Geloof in geweld, een actualiteitsanalyse

Met Hans Achterhuis en zijn denkwerk ben je als lezer nooit klaar. Hij trouwens ook niet. Dat heb je nu eenmaal met filosofen, want zij blijven vragen stellen en … vragen achter de vragen. Dat is zeker ook het geval met Hans Achterhuis die tussen 2011 en 2013 de eerste ‘Denker des Vaderlands’ was in Nederland. ‘De behoefte om te denken kan nooit worden gestild door zogenaamd vast omschreven inzichten. Als dat nodig is moet je ingaan tegen de gangbare mening, en ook soms tegen je eigen mening.’ Dat zei Hans Achterhuis tegen de journalist Peter Henk Steenhuis in het zeer toegankelijke boekje ‘Tegendenken’.

Tegen jezelf in (durven) denken. Daarvoor moet je lef hebben, maar ook – en vooral – bescheidenheid en zelfkennis, gekoppeld aan een drive naar steeds meer en beter begrijpen. Daarvoor zijn er filosofische verkenningen nodig en die bestrijken zowat alle terreinen die des mensen zijn. En daar is Hans Achterhuis (°1942) als kritisch theoloog en filosoof al levenslang mee bezig. Zijn werk is zeer verscheiden en uitgebreid, maar toch zijn er vier thema’s die hem als generalistisch denker al heel zijn leven bezighouden, met name ‘arbeid en techniek’, ‘utopie’  en ‘utopisch denken’ (De erfenis van de utopie (1998), Utopie (2006), De utopie van de vrije markt (2010), Koning van Utopia, Nieuw licht op het utopisch denken(2016)),geweld’ (Met alle geweld: Een filosofische zoektocht (2008) De kunst van het vreedzaam vechten (2016)) en ‘religie met Erfenis zonder testament (2015).  

Met dit nieuwe en lijvige boek waaraan hij tijdens corona hard en goed heeft kunnen doorwerken neemt hij drie van die thema’s weer op: voornamelijk dan ‘geweld’ en ‘religie’ – en iets meer op de achtergrond het fenomeen ‘utopie’ – en brengt ze met elkaar in verband. Zo gaat hij voort op zijn filosofische zoektocht, met vallen en weer opstaan – ook een denker moet kunnen toegeven dat hij zich vergist heeft en dat doet Achterhuis wel vaker en in alle deemoed. ‘De kunst van het vreedzaam vechten’ kan worden beschouwd als een voortzetting van ‘Met alle geweld’, dat een erudiete expeditie was naar de bronnen van geweld. ‘Een zoektocht naar de beteugeling van geweld’. Hoe doe je dat? Dankzij welke instituties, praktijken en ideeën is het mogelijk geworden op beschaafdere manieren met elkaar te botsen? ‘Erfenis zonder testament’ dat hij samen met Maarten van Buuren schreef, is dan weer een boeiende queeste naar nieuwe dimensies van de ‘stenen tafelen’ die relevant kunnen zijn voor onze manier van handelen en denken in het hier en nu.

Dubbele gevoelens

In ‘Geloof in geweld’ gaat hij dieper in op religieus en seculier geweld. Daarvoor interpreteert Achterhuis teksten en verhalen uit de Bijbel, de Koran, maar ook uit de lange geschiedenis van het jodendom en het christendom, de islam, het hindoeïsme, boeddhisme, communisme en nazisme. Die bronnen en tekstanalyses ervan zijn voor hem echter slechts aanzetten voor onze hedendaagse vragen en problemen in verband met religieus geweld. Het is zijn betrachting om daarmee een vorm van ‘actualiteitsanalyse’ te  beoefenen, een term die hij ontleent aan Michel Foucault. ‘In mijn boek wil ik als archeoloog de diepliggende, vaak verborgen logica blootleggen die in berichten over de actualiteit een rol spelen.’ (p. 15) Het begrijpen van religieuze structuren uit het verleden zijn belangrijk om het heden te begrijpen, schrijft hij, maar daar beperkt hij zich niet toe. Hij onderzoekt ook de historische evolutie van die religieuze structuren.

Achterhuis hanteert twee zeer brede definities om zijn kernthema’s te benaderen. Voor hem bestaat geweld ‘uit het min of meer intentioneel toebrengen of dreigen toe te brengen van schade aan mensen of voorwerpen’. Wanneer hij over religie spreekt bedoelt hij een voortgaande interpretatie van heilige, vaak als boodschap van god(en) geziene tradities die voor de aanhangers praktijken van handelen met zich meebrengen. ‘Interpretatie’ en ‘praktijken’ staan voor hem centraal in deze definitie.

Achterhuis probeert nu in dit boek een verbinding te maken tussen zijn vorig werk waarin hij seculiere mechanismes achter geweld blootlegde en zijn nieuwe studie om religieus geweld te verklaren. Hij onderscheidt daarin het doel-middelschema, de strijd om erkenning, het wij-zijschema, de mimetische begeerte waarvoor hij verwijst naar René Girard en de spanning tussen moraal en politiek. Naast Girard verwijst hij ook wel vaker naar geliefde filosofen van hem zoals Camus, Ahrendt en Illich.

Belangrijk om benadrukken is dat Achterhuis op verschillende plaatsen in zijn boek dubbele gevoelens uit in verband met religie. Aan de ene kant laat hij zijn gevoelens van dankbaarheid en bewondering blijken voor de christelijke erfenis – zij heeft ook bewaarplaatsen van liefde en compassie opgericht – maar religie heeft ook geleid tot geweld, tot wat Peter Sloterdijk ‘woedebanken’ heeft genoemd. Beide elementen moeten we onder ogen durven zien.

 

Inclusief en exclusief monotheïsme

 

Deze breedvoerige studie van Hans Achterhuis valt uiteen in tien hoofdstukken.  Na een inleiding bespreekt hij in hoofdstuk twee de relatie tussen religie en geweld vóór de opkomst van de grote religies. In de drie hoofdstukken daarna bespreekt hij de monotheïstische religies, met name christendom, islam en jodendom. Het zijn die drie boekgodsdiensten met hun onwrikbaar waarheidsconcept die geleid hebben tot gewelddaden. Het polytheïsme dat verdeeld is tussen verschillende goden die elk hun waarheidsdomein kenden is hier minder toe geneigd. Voor wat het monotheïsme betreft maakt Achterhuis in navolging van de egyptoloog Assman een onderscheid tussen inclusief en exclusief monotheïsme. De exclusieve vorm vraagt, zoals het woord het zegt, een onvoorwaardelijke overgave aan de ene, ware God.  Het inclusieve monotheïsme berust niet op zo’n openbaring, maar op een denkerderwijs geconstrueerde goddelijke macht die schuilgaat achter de vele, verschillende manifestaties in de kosmos van goddelijke krachten.

Het inclusieve monotheïsme is tolerant, de exclusieve variant is vaak extreem gewelddadig naar andersdenkenden. Ook expliciet atheïstische ideologieën als het communisme en het nationaalsocialisme gaan uit van het absolute monotheïstische waarheidsbegrip. Die stelling ontwikkelt Achterhuis in het zeer interessante hoofdstuk 7 dat ‘Seculiere religies’ heet, nadat hij eerst op het hindoeïsme en boeddhisme ingaat die zeker in de afgelopen decennia ook niet vrij te pleiten zijn van mondiale geweldspiralen. Dat is geen onbekend terrein voor Achterhuis want in zijn werken over utopisch denken verwijst hij naar die ‘gelovige’ fellow-travellers die na een kortstondig verblijf vol lof over Stalin en de Sovjet-Unie, maar ook over Mao en communistisch China spraken en schreven. Hij geeft als triest voorbeeld de filmer Joris Ivens, maar ook Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir vinden op dat vlak geen genade in zijn ogen. Zij werden onkritische promotoren van een nieuw regime dat respectievelijk stalinisme en maoïsme heette. Een notoire uitzondering was André Gide die in zijn reisverslag ‘Retour de l’ URSS’  heel kritisch was over zijn verblijf daar. Volgens hem zou Albert Camus, een criticus van het Sovjetregime, die de dood vond in een auto-ongeval te wijten zijn aan sabotage waar de Sovjet-Unie wel eens zou kunnen betrokken geweest zijn.

Met interne kritiek op het Stalinregime werd korte metten gemaakt. Dat ondervond bijvoorbeeld Isaak Babel die in 1939 geëxecuteerd werd. Achterhuis besluit: ‘De nieuwe religie laat even weinig met zich spotten als de oude.’ (p. 245)

Hoofdstuk 8 over ‘Apocalyptiek’ is de neerslag van een lezing die hij in 2014 hield en die uitstekend past in zijn actualiteitsanalyse. Zowel in het jodendom, christendom als islam is er sprake van een beslissende gewelddadige tijdsspanne, die voorafgaat aan het definitieve gelukkige einde der tijden en waaraan steeds een verlosser, een Messias wordt verbonden. Zo was de herinvoering van het kalifaat voor IS bedoeld als een aankondiging van de eindtijd en in 2014 werd Abu Bakr door IS tot kalief uitgeroepen. Bakr beweerde regelrecht af te stammen van de profeet en nam de naam van diens schoonvader aan.

Ook het martelaarschap en de heilige oorlog en het fundamentalisme passen in dat plaatje en worden in de twee laatste hoofdstukken behandeld. Dat biedt hem volop de mogelijkheid om aan actualiteitsanalyse te doen. Achterhuis benadrukt dat niet alleen de traditionele structuren van religies moeten worden bestudeerd: ‘Gaandeweg werd mij ook steeds duidelijker dat die traditionele structuren in de moderniteit vaak grote veranderingen ondergingen en nieuwe vormen van religie voortbrachten.’ (p. 373) En die nieuwe vormen zijn vaak intrinsiek met geweld verbonden. Het oeroude, natuurlijk vaak ongemakkelijke, samenleven van religies wordt verbroken. Vervolgingen van en door christenen, moslims, joden, hindoes en boeddhisten zijn aan de orde van de dag.

Achterhuis wijst niet alleen op dat gevaar, maar ook op de benadering van sommige critici van religie die zich volgens hem al even fundamentalistisch gedragen. Hij heeft het dan met name over critici als Paul Cliteur, Floris Van den Berg, maar ook Dirk Verhofstadt, Johan Braeckman en Maarten Boudry – Achterhuis volgt zeer goed wat er op dat vlak in Vlaanderen  gebeurt – die volgens hem in hun analyses onvoldoende vertrekken vanuit een breed gedragen, historisch begrip van religie.

Eindigen doet Achterhuis met nogmaals zijn ambigue positie ten aanzien van religies te  verwoorden: ‘Dat ‘beste’, dat elk van de religies die ik besprak bezielt, is van programmatische aard. Het gaat om een spirituele en morele opdracht voor de gelovige.’ (p. 438). Maar dan komt het: ‘De worm zit echter van meet af aan in de appel, het religieus geweld is als een geperverteerde mogelijkheid al direct aanwezig. Het geloof wordt dan een  absolute waarheid die met heilige oorlog en martelaarschap verbonden is, de hoop voedt zich met apocalyptische schrikbeelden.’ Zoals je dat van een filosoof mag verwachten voegt Achterhuis hier als eindvraag aan toe: ‘Hoe het beste van de religie hiervan te bevrijden?’

Filosofie en literatuur

 

‘Geloof in geweld’ is op verschillende vlakken een rijk boek. Eigenlijk loopt Achterhuis met dit brede thema rondjes doorheen heel zijn werk en knoopt hij losse of losgelaten eindjes van een denkproces weer aan elkaar vast. De filosoof steekt zichzelf niet weg maar is als ik-persoon die put uit autobiografische gegevens aanwezig om zijn zoeken, met vallen en weer opstaan, in beeld te brengen en daarbij voelt hij zich niet te goed om de eigen vergissingen of overaccentueringen in sommige van zijn benaderingswijzen toe te geven. De mens van vlees en bloed in de filosoof is vrijwel overal aanwezig.

Wie het filosofische werk van Hans Achterhuis kent, weet dat hij vaak voorbeelden uit de literatuur bovenhaalt om zijn stellingen te onderbouwen. Zijn laatste boek gaat over de Zuid-Afrikaanse auteur Coetzee en hij noemt het terecht een ‘filosofisch leesavontuur’. Het is een boeiende ontmoeting geworden tussen een nieuwgierige filosoof en een teruggetrokken auteur. Filosofie ontmoet literatuur en die ontmoeting gaat in beide richtingen. Er bestaat zoiets als ‘de wijsheid’ van de roman. Romanciers weten vaak op een veel genuanceerder manier de complexiteit en de veelstemmigheid van een wereld onder woorden te brengen. Daarvan is Achterhuis zich bewust want ook in ‘Geloof in geweld’ maakt hij uitvoerig gebruik van literaire bronnen. Ik noem maar enkele namen die de revue passeren:  Coetzee, Guus Kuijer, Laurent Binet, Kader Abdolah, Arundathi Roy, Isaak Babel, Grossman, Arthur Koestler, Svetlana Alexijevitsj, Marguerite Yourcenar, V.S. Naipaul, Houellebecq, Margaret Atwood, Thomas Mann. Al die auteurs en Achterhuis’ verwijzingen naar hun werk en de tekstanalyse ervan krijgt de lezer als toemaatje mee. Zo knoopt de generalist filosofie, theologie en literatuur aan elkaar in zijn poging om als archeoloog – ik neem de beeldspraak van Achterhuis over – de diepliggende, vaak verborgen logica te duiden van onheilsberichten die ons dagelijks overvallen. Dat heet dan ‘actualiteitsanalyse’ en daarin betoont Hans Achterhuis zich een meester. ‘Geloof in geweld’, strak maar mooi sober uitgegeven door Lemniscaat, is een kanjer van een boek die je als lezer weghaalt uit de waan van de dag. Neem de tijd om op een ouderwetse manier en met potlood in de aanslag 472 bladzijden van de nieuwe Achterhuis te lezen. Je kunt er alleen maar rijker van worden.

 

Geloof in geweld
Hans Achterhuis
Lemniscaat, Rotterdam
2021
472 blz.
9789047713401
(Visited 142 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).