Globalisering en duurzame ontwikkeling

Het staat goed om als politicus, economist of journalist te praten over ‘duurzame ontwikkeling’. Het is ons nieuw modewoord geworden. Over enkele maanden wordt in Johannesburg, tien jaar na de lancering van een mondiaal actieplan voor duurzame ontwikkeling, de balans opgemaakt. We kennen het resultaat nu al. Van duurzame ontwikkeling is hoegenaamd geen sprake. Op dure conferenties komen nog wel moeizame compromissen uit de bus, maar hoewel het daarbij telkens om alles behalve revolutionaire beslissingen gaat, blijft het bij holle woorden. Het kapitalistisch systeem, want daarover gaat het uiteindelijk, kan immers niet overleven zonder groeidwang, uitbuiting, lage grondstoffenprijzen, e.d.

In 1992 werd het klimaatverdrag goedgekeurd en na lange moeizame discussies kwam het in Kyoto tot een protocol waar concrete reducties werden afgesproken. Anno 2002, 10 jaar na Rio, is er nog altijd niets gebeurd. Kyoto wacht op inwerkingtreding. Erger nog, de VS, goed voor 35 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot verwerpen Kyoto nu, want nog altijd te gevaarlijk voor het door vader Bush destijds afgekondigde imperatief: “the American way of life”.

Intussen gaat kostbare tijd verloren en is bijvoorbeeld in België de CO2-uitstoot sinds de ondertekening van het klimaatverdrag opnieuw met 13 procent gestegen, terwijl het de bedoeling is om tegen ten laatste 2012 een vermindering te hebben van 7,5 procent ten opzichte van het referentiejaar 1990. Het valt te betwijfelen of het Belgisch klimaatplan dat begin maart werd goedgekeurd ervoor zal zorgen dat de reductiedoelstellingen worden gehaald.

De discussie over het klimaat illustreert het gebrek bij een belangrijk deel van de politieke en economische leiders wereldwijd om het beleid te sturen in de richting van duurzame ontwikkeling. En zo kan ik tal van voorbeelden aanhalen. Denken we maar aan de treurzang rond de al jaren beloofde optrekking van het budget voor ontwikkelingssamenwerking naar 0,7 procent van het BNP. In de EU komt men amper aan de helft.

Rio mag dan al heel wat geesten hebben wakker geschud, in essentie blijven we denken in termen van kortzichtige eigenbelangen of koesteren we de illusie dat de vrije markt uiteindelijk voor elk probleem wel een oplossing heeft.

Homo economicus

Al van in de verlichting reduceren belangrijke denkers de mens hoofdzakelijk als homo economicus: de mens is een rationeel wezen, doordrongen van economisch handelen en maximalisatiedrang. Behoeften zijn in wezen oneindig, zo lezen we nog altijd in onze schoolboeken van economie. In ons dagelijks leven worden we er op alle mogelijke manieren aan herinnerd dat we moeten consumeren. Consumeren is noodzakelijk voor onze economie en dus voor ons maatschappelijk systeem, ook al gaan daar heel wat sociale en milieukosten mee gepaard. Het wordt dan ook als een ramp ervaren wanneer geen groeicijfers meer kunnen worden voorgelegd.

Vlak na de tweede wereldoorlog lanceerde president Truman de term ‘onderontwikkeling’. Hij had het over de nog hoofdzakelijk onder het koloniaal regime levende bevolking van de latere de derde wereld. Vooral in de ‘gouden jaren zestig’ propageerden gezaghebbende westerse denktanks het ‘modernisme’ : de vlugge industrialisering als economische wondermiddel om de bevolking uit hun onderontwikkeling te halen. Op politiek vlak moest het parlementair systeem overal worden gekopieerd.

Het was evenwel volop Koude Oorlog en deze ontwikkelingstheorie werd vooral in stelling gebracht als dam tegen het communisme. Zo gaf een prominent aanhanger van de moderniseringstheoretici, Wald Rostow, zijn boek de titel ‘De stadia van de groei: een niet-communistisch manifest’ mee. In veel landen werd inderdaad alles op de industrialisering gezet. Tot eind de jaren negentig werden de Aziatische tijgers, zoals Taiwan en Zuid-Korea als voorbeeld aangehaald. Maar er waren vooral veel mislukkingen. Meer dan eens geraakte de landbouw verwaarloosd. Toen bleek dat via het parlementair systeem verguisde ‘socialisten’ aan de macht konden komen, begroef men dit tweede luik en werd de modernisering als een ongelijk proces gezien. Een sterke autoritaire staat zou garant staan voor economische groei. Eens het economische programma afgewerkt kon men denken aan de invoer van de politieke democratie, zo heette het.

Alternatieven?

Intussen werkten politici en intellectuelen in de Derde Wereld aan eigen modellen. Voor hen was de ‘onderontwikkeling’ geen ‘natuurlijke’ beginsituatie, maar een gevolg van de uitbuiting door het kapitalistische Noorden. Zij hekelden de overheveling van rijkdommen van Zuid naar Noord, waardoor de kolonialisering in feite nog steeds doorging.

De theoretici van CEPAL (de economische Commissie voor Latijns-Amerika) ontwierpen de Centrum-periferietheorie. De Centrumlanden hebben de macht en dat werkt op alle vlakken (economisch, politiek en cultureel) door. Als er een instabiele situatie ontstaat in het centrum, wordt die afgewenteld op de periferie, waar elke groei wordt afgebroken. Zo is een van de problemen de te lage grondstoffenprijzen. Het ‘recept’ was de afhankelijkheid te doorbreken door importsubstitutie, d.w.z. zorgen dat er een autonome economische ontwikkeling komt door zoveel mogelijk zelf te produceren zodat men zo weinig mogelijk afhankelijk is van het buitenland.

Een andere groep, de circulationisten, verfijnden het model van de ‘dependenciadenkers’. Voor André Gunder Frank en Immanuel Wallerstein was het kapitalisme in de eerste plaats een wereldsysteem en meer bepaald, een wereldhandelssysteem. Het centrum en periferie zitten veel complexer in mekaar. Het zijn namelijk vertakte netwerken. Binnen elk Centrum en elke periferie bevinden zich nogmaals centra en periferieën. In het Zuiden heb je dus ook een lokale elite, die in een machtspositie zit en zich voortdurend verrijkt ten koste van de rest van de bevolking. Samir Amin, een bekend circulationist, pleit dan ook voor totale ‘delinking’ (ontkoppeling).

De ideeën van de dependenciaschool en circulationisten kregen vooral veel invloed in de jaren zeventig. Een aantal landen wilde in de eerste plaats werken aan self-reliance, d.w.z. ontwikkelen op eigen kracht door de banden met het Noorden zoveel mogelijk te beperken. Voorbeelden zijn Tanzania, onder Nyerere en Chili onder Allende. Meer en meer kwamen basisbehoeften centraal te staan. Mede onder invloed van de grote droogtes (Sahel) ging er weer meer aandacht naar de landbouw en basisinfrastructuur (water, onderwijs en gezondheidszorg). De eigen voedselvoorziening was een belangrijke bekommernis. De invoer probeerde men zo veel mogelijk te beperken. De staat kreeg alvast een grotere rol toebedeeld.

In de praktijk kwam er dikwijls echter weinig van terecht. In Chili werd het experiment van Allende met een staatsgreep beëindigd. Grote multinationale Ondernemingen (MNO’s), zoals de bananenmultinationals in Midden-Amerika verzetten zich met alle middelen tegen pogingen om hun macht te breken. Daarnaast waren er ook de gevolgen van de energiecrisis uitgelokt door OPEC. Door de dure energie bleef er amper wat over om te investeren in een nieuw ontwikkelingsmodel. Maar zoals zo dikwijls hadden ze ook zelf een aandeel in de mislukking. Sommige experimenten mislukten omdat ze te autoritair werden ingevoerd.

De Nieuwe Internationale Economische orde

Internationaal kwam er de roep voor een Nieuwe Internationale Economische Orde (NIEO). De VN aanvaardden in 1974 een beginselverklaring ter zake. Al in 1964 was er een begin gemaakt met de Noord-Zuid-dialoog en klonk op de eerste UNCTAD (VN-conferentie voor Handel en Ontwikkeling) de roep: "Handel, geen hulp". Eis was een rechtvaardige toegang tot de internationale markten. In het Noorden was daarenboven vooral in kringen van de sociaal-democratie (de Duitse ex-kanselier Willy Brandt) de idee ontwikkeld om ten minste 1 procent van het BNP te besteden aan ontwikkelingshulp. De problemen konden alleen aangepakt worden door een eerlijke politieke en economische samenwerking en niet op basis van concurrentiestrijd. Maar uiteraard zochten de sociaal-democraten ook naar een middel om het ‘communistisch gevaar’ tegen te houden.

