Gizenga en Albert II, Primus in Congo

t Kan vriezen, ’t kan dooien. Op die manier kun je in één zin de gang van zaken in Congo samenvatten enkele maanden na de presidents- en parlementsverkiezingen. De vooruitgang, die Congo verleden jaar gemaakt heeft, kunnen we niet wegmoffelen. Voor het eerst sinds bijna een halve eeuw beschikt het land weer over democratisch verkozen instellingen die naam waardig. Het is bijna tot een cliché verworden : Congo heeft een historische stembusslag achter de rug.

De voorbije weken zijn er nieuwe stappen gezet : de rechtstreeks verkozen provincieraadsleden hebben de senatoren en gouverneurs verkozen, en premier Gizenga heeft de lijst van ministers bekendgemaakt en het regeerprogramma in het parlement ingediend. Bij de samenstelling van zijn regering heeft hij zijn slag thuisgehaald. Enkele figuren uit president Kabila’s omgeving, op wie er het odium kleeft dat zij de draden van het corruptienetwerk weven, hebben geen portefeuille gekregen.

Woorden strekken, voorbeelden wekken, moet Gizenga denken. Zijn door de vorige bewoner, de toenmalige vice-president Bemba, ontmanteld achtergelaten residentie heeft dringend behoefte aan een opknapbeurt. Gizenga neemt de kredieten op, laat het werk uitvoeren en bezorgt achteraf de facturen én het overblijvende geld terug. Dat hebben ze in Congo in geen jaren meegemaakt: een toppoliticus die zijn zakken niet vult. De politieke kaste is met verstomming geslagen.

Natuurlijk is het maar een symbolische daad en moet het beste van Gizenga nog komen, maar hij zet wel de toon en hoé. De primature, zoals ze in Congo de eerste minister en zijn kabinet noemen, heeft zich van bij haar aantreden op de kaart gezet. Gizenga, de primus inter pares, primeert. Was corruptie het wezenskenmerk van het mobutisme en hebben vader en zoon Kabila dat element zonder verpinken overgenomen, na al die jaren waait er een andere wind.

Besluit: de trein staat op de sporen en hij rijdt. Na vijf jaar chaos, 32 jaar dictatuur, zeven jaar oorlog en drie jaar overgang, na 47 barre winterjaren is ook in Congo het klimaat op gaan warmen en is de dooi ingetreden.

Maar één vogel maakt de lente niet. De weerman ziet nog vorst in de lucht hangen. Zelfs een nieuwe ijstijd sluit hij niet uit. Bij de verkiezing van senatoren en gouverneurs is er gemanoeuvreerd en met geld geschoven dat het lelijk is om te zien. Grote onvrede in het kamp van Kabila’s verslagen tegenstander en huidig senator, Bemba. Zelfs in Kinshasa, waar Bemba’s Union pour la Nation de meerderheid heeft in de provincieraad, is Kabila erin geslaagd om een van zijn aanhangers tot gouverneur te laten kiezen. Als de internationale gemeenschap erop aandringt Bemba te pamperen – om uitbarstingen van geweld, zoals in november na de tweede ronde van de presidentsverkiezingen, te voorkomen -, dan heeft Kabila hier een kans laten liggen.

Ook bij de regeringsvorming ligt het eerste hallucinante incident al achter de rug. Minister van Buitenlandse Handel, Kasongo Ilunga, neemt de dag na zijn aanstelling ontslag, laat de Unie van Congolese Nationalistische Federalisten weten. Unafec is een van de kleine partijen die Kabila hun steun toegezegd hebben voor de tweede ronde en nu hun beloning opeisen i.v.v. een ministerpost. Overigens kent er niemand Kasongo en komt hij op de kabinetsraad niet opdagen. Als Gizenga hem convoceert, komen er drie mannen met die naam zich aanmelden, een vaudeville waard. Alsof Unafec-voorzitter, Kisimba Ngoy, zelf aast op de portefeuille.

Laten we ons ervan bewust zijn: corruptie is van alle moderne tijden in Congo en Gizenga’s goede bedoelingen gaan le mal zaïrois niet van vandaag op morgen de wereld uit helpen. Congo zit met een politieke klasse opgescheept, die het fenomeen met de paplepel opgediend gekregen heeft. Na de verkiezingen heeft ze een extra troef in handen: haar legitimatie door de kiezer.

Gizenga mag dus niet ervan uitgaan dat hij de strijd tegen die kwaal met de vingers in de neusgaten wint. Hij staat voor een tocht vol valkuilen. Voor de pas verkozen nieuwelingen in het parlement is het een opdracht om ze te ontwijken, zodat ze uit kunnen groeien tot sterkhouders van de Congolese maatschappij. Maar het verleden heeft aangegeven dat in een land, waar politieke macht synoniem staat voor economische verrijking, een onbesproken blad vaak bezwijkt voor de hem aangeboden geneugten. M.a.w., geregeld zullen we te maken krijgen met schandalen. Niemand, ook een oude lumumbist als Gizenga niet, koestert zich illusies. Congo heeft tijd nodig.

Ituri, de nagel aan de blauwhelmen hun doodkist

Waarvoor er ook zeeën van tijd nodig zijn, dat is de pacificatie van Ituri, in de noordoostelijke hoek van Congo. De Monuc, de VN-missie, die in die regio een flink deel van haar ruim 16.000 blauwhelmen inzet, stuurt weliswaar optimistische bulletins de wereld in – over hoe ze opstandige milities aan banden legt -, maar je moet enige voorzichtigheid aan de dag leggen. Wat op papier een gewonnen zaak lijkt, is dat op het terrein meestal niet. Papier is erg verduldig in Congo.

Neem het voorbeeld van krijgsheer Peter Karim, met wie er op de 13de juli verleden jaar een overeenkomst tot stand komt. Karim krijgt in ruil voor de ontwapening van zijn militie een kolonelsrang in het eengemaakte Congolese leger aangeboden. Het bestand met Karims Front des nationalistes et intégrationnistes is vandaag de dag nog altijd geen realiteit. Op de 31ste januari moet de Monuc het leger bijstand verlenen als in Fataki de gevechtslust van het FNI weer eens een keer aanwakkert. Zes dagen later sluiten ze een nieuw staakt-het-vuren. Maar ’s anderendaags is het opnieuw prijs en lanceert het FNI zijn volgende aanval, op Djaiba en Libi.

Tegen een andere militieleider uit datzelfde Ituri, Thomas Lubanga, begint er de volgende maanden een proces voor het Internationale Strafhof in Den Haag. De scheidingslijn tussen een oorlogsmisdadiger en een kolonel-in-spe is soms erg dun in Congo.

De moeizame ontwapening van Karins militie in Ituri is maar één voorbeeld uit de vele. De Monuc heeft ook op andere plaatsen in het oosten alle moeite van de wereld om een punt achter de strijd te zetten. Zo lukt het ze maar niet om alle rebellen van de opstandige en voor misdaden tegen de menselijkheid internationaal geseinde generaal Nkunda, een Congolese Tutsi van de Banyamulengegemeenschap, ertoe te bewegen om de wapens neer te leggen. In Kivu en Katanga blijven Maji Maji milities voortdurend onrust stoken. Half februari heeft het leger, bij gevechten in Noord-Kivu, minstens 47 Rwandezen gedood, rebellen van het FDLR, zoals de erfgenamen van de Interahamwe zich tegenwoordig noemen. Ook zij blijven actief in het oosten van Congo en ondermijnen er de stabiliteit.

Een belangrijke oorzaak van dat falen om de restanten van de oorlog definitief op te ruimen, is de ondermaatse functionering van het leger. Tot en met Bill Swing, het hoofd van de Monuc, maakt zich daar in het openbaar en in de scherpste bewoordingen grote zorgen over, net als de speciale Europese gezant voor de Grote Meren, Aldo Ajello, die het over een gigantisch probleem en zakkenvullers had. De vermenging van Kabilagetrouwe eenheden met militairen afkomstig uit rebellenbewegingen en allerlei gewapende groepen is nooit tot een goed einde gebracht. Hooguit is er sprake van half werk, juister is het om van een flop gewag te maken.

De 19de februari veroordeelt een rechtbank in Bunia, in Ituri, dertien militairen van de 1ste brigade van het Congolese leger tot levenslang. Afgelopen zomer, ergens tussen augustus en oktober, hebben ze zich in Bavi, een dorp ten zuiden van Bunia, schuldig gemaakt aan een slachtpartij, die een stuk of dertig Congolezen het leven gekost heeft. Hun lichamen zijn in een massagraf teruggevonden. De opleiding van de 1ste brigade was het werk van Belgische instructeurs. Als dat het groene hout is …

Oxfam verzoekt de Veiligheidsraad om de blauwhelmen ook na de 15e april – na de verlenging van hun mandaat half februari is dat de nieuwe einddatum van hun verblijf – in Congo te houden. Anders dreigt er chaos, lezen we in het rapport. Ook Amnesty heeft over de werking van het leger recent een uitvoerig gedocumenteerd rapport gepubliceerd. “Tot de hervorming van het leger achter de rug is, beleeft Congo een broze vrede. Het is onwaarschijnlijk dat er voordien een einde komt aan de cyclus van geweld, waarin het land terechtgekomen is. De rechten van de mensen blijven bedreigd”, concludeert Amnesty.

Terug naar Congo

Niet alleen de weerman, ook Belgische politici hebben in de voorbije weken de vorst in de lucht zien hangen, op weg naar Congo. In hoofde van sommige politici van liberale snit, voluntaristischer als nooit tevoren, was de tijd rijp voor een bezoek van Albert II aan de gewezen kolonie, die zijn overgrootoom, Leopold II, België ooit ten geschenke gegeven heeft. Deze keer niet om er asiel aan te vragen, na een smadelijke vlucht uit de puinen van het door Vlaamse parlementsleden opgeblazen koninkrijk, maar om er de nieuwbakken Congolese bewindvoerders een hart onder de riem te steken. Ook wel om ze een beetje de les te spellen, hoe goed ze het wel moeten doen, willen ze rekenen op de in uitzicht gestelde verdubbeling van de ontwikkelingssamenwerking en, wie weet, een hervatting van de particuliere investeringen.

“De idioot”, zei een vertrouwensman van eerste minister Verhofstadt me onder vier ogen. Dat was zijn appreciatie van Minister van Ontwikkelingssamenwerking, De Decker. Door het idee voortijdig in een krant te lanceren, heeft hij het meteen gekelderd. Het was anders wel mooi geweest, zo enkele weken voor de verkiezingen: de koning, Verhofstadt, De Gucht, De Decker en, waarom niet, Reynders, uitvoerig op het scherm, uitbundig verwelkomd door de Congolezen. Van wie er zeker één stiekem hoopt om na de sabel van Boudewijn de wandelstok van zijn broer te bemachtigen. Jolijt en electoraal gewin verzekerd.

Zo’n geweldig plan was het, die koninklijke missie naar Congo, dat een andere liberale excellentie, Van Hengel, het op bezoek in Lubumbashi opnieuw ontvouwt. Uitgerekend de dag nadat zijn partijgenoot De Gucht het in het parlement vakkundig de grond ingeboord heeft. De Gucht gaat wel, alléén, na Pasen.

In Laken heeft Albert II na afloop van die episode in alle intimiteit een glas spumante gedronken. Met een fles Primus in de hand klinken met de Congolezen … de koning drinkt, ’t zal voor een andere keer zijn.

(Uitpers, nr. 84, 8ste jg., maart 2007)

Visited 16 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Guy Poppe

Guy Poppe (73) is journalist. 31 jaar heft hij op het radionieuws gewerkt, tot in 2007. Afrika heeft altijd zijn bijzondere aandacht gekregen.