Globalisering, een historisch proces (4)

De Bretton Woods afspraken en het Marhall Plan, die de basis vormden voor de naoorlogse opbouw, waren een poging te verhinderen dat de wereld in de greep van de chaos zou blijven en een herhaling van de Russische revolutie van 1917 zou kunnen plaatsvinden. De politieke macht van de nationale staten zou de internationale economie onder controle moeten kunnen houden.

Het paradoxale van de ineenstorting van het Bretton Woods financiële systeem is, dat het niet ten onder is gegaan omdat het niet succesvol was. Integendeel, juist omdat het de groei van de kapitalistische economie heeft bevorderd, kwamen de interne tegenstellingen tot ontwikkeling die het systeem uiteindelijk in de jaren zeventig op de klippen hebben doen lopen.

De hoeksteen van het systeem was de dollar als internationaal betaalmiddel. De dollar kon die rol spelen vanwege het economisch overwicht van de Verenigde Staten tegenover hun Europese rivalen en Japan. Dit overwicht weerspiegelde zich in het exportoverschot van de Verenigde Staten, waardoor de vraag naar dollars in de rest van de wereld verzekerd was.

In de eerste naoorlogse jaren was de belangrijkste kwestie om voldoende liquide middelen te garanderen, wat gebeurde door uitvoer van dollars om de internationale handel te financieren. Om het Bretton Woods systeem te laten werken moesten de Verenigde Staten dus een politiek voeren die leidde tot een financieringstekort. Een belangrijk deel van dit kapitaal werd gestoken in de wederopbouw van de industrie in West-Europa, die uiteindelijk het relatieve overwicht van de Verenigde Staten zou bedreigen Dat wil zegen, de wederopbouw van Europa, het voornaamste doel van Bretton Woods, leidde uiteindelijk tot het ondermijnen van de Amerikaanse handelsbalans, en zo tot verzwakking van de dollar, waar het gehele systeem op berustte.

Naarmate de economische groei voortging, werd het Amerikaanse overwicht op de economie meer en meer ondermijnd en het internationale tekort aan dollars maakte plaats voor een situatie met een overschot. In 1958 bijvoorbeeld overtrof het kapitaal aan dollars in buitenlandse handen al de Amerikaanse goudvoorraad in Fort Knox.

De basis van het Bretton Woods systeem was de controle van het financieringskapitaal door de nationale staten. Washington en niet Wall Street moest de kapitaalstroom reguleren. Maar deze controle werd juist ondermijnd door maatregelen die een vitaal element vormden voor de naoorlogse wederopbouw.

Het centrale doel bij die wederopbouw was Europa open te breken voor Amerikaanse investeringen. Deze politiek was buitengewoon succesvol en zeer veel Amerikaanse bedrijven vestigden zich in Europa en vormden grote multinationale ondernemingen. Het zijn met name deze bedrijven geweest die een sleutelrol hebben gespeeld bij het ondermijnen van de controle van Washington op het internationale financiële systeem.

Zolang de Verenigde Staten er in slaagden een groot exportoverschot te handhaven, vond elke dollar in buitenlandse handen snel z’n weg terug naar Amerika. Bovendien, in Europa bestond een grote behoefte aan dollars om Amerikaanse goederen te kunnen kopen. Maar tegen het eind van de jaren zestig was de hoeveelheid dollars in Europa groter geworden dan de vraag naar Amerikaanse producten. Dit leidde tot een Europese dollarmarkt, die niet onder controle van Washington of andere nationale regeringen stond.

Amerikaanse bedrijven en banken in het buitenland omzeilden de maatregelen van de Amerikaanse regering door zich op de Europese dollarmarkt te bewegen. Het Amerikaanse blad Business Week schreef: ‘Van alle krachten die verantwoordelijk zijn voor de vorming van vrije Europese markten en de hoeveelheid geld die aan geen enkele staat toebehoort, is geen kracht zo machtig als de behoefte van de 450 belangrijkste multinationale ondernemingen in de wereld (waarvan de meerderheid Amerikaanse zijn). In hun expanderende mondiale operaties, hebben deze gigantische ondernemingen de eis op tafel gelegd tot het hebben van volledige vrijheid bij internationale financiële operaties.’

De groeiende crisis van het Bretton Woods systeem werd weerspiegeld in de toenemende vermindering van de waarde van de Amerikaanse goudvoorraad, die de dekking vormde voor de koers van de dollar. Van 1950 tot 1955 daalde de waarde van 23 miljard naar 22 miljard. Vijf jaar later was de waarde al 4 miljard minder en in de jaren zestig was de daling zo sterk dat in 1968 de waarde van de Amerikaanse goudvoorraad ongeveer 10 miljard bedroeg, niet iets meer dan als minimum gold voor de instandhouding van het Bretton Woods systeem.

