Hans-Christian Ströbele (1939-2022), icoon en kwelgeest

In Berlijn overleed op 29 augustus Hans-Christian Ströbele. Zijn naam zegt de doorsnee Belgische/Vlaamse lezer vermoedelijk niets. Alleen wie zich in de voorbije vijfenvijftig jaar enigszins interesseerde voor het politieke reilen en zeilen in Duitsland zal zeker een belletje horen rinkelen. En in het uitgebreide groen-en-rode biotoop in Duitsland klonk zijn naam als een klok. Met reden.

Ströbele stond mee aan de wieg van de Duitse Groenen én van het klein-maar-dappere linkse dagblad Die Tageszeitung, de taz. Die beide engagementen bleef hij trouw, ook al kreeg hij het – als geprezen of verfoeid ‘geweten’ van de partij – vaak aan de stok met realo’s van het type Joschka Fischer, en vond hij de ‘taz’ soms te weinig radikaal.

Radikaal, dat was Ströbele zeker; en ook consequent. En vooral: persoonlijk en politiek volstrekt integer. Dat laatste komt als eerbetoon zo vaak en uitdrukkelijk tot uiting in de brede waaier van reacties dat je je gaat afvragen of integriteit werkelijk zo’n schaars goed is geworden in de Duitse politiek.

Rebels

In elk geval heeft Ströbele die Duitse politiek een halve eeuw lang op een heel eigen manier mee beïnvloed, vanaf zijn radikale keuze voor de Aussenparlamentarische Opposition in juni 1967 tot zijn afscheid uit de Duitse bondsdag in 2017, toen hij al fysiek getekend was door kanker.

Vanzelfsprekend was die keuze nochtans niet. Ströbele was het derde van vier kinderen in een doorsnee middle class gezin in Halle, dat na het einde van de Tweede Wereldoorlog tijdig naar het westen van Duitsland trok. De jonge Hans-Christian interesseerde zich daar meer voor Elvis Presley dan voor schoolresultaten, en al helemaal niet voor politieke of sociale problemen. Daar kwam voor het eerst verandering in tijdens zijn militaire dienst in de prille Bundeswehr, die toen nog werd geleid door officieren die nog onder Hitler hadden gediend. Hij weigerde elke ‘promotie’ tot méér dan gewoon soldaat, en wierp zich daarentegen spoedig op tot ietwat rebelse woordvoerder van die gewone soldaten.

Tijdens zijn rechten-studie (eerst in Heidelberg, nadien in West-Berlijn) bleef hij vooral een alert maar eerder afstandelijk waarnemer van de snelle politieke evolutie die vanaf halfweg de jaren ‘zestig op gang kwam in Duitsland. Tot op 2 juni 1967. Toen werd in Berlijn bij een betoging tegen de Shah van Perzië student Benno Ohnesorg door een politieman doodgeschoten. Die gebeurtenis werd voor vele ‘alternatieve’ jonge Duitsers (v/m/x) van beslissende betekenis.

Sommigen meenden dat tegenover het wapengeweld van het establishment een radikaal-linkse voorhoede dan ook maar – letterlijk – de wapens moest opnemen. Zo werd de grondslag gelegd voor wat enkele jaren later de RAF zou worden: de ‘Rote Armee Fraktion’, wier ‘gewapende strijd’ door de overheden – daarin gesteund door een overgrote meerderheid van de bevolking – als terrorisme werd gebrandmerkt en bestreden.

Anderen hielden kennelijk meer rekening met de bestaande werkelijkheid, en besloten hun radikaal engagement zo ver mogelijk door te drijven binnen de rechtsstaat – die ze daarmee ook systematisch uitdaagden. Horst Mahler, Klaus Eschen en Christian Ströbele richtten in 1969 ter verdediging van linkse militanten het ‘socialistisch advocatencollectief’ op; Rudi Dutschke propageerde vanaf datzelfde jaar de ‘lange mars door de instellingen’.

De wegen van die lange mars liepen echter snel uiteen. Mahler werd in plaats van hun advocaat zélf lid van de RAF, en vloog de gevangenis in. Later zou hij (naar eigen zeggen onder invloed van de lectuur van Hegel) van extreem-links naar extreem-rechts evolueren. Ströbele daarentegen werd lid van de sociaaldemocratische SPD. In 1975 werd hij echter uit de partij gestoten omdat hij de RAF-kopstukken die hij verdedigde als ‘kameraden’ had aangesproken (hoewel hij door Gudrun Ennslin regelmatig als ‘burgerlijke klootzak’ werd uitgescholden). Daar bleef het niet bij. Hij werd zelfs aangehouden op verdenking van ‘steun aan een terroristische bende’ maar na enkele weken voorhechtenis ‘slechts’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Grondlegger

Dat alles kon Ströbele niet afschrikken. In 1978 werd hij in Berlijn een van de drijvende krachten achter de ‘Alternative Liste’, een voorloper van de Groenen. Eveneens in 1978 zette hij zich onvermoeibaar in voor de oprichting van een radikaal-links dagblad: de ‘Tageszeitung’. Beide initiatieven konden op zijn blijvende steun rekenen, maar hij zag ze wel los van elkaar. Dat de taz rood-groene sympathieën had was evident (anders was ze immers niet nodig) maar de krant mocht zeker geen partijblad worden. Aan de redactionele onafhankelijkheid mocht niet worden getornd, vond Ströbele, ook niet door de Grünen–politicus die hij nadien werd.

Over het ‘legertje van opportunisten’ waarmee hij in de daaropvolgende decennia regelmatig kreeg af te rekenen was hij vaak scherp. Maar dat betekende hoegenaamd niet dat hij een onrealistische dromer was. Dat bleek bijvoorbeeld in 1989 toen hij wél pleitte voor een rood-groene coalitie in Berlijn, doch zonder daarin zelf een mandaat te ambiëren. Of wanneer hij in 1991- toen de ‘taz’ een zoveelste financiële crisis doormaakte die haar deze keer fataal dreigde te worden – al zijn gezag in de schaal wierp om de ‘uitverkoop’ aan een groot mediaconcern te verhinderen en er bovendien voor zorgde dat een coöperatie van sympathisanten op korte termijn het reddende geld bijeenbracht.

Hoe dan ook belichaamde Ströbele (in zijn partij of tegenover de krant) steeds de linkervleugel; als een ‘rots in de branding’ voor de enen, als een ‘koppige steenezel’ voor anderen. Hij was ‘niet te kopen en niet te breken’ en ging steeds zijn eigen weg. Voor hem was ‘de zaak’ altijd belangrijker dan ‘de partij’. Telkens weer beklemtoonde hij dat realisme iets heel anders is dan opportunisme, en werd bij de Groenen zowat de incarnatie van die stelling. Die hem dan onvermijdelijk in conflict bracht met groene realo’s die volgens hem tot veel te veel toegevingen bereid waren in ruil voor regeringsdeelname.

Zo verzette Ströbele zich in maart 1999 heftig tegen het inzetten van Duitse militairen (‘voor het eerst sinds 1945’ !) in ex-Joegoslavië. Hij kwam daardoor frontaal in aanvaring met zijn partijgenoot – en toenmalig minister van Buitenlandse Zaken – Joschka Fischer, die als ‘realo’ voor die inzet pleitte op een uiterst woelig bijzonder partijcongres. De ‘regerende vleugel’ van de Groenen kreeg toen niettemin zijn zin en presenteerde Ströbele later de rekening. In de aanloop naar de verkiezingen van 2002 werd hem op de groene lijst voor de deelstaat Berlijn geen verkiesbare plaats gegund.

Adembenemend

Maar Ströbele liet zich niet zomaar kisten. Hij maakte gebruik van het ietwat gecompliceerde Duitse kiesstelsel om zich aan een adembenemende gok te wagen. Dat kiesstelsel geeft elke kiezer namelijk twee stemmen: met de eerste stemt hij (v/m/x) voor een kandidaat die zijn kiesdistrict zal vertegenwoordigen, met de tweede voor de deelstaatlijst van de partij die zijn voorkeur geniet. Dat systeem speelde uiteraard in het voordeel van de beide grote partijen, CDU en SPD, omdat de facto alleen hun kandidaten in elk district afzonderlijk meer stemmen konden halen dan andere. Met als uitzondering hooguit een heel populaire liberale kandidaat hier of daar. Maar een rechtstreeks verkozen Grüner? Ondenkbaar.

Ströbele maakte het ondenkbare waar, en ging de geschiedenis in als de eerste groene kandidaat die met ‘eerste stemmen’ een mandaat rechtstreeks veroverde. Tot verbijstering van iedereen, ook in de eigen partij. De rebelse aard van zijn kiespubliek in district Kreuzberg zal daar zeker toe bijgedragen hebben. En ongetwijfeld ook de talloze affiches die duidelijk maakten aan wie het te wijten was dat Ströbele geen gewone verkiesbare plaats had gekregen, en hoe daartegen kon geprotesteerd worden. “Ströbele wählen = Fischer quälen”. Als opgestoken middelvinger naar het partij-establishment kon dat tellen.

En jawel: Ströbele herhaalde dat wapenfeit nog drie keer: ook in de bondsdagverkiezingen van 2005, 2009 en 2013 werd hij rechtstreeks verkozen … soms met dubbel zoveel stemmen als de Groenen aan ‘tweede stemmen’ behaalden. In 2017 vond hij dat het welletjes was; zijn kanker én de bestralingen daartegen maakten openbare optredens steeds moeilijker.

Een ander verhaal toont evenzeer hoe ernstig én koppig Ströbele bereid was ter wille van principes zijn eigen positie op het spel te zetten. Naar aanleiding van de tweede Golfoorlog had hij zich in 1991 (naar Duitse maatstaven) behoorlijk kritisch uitgelaten over het Israëlische beleid tegenover de Palestijnen. Hij maakte toen deel uit van het drietal dat de partij leidde, en werd onder druk gezet om ofwel zijn uitspraken te herroepen ofwel ontslag te nemen uit de partijleiding. Hij koos voor het laatste.

Sterk merk

Voor Ströbele was die trouw aan zijn principes eenvoudigweg vanzelfsprekend: “ik ben alleen tegenover mijn eigen geweten verantwoording verschuldigd”. Anders dan ettelijke realo’s had hij ook in zijn radikale jaren nooit gedweept met figuren als Mao of Pol Pot, of met de DDR. En toen in 2001 Poetin als gast van de rood-groene regering een staande ovatie kreeg in de Duitse bondsdag bleef Ströbele zitten: “ik applaudisseer niet voor een KGB-agent”. In zijn partij maakte hem dat echter helemaal niet tot een marginaal figuur, maar eerder tot een toetssteen én aantrekkingspool, tot ‘tegelijk icoon én kwelgeest’.

Bovendien was hij tijdens zijn lange parlementaire loopbaan (van 1985 tot 1987 en van 1998 tot 2017) een bijzonder vlijtig én competent parlementslid voor de Groenen. Door zijn rustige maar vasthoudende manier om vragen te stellen werd hij een geducht – en gaandeweg ook buiten de eigen partij steeds meer gewaardeerd – lid van vele onderzoekscommissies. Ook de éminence grise van de CDU, Wolfgang Schäuble, erkende deze week dat juist dergelijke parlementsleden “de democratie sterker maken”.

Christian Ströbele, die met zijn eeuwige rode sjaal, zijn witte haren in de wind, op zijn fiets Berlijn doorkruiste, was wellicht inderdaad ‘een eigen merk’ geworden, zoals een commentator eerder bewonderend dan schertsend opmerkte. Een erg sterk merk dan wel. Ondanks pijn en fysieke aftakeling kwam hij vorig jaar nog zijn sympathie betuigen met betogende klimaatjongeren. En recent twitterde hij naar zijn bijna driehonderd duizend volgers zijn verbazing over het feit dat de Groenen, ontstaan uit onder meer de vredesbeweging, nu in de bondsregering als eersten en ijverigsten ook zware offensieve wapens willen leveren aan Oekraïne.

Vanuit heel verschillende hoeken betuigen prominenten nu hun respect aan de overledene. Maar vooral in zijn eigen partij zal naast de talloze blijken van genegenheid hier en daar ook heimelijk een zucht van opluchting klinken bij het verdwijnen van de kwelgeest.

Edi Clijsters

Visited 156 Times, 1 Visit today

Tags :