Door de groeiende mobiliteit en het toegenomen handelsverkeer verkleinde de wereld en groeide de afhankelijkheid. Het Zuiden wilde een rechtvaardiger aandeel in de wereldhandel en in het Noorden waren grote economische groepen op zoek naar mogelijkheden om hun productie te delocaliseren. Zij wilden hun concurrentiepositie verstevigen door te profiteren van goedkope arbeidskrachten en toegang te krijgen tot de lokale markten en grondstoffen.

Deze MNO’s waren dus bereid om te investeren in het Zuiden (mits de nodige – bvb. fiscale – voordelen en uitbouw van infrastructuur). De derdewereldlanden waren daar niet ongelukkig mee, omdat ze zich geconfronteerd zagen met groeiende werkloosheid en armoede en hoopten via deze weg op de noodzakelijke technologieoverdracht. Maar daar kwam weinig van in huis. De arbeidskrachten werden als goedkope reservoirs gebruikt, de productie van de MNO’s kwam zelden tegemoet aan de lokale basisbehoeften en ook van de technologie- en kennisoverdracht kwam niet veel in huis.

Crisis

Het merendeel van de landen geraakte in toenemende mate in de problemen, die grotendeels een gevolg zijn van de historische gegroeide ongelijke wereldhandel. Het koloniale systeem heeft de economieën in het zuiden nagenoeg louter in functie van de eigen behoeften ontwikkeld. Dit gaf aanleiding tot ‘monoculturen’ (in de landbouw bijvoorbeeld koffie- of bananenplantages) en dus afhankelijkheid van een beperkt aantal grondstoffen. Door de plotse grootschalige exploitatie of ontginning op wereldniveau en de dalende of onregelmatige vraag, begonnen de grondstoffenprijzen sterk te fluctueren en op lange termijn te dalen. Zeker de laatste tijd komen er meer en meer vervangproducten (vb. van suiker of cacao) op de markt. M.a.w. steeds meer grondstoffen op de markt voor lagere prijzen. Daardoor verslechtert de ruilverhouding (de kloof tussen de prijs van grondstoffen groeit in vergelijking met die van afgewerkte producten) zienderogen. Komt nog bij dat enkele supergrote multinationals hele grondstoffenketens onder controle kregen en met hun strategisch voorraden de zogenaamde vrije markt naar believen begonnen te manipuleren. Naast het fenomeen van dalende grondstoffenprijzen groeide in het Noorden de productiecapaciteit voor een aantal producten, terwijl de afzetmarkten beperkt waren. De oplossing werd gezocht in het creëren van nieuwe afzetmarkten in het Zuiden, waarnaar vervolgens geëxporteerd werd. Het Zuiden werd aangemoedigd om die producten te kopen. Wat deed men? Simpel men creëerde koopkracht door grote leningen uit te schrijven. Bekend fenomeen zijn de leningen voor de aankoop van wapens op de westers markt. Uiteraard niet gratis.

Tenslotte waren er nog de opeenvolgende oliecrisissen van ’73 en ’78. Alles samen goed voor een explosieve stijging van de schuldenlast en het ontstaan van een schuldencrisis begin jaren ’80. De dalende exportinkomsten en de stijgende intrestvoeten maakten dat die ondraaglijk werd. Men moest uiteindelijk nieuwe leningen aangaan om de schulden af te lossen. Vandaag is de situatie zo erg dat de afbetaling in de meeste gevallen gaat naar de aflossing van de intrest alleen (het oorspronkelijk geleende bedrag geraakt niet meer terugbetaald) en zelfs dat is voor een aantal landen een probleem.

Mondiale problemen

Het westers neo-liberaal systeem werd alsmaar dominanter. Maar in het kielzog kwamen ook alsmaar grotere problemen opduiken, met een duidelijk mondiaal karakter. Het optimisme van de jaren zestig maakte hier en daar plaats voor het besef dat de mens er niet langer ongestraft op los kon produceren. Vooral sinds begin jaren zeventig ziet men een reeks problemen opduiken die zich op mondiaal niveau afspelen en die rechtstreeks of onrechtstreeks het gevolg zijn van onze consumptie- en productiepatronen. Er is de globale armoede en de groeiende globale ongelijkheid, de vernietiging van het leefmilieu op planetaire schaal en de mondiale veiligheidsproblematiek. Laten we ze even nader bekijken vooraleer we een blik werpen op de politieke antwoorden.

Armoede en ongelijkheid

Volgens het Ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP) was in 1960 het armste deel van de wereldbevolking 30 keer armer dan het rijkste deel. Tegen 1990 zou die wanverhouding exponentieel stijgen naar 1/60 en ook daarna verder groeien. Het laatste rapport van UNDP (2001) stelt dat de rijkste 1 procent van de wereldbevolking evenveel verdient als 57 procent van het armste deel van de wereldbevolking. 1,2 miljard mensen moet rondkomen met een inkomen van minder dan 1 $. Een slinkende groep multinationale ondernemingen (MNO’s) krijgt daarbij geleidelijk aan een grotere greep op de wereldhandel. Rond 1990 beheersten zij twee derde van de mondiale handelsstromen. En binnen elk land, dus ook in het rijke Noorden, bleek dat de armoede niet was weg te bannen en de inkomensongelijkheid in stand werd gehouden. Zo blijkt dat ook in België de kloof is gegroeid. In Groot-Brittannië leeft 12 procent van de kinderen onder de armoedegrens!

Milieuproblemen

Het effect van de economie op het milieu kon niet meer genegeerd worden. In 1972 verscheen het spraakmakende rapport van de Club van Rome, Grenzen aan de groei, dat er op wees dat we niet langer ongestraft de aarde als een onuitputbaar reservoir voor de productie (input), noch als vuilnisbak (output) konden behandelen. Zoniet zou het voortbestaan van de mensheid zelf in gevaar komen. In hetzelfde jaar ging ook de eerste grote milieuconferentie van de Verenigde Naties (VN) door in Stockholm. De conferentie zorgde voor internationale aandacht voor het milieu, meer in het bijzonder voor milieudegradatie en grensoverschrijdende vervuiling. Dat laatste was belangrijk voor de erkenning dat milieuvervuiling geen politieke of geografische grenzen respecteert. Stockholm bleek het startsein te zijn voor een hele reeks opvolgingsconferenties die al dan niet tot afspraken leidden (Noordzeeverdragen, maatregelen tegen verwoestijning,..). De milieuproblematiek bleek al gauw een complex gegeven, dat afhankelijk van de aard een bepaalde benadering vergde, omdat die kan verschillen voor lokale (bodemvervuiling, afval en ontbossing), regionale (verzuring en luchtverontreiniging) en mondiale milieuproblemen (Ozon en klimaatveranderingen).

Veiligheidsproblemen

De Koude Oorlog en de concurrentie tussen de twee blokken (Oost en West) leidden tot een enorme bewapeningswedloop. Vooral het stijgend aantal massavernietigingswapens (atoomwapens) was een zorgwekkende ontwikkeling. De mensheid was voortaan in staat, zich met 1 druk op de knop uit te roeien. Het grootste deel van de militaire uitgaven gebeurt in het Noorden. Desalniettemin zijn de bewapeningsuitgaven in het Zuiden evenmin te onderschatten. Een van de grote problemen is de grote hoeveelheid lichte wapens die legaal, maar ook illegaal de wereld rondreizen. Voor elke tiende inwoner op deze planeet is er een wapen in omloop. Na de val van de muur zag het er naar uit dat de wapenuitgaven zouden slinken. De VS en enkele Europese landen zijn inmiddels een nieuwe wapenwedloop begonnen, ditmaal tegen…. zichzelf.

Politieke antwoorden voor de 21e eeuw

In politieke en maatschappelijke kringen leek het besef te groeien dat er nu echt wel moest worden opgetreden. Op de conferentie over duurzame ontwikkeling in Rio (1992) werden de verschillende belangen duidelijk tussen de rijke en de arme landen, maar ook tussen grote economische groepen en NGO’s uit bv. de derdewereld- of milieubeweging. Op deze UNCED (United Nations Conference on environment and development) kwamen uiteindelijk alleen afspraken over punten waarrond een politieke consensus werd bereikt en een compromis mogelijk was. De slotdocumenten zijn zeker niet revolutionair te noemen. Zo werd de productie en het gebruik van atoomenergie door de Franse regering van de agenda gehouden. Frankrijk is de grootste exporteur van atoomenergie en tachtig procent van de Franse energieproductie wordt gerealiseerd in kerncentrales. Er staat ook niets in over de wapenhandel.

Anderzijds is het de eerste maal dat een zo omvangrijk programma werd ontwikkeld over een heel gamma problemen van milieu en ontwikkeling. Voor het eerst werd het verband tussen de verschillende mondiale problemen grondig vastgelegd: "Vrede, ontwikkeling en milieubescherming zijn onderling afhankelijk en niet van elkaar te scheiden" (Principe 25 van de ‘Verklaring van Rio de Janeiro inzake duurzame ontwikkeling’). Naast een algemene ‘Verklaring’ zagen in Rio volgende documenten het levenslicht: Agenda 21, een omvangrijk actieplan met analyse, doelstelling en mogelijke oplossingen voor een hele reeks probleemstellingen; verklaring i.z. beheer en behandeling van bossen, met daarin 15 principes voor het nationaal en internationaal beleid die moeten zorgen voor een betere bescherming en een duurzamer beheer van bosgrondstoffen; het klimaatverdrag, een bindend akkoord op de top ondertekend door 154 regeringen en dat de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer wil stabiliseren op een niveau dat gevaarlijk klimaatstoornissen vermijdt; en tenslotte het verdrag i.z. biodiversiteit, bindend akkoord dat inmiddels door 168 landen is ondertekend en de biologische diversiteit, het duurzame gebruik ervan en de evenwichtige verdeling van de opbrengsten uit genetische bronnen wil garanderen.

Opvolging van Rio

Na Rio volgden nog een reeks thematische conferenties (Bevolkingstop in Cairo – 1994, Sociale Top in Kopenhagen – 1995, vrouwentop in Beijing – 1995), met telkens de weerkerende spanningen tussen allerlei belangengroepen en landen. Na het Brundtland-rapport (1987) en UNCED in Rio de Janeiro (1992) leefde de hoop dat duurzame ontwikkeling dé beleidsprioriteit zou worden voor de toekomst.

Bij het begin van de 21e eeuw zou de wereld milieuvriendelijker, sociaal rechtvaardiger en democratischer worden. Maar tijdens de zogenaamde UNGASS-conferentie (United Nations General Assembly Special Session) in juni 1997, waar vijf jaar na Rio een grondige evaluatie werd gehouden – vandaar ook wel Rio +5 genoemd – zijn ontnuchterende vaststellingen gedaan. Tussen theorie en praktijk bleek opnieuw een diepe kloof te gapen. Zo was de milieuvervuiling verder toegenomen en de kloof tussen rijk en arm verder gegroeid. Veel landen uit het Zuiden dreigden elke aansluiting met de wereldeconomie te verliezen. Daartegenover stonden enkele lichtpunten, maar die vielen eerder mager uit. Zo constateerde UNGASS dat lokale besturen en actiegroepen wereldwijd werk maken van een lokale agenda 21 en dat in onderwijs en vorming meer aandacht gaat naar sociale en milieuproblemen. Veel niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) en basisbewegingen maken van D.O. hun centrale invalshoek.

UNGASS nam een document aan over de verdere implementatie van Agenda 21 met daarin ook een werkprogramma (1998-2000) voor de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling. De in 1992 opgerichte Commissie komt elk jaar samen om de follow-up te doen van Rio, zoals monitoring en verslaggeving van de toepassing van de Rio-afspraken op lokaal, nationaal en internationaal vlak.

Op een top in Johannesburg (begin september 2002) komen de wereldleiders en belangengroepen opnieuw samen rond de centrale vraag: wat hebben de verschillende landen gedaan om Agenda 21 in het beleid te passen. Er zal in het bijzonder aandacht gaan naar de impact van de revolutie in de technologie, biologie en communicatie op duurzame ontwikkeling. Er zal verder gediscussieerd worden over nieuwe financiële instrumenten, het functioneren van de financiële instituten en de markten. Verder zal er veel aandacht gaan naar ‘good governance’. De uitbanning van de armoede en niet-duurzame consumptie- en productiepatronen zijn volgens de voorbereidende documenten topprioriteiten. Een heropening van het debat over de inhoud van Agenda 21 zelf is niet voorzien.

In elk geval zal in Johannesburg het uitgangspunt zijn dat ‘globalisering, indien goed gestuurd, het potentieel heeft om duurzame ontwikkeling te bevorderen voor iedereen’.

Vraag hier is dus: hoe zien de mensen achter het stuur dat werkelijk?

De Kloof tussen theorie en praktijk: conflict tussen twee modellen

Het beleid na Rio is grotendeels achtergebleven. Er zijn wel dikwijls plannen en strategieën uitgewerkt of zelfs coördinatiemechanismen opgezet om van de afspraken werk te maken, maar daarbij blijft het veelal.

Wat is de oorzaak? Men ziet wel hier en daar de noodzaak in van een sociaal en ecologische verantwoorde ontwikkeling maar eens buiten de conferentiemuren moet dat inzicht wijken voor economische bekommernissen en vooral belangen. ‘Principes’ moeten wijken voor macht. De noodzakelijke ecologische en sociale correcties op het economische systeem komen daardoor niet van de grond. Er is duidelijk een conflict tussen twee modellen.

Enerzijds het neoliberale model van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en andere instellingen zoals de Wereldbank en IMF (Internationaal Monetair Fonds) waar alle aandacht gaat naar vrije handel, open markten, deregulering en economische groei.

Anderzijds de grote VN-conferenties die de correcties daarop nastreven, maar dat wel blijven doen binnen een kapitalistisch model. Het eerste model is tot vandaag duidelijk aan de winnende hand. Het tweede is voer voor de grote praatbarakken. Aan nog andere modellen wil men zelfs niet denken.

Er kan ook niet veel veranderen. De echte macht berust bij instellingen die gecontroleerd worden door enkele rijke westerse landen. In IMF en Wereldbank hebben landen een stem a rato van hun financiële inbreng. Daardoor beschikken de drie rijkste handelsblokken over de grote meerderheid van de stemmen. Echt democratisch gaat het er dus niet aan toe. In de rijke landen wordt getrouw de neoliberale logica gevolgd, waardoor dit automatisch ook de lijn is van de genoemde instellingen. Veel landen in de derde wereld kampen met een tekort op de betalingsbalans. D.w.z. dat de import groter is dan de export. Op termijn moet dus geleend worden om de import te kunnen blijven betalen, waardoor zoals net gesteld, de schuldenlast groeit. Men zoekt een remedie door middel van grote programma’s via internationale instellingen als IMF en Wereldbank om de economieën van die landen er zogezegd weer bovenop te helpen.

Zowel bij het IMF als de Wereldbank worden pas leningen verstrekt als er aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Hoewel er inmiddels bijsturingen zijn verricht blijft het de politiek van de instellingen om de export aan te zwengelen, grenzen open te stellen, de wisselkoersen aan te passen naar beneden (met soms desastreuze devaluaties), de overheidsuitgaven te beperken (minder geld voor onderwijs en gezondheidszorg) en privatiseren. Dat laatste is niets anders dan de uitverkoop van publieke instellingen, die voor een prikje worden opgekocht door grote MNO’s.

Met dergelijke uitgangspunten kan het dan ook niet anders dan dat de ‘therapie’ van deze instellingen veel landen in nog grotere moeilijkheden heeft gebracht. Begin 1980 bedroeg de gezamenlijke schuld van de ontwikkelingslanden 579 miljard dollar. In 1986 was dat al 1,02 triljoen dollar om in 1994 verder te stijgen naar 1,9 triljoen dollar. 87 procent van deze schuld staat uit bij de OESO-landen (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, een club van rijke, vnl. westerse landen).

In 1975 bedroeg de gezamenlijke schuldaflossing van de derdewereldlanden 9 procent van de exportinkomsten (dus 9 procent op wat een land verdient aan de verkoop van goederen en diensten in het buitenland). In 1985 was dat 20 procent. In de jaren ’90 werd de toestand voor bepaalde landen onhoudbaar (1996): Burundi (54,6 procent van de exportinkomsten), Guinea-Bissau (48,7 procent), Sierra Leone (52,6 procent) en Indonesië (36,8 procent) verzeilden in totale chaos.

Inmiddels spreekt men van de schuldenspiraal: veel landen moeten nieuwe leningen aangaan louter en alleen om de oude schulden af te lossen.

Wat zijn we dan met ons heel concept van duurzame ontwikkeling? We zien immers dat die derde, op korte tijd machtig geworden instelling, de WTO in wezen een pure vrije markt economie voorstaat met weinig ruimte voor sociale of milieucorrecties. We kunnen ons dan ook afvragen of het in werkelijkheid niet gewoon de bedoeling is om landen die nu al over veel macht en rijkdom beschikken nog beter te bedienen. In 1964 al ging de eerste UNCTAD bijeenkomst door, een VN-instelling die ‘handel’ èn ‘ontwikkeling’ in de naam draagt. De instelling bestaat nog, maar heeft veel van haar pluimen en impact verloren ten voordele van…. de WTO. Het begrip ‘handel’ is blijven staan, ‘ontwikkeling’ is er uit gevallen en dat heus niet alleen in de naamgeving.

(Uitpers, mei 2002)

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 30 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).

zie ook