Op Nieuwjaarsdag van 1968 kondigde president Johnson een serie maatregelen aan om het financieel tekort op de betalingsbalans te verminderen, om zo de uitstroom van dollars tegen te gaan. Aan alle nieuwe investeringen in West-Europa kwam een einde en de investeringen in Groot-Brittannië, Australië, Canada en Japan werden tot 65 procent van het niveau van 1965-66 teruggebracht.

De maatregelen hadden geen enkel effect. Zij werden voor een groot deel omzeild door handel in de eurodollars, die eenbelangrijke internationale financiële markt was geworden. De kapitaalsexport uit de Verenigde Staten ging door. In 1970 bereikte dit de 11 miljard dollar en in 1971 was het zelfs opgelopen tot 30 miljard dollar. Ten opzichte van de piekjaren 1960 en 1968 toen de kapitaalsexport 3,4 miljard bedroeg, een enorme stijging.

De Europese dollarmakrt vertoonde in die periode een constante groei. Van 9 miljard dollar in 1964, 44 miljard in 1969 naar 80 miljard in 1972.

De definitieve klap voor het Bretton Woods systeem kwam op 15 augustus 1971, toen president Nixon aankondigde de gouddekking van de dollar los te laten. Aan het eind van 1971 werd het Smithsonian Verdrag gesloten, waarin nieuwe vaste wisselkoersen werden vastgesteld voor de munten van de belangrijkste kapitalistische landen. De Amerikaanse dollar bleef echter onder zware druk staan en in februari 1973 werden de vaste onderlinge koersen losgelaten. Het werd de belangrijkste munten toegestaan in koerswaarde ten opzichte van elkaar te fluctueren.

Het loslaten van vaste onderlinge valutakoersen in 1973 markeert een belangrijk keerpunt in de kapitalistische ontwikkeling. De financiële crisis van begin jaren zeventig werd gevolgd door een wereldwijde recessie in 1974-1975, de ernstigste crisis sedert 1930. Hoewel er vanaf 1976 een herstel optrad, was er geen sprake van een terugkeer naar de situatie van de jaren zestig. De economische situatie werd gekarakteriseerd door een voortdurende stijging van structurele werkloosheid en inflatie.

Uit vele cijfers blijft dat er sprake is van een kwalitatieve omslag in die periode. Tussen 1974 en 1983 bijvoorbeeld daalde de winst van de bedrijven van de zeven belangrijkste kapitalistische landen tot tweederde van het niveau van de jaren zestig. De terugval was in de industriële sector nog dramatischer. Daar daalden de winstcijfers tot onder de helft in vergelijking met de jaren zestig.

De groeicijfers van de landen van de OESO vertonen hetzelfde beeld. Tussen 1968 en 1973 bedroeg de economische groei nog 4,7 procent, maar daalde in de periode 1973-1979 tot 2,6 procent.

De jaren zeventig karakteriseerden zich niet alleen door een financiële crisis en dalende winsten. De economische problemen hadden ook directe uitwerking op het politieke vlak. Tussen 1968 en 1975 was er grote sociale onrust en in verschillende landen, waaronder Frankrijk, Chili, Portugal en Spanje, ontstonden potentieel revolutionaire situaties. De linkse partijen waren echter niet in staat om in die situatie de werkende bevolking tot een machtsfactor te maken. De sociaal-democratische partijen hadden zich al volledig geconformeerd aan het kapitalistisch model en de rechtse stroming binnen de communistische beweging, het ‘eurocommunisme’, was ook die kant opgeschoven. In beide stromingen waren het vooral mensen uit de middenklasse die de belangrijkste posten in de politieke partijen gingen bekleden. Aanvankelijk radicaal en progressief, maar met het verstrijken van de jaren zich volledig conformerend aan de maatschappelijke verhoudingen. Veel communistische partijen zijn door die ontwikkeling ten onder gegaan.

De heersende elite slaagde er weliswaar in om haar politieke macht te handhaven, maar was niet in staat om de economische crisis, die de arbeidsonrust had veroorzaakt, op te lossen. De daling van de bedrijfsrendementen gaven aan dat het productiesysteem, zoals dat na de oorlog was geïntroduceerd, uitgeput was geraakt. Pogingen om door opvoering van de werkdruk en productie het tij te keren, liepen alleen maar uit op nog meer revoltes in de bedrijven. Nieuwe technologieën en productiesystemen moesten worden ontwikkeld om de bedrijfsrendementen te herstellen. Het betekende het begin van een nieuwe golf van economische veranderingen, een nieuw tijdperk van globalisering.

(Uitpers, juni 2001)

Bron: Targets, april 2001

(*) Nico Varkevisser is hoofdredacteur van Targets. Voor Targets: zie de rubriek Signalement.

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 37 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook