiemaatschappij Maroc Télécom geprivatiseerd. Maroc Télécom werd voor een bedrag van meer dan 2 miljard dollar overgekocht door de Franse multinational Vivendi. "Zonder dit manna zou de regering de grootste moeite hebben gehad om de jaarlijkse begroting rond te krijgen," schrijft Tuquoi. En hebben de Franse industriëlen na deze privatisering nieuwe beloften gekregen? Tuquoi laat het antwoord in het midden, maar wijst er toch even op dat tal van Marokkaanse bedrijven aan een razendsnel tempo in Franse handen overgaan: Axa palmde de Marokkaanse ‘Compagnie africaine d’assurances’ in. Danone kocht de grootste Marokkaanse koekjesfabriek op, Auchan nam een grote warenhuisketen over en de fine fleur van het Marokkaanse hotelwezen – hotel Mamounia in Marrakesj en het Palais Jamaï in Fez – zijn inmiddels eigendom van de Franse groep Accor.

Barsten in het imago

Ook het imago van "de koning der armen" leek geen lang leven beschoren. Net zoals zijn vader spreekt koning Mohammed VI in zijn toespraken over zichzelf in de derde persoon : "Onze Majesteit". En net zoals zijn vader is Mohammed VI verkikkerd op luxe. Tuquoi vermeldt het pittige detail van de festiviteiten naar aanleiding van het ‘aïd-el-kebir’, het grote islamitische offerfeest, in het paleis van Casablanca, in maart 2001. De koning liet toen een bestelling aanrukken van "200 Bretoense kreeften van minimum 500 gram het stuk, en van evenveel ‘pigeons à la crapaudine". De bestelling werd geplaatst bij de leverancier van het Franse presidentiële paleis en die had tot dan nog nooit zo’n fenomenale klant gehad. Kostprijs van het festijn: 500.000 Franse frank (75.000 euro) – en wellicht het dubbele als men de levering per vliegtuig meerekent, aldus Jean-Pierre Tuquoi.

"De koning der armen"? Sjeikh Yassine, de leider van de Marokkaanse fundamentalisten, herinnerde de nieuwe vorst eraan dat hij deze titel ook in de praktijk zou kunnen verdienen. Yassine eiste dat Mohammed VI het fortuin van zijn vader – dat hij geërfd had – uit het buitenland zou repatriëren, een aantal koninklijke paleizen, villa’s en domeinen aan de Marokkaanse schatkist zou overmaken, een deel van de koninklijke aandelen in de bank- en industriesector zou kunnen van de hand doen. De meerderheid van straatarme Marokkanen klinkt zoiets als muziek in de oren. Maar het paleis geeft geen krimp. Mohammed VI en zijn hofhouding kosten de Marokkanen handenvol geldt. Tuquoi rekent even voor: de civiele lijst of het jaarsalaris van Mohammed VI bedraagt 3,034 miljoen euro; de soevereiniteitsdotatie (de onkosten voor recepties, koninklijke feesten en reisonkosten van de vorst en zijn medewerkers) bedraagt 394 miljoen dirham per jaar (35,46 miljoen euro); en de onderhoudskosten voor de koninklijke paleizen en domeinen en de salarissen van de koninklijke adviseurs bedragen 1.691 miljoen dirham (152 miljoen euro) per jaar. De uitgaven, die het koninklijk paleis jaarlijks maakt, zijn even hoog als de begrotingen van de ministeries van huisvesting, milieu en urbanisme, tewerkstelling, jeugd en sport en cultuur samen.

De laatste koning?

Binnen de koninklijke familie rommelt het al geruime tijd. Prins Moulay Hicham – neef van Mohammed VI en derde in lijn voor de troonsopvolging – gaf in het recente verleden al herhaaldelijk blijk van zijn ongeduld. In een vrije tribune in de Franse krant Le Monde bekritiseerde hij vorig jaar zijn neef Mohammed VI en het immobilisme van het paleis en de Marokkaanse politieke klasse. Voor Moulay Hicham blijven de noodzakelijke hervormingen van de Marokkaanse politiek en de monarchie dode letter. Op 29 januari van dit jaar – na hardnekkige geruchten dat de prins – samen met een aantal generaals – betrokken zou zijn in een complot rond de Westelijke Sahara – koos Moulay Hicham het zekere voor het onzekere en vertrok in vrijwillige ballingschap naar de Verenigde Staten. Ten tijde van Hassan II boterde het ook al niet te best tussen prins Moulay Hicham en het paleis. De prins hekelt al zeer lang het immobilisme en de pertinente weigering van de troon om de Marokkaanse dynastie te moderniseren en te ontdoen van haar middeleeuws denken en doen. "Ik verlaat Marokko om een einde te maken aan een ongezonde sfeer, want wat een open ideeënstrijd had moeten zijn is inmiddels een partij armworstelen geworden, met als inzet de nationale veiligheid." En dat is wellicht het grootste probleem: de nieuwe Marokkaanse vorst heeft bijzonder weinig ideeën. Eigenlijk doet hij niet meer dan de erfenis van zijn vader beheren. Tuquoi vreest dan ook het ergste voor de Marokkaanse monarchie. Sinds Mohammed VI op de troon zit, zijn de Marokkaanse generaals steeds uitdrukkelijker aanwezig op de politieke scène. En vader Hassan II had al ervaren dat er met de legertop niet te spotten valt. Tuquoi besluit weinig vleiend over "sa Majetski": "Hij gesticuleert veel, maar laat weinig daden zien". Als het Marokkaanse paleis en zijn regering niet snel tot hervormingen overgaan, zouden anderen – mensen in militair uniform – het wel eens kunnen overnemen.

En ook het "groene gevaar" is volgens Jean-Pierre Tuquoi niet ondenkbeeldig. Hassan II verstond de kunst om de fundamentlisten in Marokko aan de leiband te houden. Inmiddels maken de fundamentalisten zeer efficiënt gebruik van het immobilisme van de politieke partijen om het brede maatschappelijke terrein te bezetten dat door de politiek wordt verwaarloosd. Het discours van mensen als sjeikh Yassine valt bij de miljoenen verpauperde Marokkanen niet in dovemansoren. Voor deze verarmde bevolking kan het alleen maar beter worden – met of zonder een monarch op de troon. Na de eerste euforie over de "koning der armen" stellen steeds meer Marokkanen vast dat "met Mohammed VI er eindelijk een donkere tunnel op het einde van het licht opduikt." Bekende Marokkaanse analisten, zoals de politoloog Mohamed Tozy ramen de electorale achterban van het fundamentalisme al op 30%.

Jean-Pierre Tuquoi stelt dan ook de pertinente vraag of Mohammed VI de laatste koning van Marokko is.

Wim de Neuter

(Uitpers, maart 2002)

(1) Ryszard Kapuscinski, De Keizer. Macht en ondergang van Ras Tafari Haile Selassie, In de Knipscheer, Haarlem, 1984. (Heruitgegeven als Globe Pocket, In de Knipscheer, Haarlem, 1998)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel