Geert Mak over "De goede stad" en andere essays

Geert Mak, De goede stad, Atlas, Amsterdam, 2007, 256 blz,. ISBN 978-450-0025-1

In de periode dat de Nederlandse journalist en historicus Geert Mak zijn grotere werken schreef – voornamelijk dan het niet genoeg te prijzen “Hoe God verdween uit Jorwerd” (1996), maar ook “De eeuw van mijn vader” (1999) en zeker “In Europa” (2000) – had hij blijkbaar ook nog tijd over om een aantal boeiende essays te schrijven. Veertien ervan, geschreven tussen 1995 en 2007 werden gebundeld in “De goede stad”. Wat hij schrijft is niet pedant savant, vindt, maar gewoon wijs.

Visie

De meeste teksten zijn de schriftelijke weergave van lezingen en voordrachten die Mak in die periode hield, maar die voor dit boek werden geactualiseerd en soms uitgebreid.

“De goede stad”, een van de vier essays over het fenomeen ‘stad’ in deze bundel, was Maks inaugurale rede in 2001 bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap voor grootstedelijke vraagstukken en Amsterdam in het bijzonder. Het is bekend dat het fenomeen stad Mak al lang bezig houdt. “De engel van Amsterdam” (1992 ), “Een kleine geschiedenis van Amsterdam” (1995) en “Het stadpaleis” (1997) zijn maar enkele voorbeelden van werken waarin de Noord-Nederlander van origine de stad waarin hij al jaren woont aan historische spitoefeningen onderwerpt.

Met dit thema zit de historische omkijker Mak andermaal op een visionaire manier naar de nabije toekomst te kijken. Eén van de sterke zijde van deze auteur is zijn feeling voor de keuze van scharniermomenten en scharnierplaatsen (zie “De brug” (2007) waar zich onder onze blinde ogen die al te vastgespijkerd zitten op het heden belangrijke maatschappelijke veranderingen afspelen. Mak ziet niet alleen de volledige Randstad uitgroeien tot één van de nieuwe West-Europese metropolen, maar ook zouden de havens van Amsterdam, Rotterdam, en misschien zelfs Antwerpen, wel eens één havensysteem van hetzelfde metropolitane gebied kunnen worden. Nadenken over ‘de goede stad’ is voor hem het schoolvoorbeeld van een nimmer te realiseren utopie. Met instemming citeert hij Italo Calvino: “Met steden is het als met dromen: al het voorstelbare kan gedroomd worden, maar zelfs de meest onverwachte droom is een rebus die een verlangen verbergt, of de tegenkant daarvan, de angst.” (p. 43)

Waardensystemen

Mak maakt in zijn essays niet alleen literaire, maar ook historische en stedenbouwkundige excursies. Hij verwijst in het titelessay “De goede stad” (over steden en de ideale wereld) naar de drie waardensystemen die de Amerikaanse stedenbouwkundige Kevin Lynch onderscheidt rond het begrip ‘goede stad’ en past die toe op stedenbouwkundige ontwikkelingen in Amsterdam. Het kosmische waardensysteem, zoals in middeleeuwse kathedraalsteden rond het religieuze centrum, staat in schril contrast met het praktische waardensysteem waarin de goede stad een puur functionele stad was. De Amsterdamse Bijlmer had naar het model van Le Corbusier zulke anti-stedelijke stad moeten worden, maar deze landelijke hemel – de gerealiseerde utopie van de verworpenen der aarde – werd eerder het Waterloo van deze visie. Als derde waardensysteem onderscheidt Lynch het organische denkmodel dat – dixit Mak – helemaal past bij wat hij de dubbelzinnige mentaliteit van de jaren zestig en zeventig noemt: individualistisch, narcistisch zelfs, maar tegelijk zoekend naar vooruitgang op sociaal gebied en naar nieuwe vormen van collectiviteit.

De Amsterdamse Nieuwmarkt nieuwe stijl is volgens Mak gebaseerd op dit diepe en soms ook nostalgische verlangen naar een herstel van oude sociale verbanden. In “Ons fatsoen als natie” waarin hij het o.a. over monumentenzorg heeft, benadrukt Mak dat nostalgie geen vies woord hoeft te zijn. “In wezen is nostalgie een vorm van rebellie tegen een moderne tijd die vervuld is van al te blind geloof in alles van waarde die in het modernisering verloren zijn gegaan.” (p. 60) En zeer mooi voegt hij eraan toe: “Het is een terechte rouw over al die dingen van waarde die in het proces van modernisering verloren zijn gegaan. Nostalgie heeft duidelijk een politiek, utopisch dimensie, al is die vooral gericht op het verleden.” (p.60)

Hete hangijzers

Het grootste gedeelte van deze bundel gaat echter niet over “De goede stad” maar over maatschappelijke hete hangijzers waarover Mak meer dan zijn zegje weet te doen. In “Zeven slechte dagen voor de waarheid” schrijft hij op 12 mei 2002 (na de moord op Pim Fortuyn en net voor de verkiezingsoverwinning van de LPF):”Er is een potentieel losgemaakt dat door intellectuelen, liberalen, links-radicalen en sociaal-democraten is genegeerd: de narrige taxichauffeurs, de verarmde bejaarden, de huismoeders die klem zitten in een rotbuurt, de 20 à 30 procent van de Nederlanders die je zou kunnen bestempelen als reactionair, verbitterd of gewoon in de steek gelaten.” (p. 141) Dit thema werkt hij nadien verder uit in het controversiële pamflet “Gedoemd tot kwetsbaarheid” (2005):

Het enige reisverhaal in de bundel dat hij op vraag van De Groene Amsterdammer schreef, heet “Dark age ahead”. Het is een reportage van een reis door de VS vóór de verkiezingen van 2004 waarin niet alleen een ongenadig beeld wordt geschetst van George Bush maar ook van het America profunda in de troosteloze binnenlanden waar hij o.m. praat met de Amerikaanse jan modaal die lijdt aan overgewicht en voor Bush stemt “omdat hij mijn normen deelt en zich sterk maakte tegen het terrorisme”.

In “Het taboe van de waarheid” (over de dingen waarover Nederland niet praat) laat hij geen spaander heel van de dominante tendensen in de mediawereld. Volgens hem heeft het medium van het gesproken woord, de radio, al lang gecapituleerd voor de cultuur van wat hij het impulsieve denken noemt. “Programma’s van wat langere adem worden naar de zijlijn geschoven, het ‘format’ eist tempo en snelheid, de meest complexe zaken worden gesimplificeerd tot itempjes van negentig seconden, de wereld wordt samengevat tot een half uur. En alles wat ingewikkeld is, alles wat meer dan een centimeter diep steekt, alles wat tijd en geduld nodig heeft, dat alles wordt meer en meer verbannen naar de stille hoeken van de programmering, naar de reservaten van onze tolerantie.” (p. 210)

In “De mercator sapiens” heeft Mak het over de vertrouwenssamenleving. Ook nu weer maakt de auteur grote sprongen. Van de 17de-eeuwse erudiete koopman Casparus Barlaeus springt hij over naar Francis Fukuyama en zijn boek Trust waarin deze Amerikaanse sociale wetenschapper een onderscheid maakt tussen de high-trust en low-trust society. De belangrijkste basisregel voor het wijze koopmanschap luidt in Barlaeus’ ogen: dat wat nuttig schijnt, mag niet oneerlijk zijn, en dat wat oneerlijk is, mag niet nuttig schijnen. Deze stelregel wordt in de huidige low-trust society volledig met de voeten getreden. En passant verwijst hij naar het onethisch gedrag van schromelijk overbetaalde managers die door hun new boys’ network van job naar job zweven. Wie heeft daar vertrouwen in? “Vertrouwen is een wisselwerking. Van beneden naar boven, maar net zo goed van boven naar beneden. Wie durft te vertrouwen, verwerft gezag. Wie gezag heeft, krijgt vertrouwen. De wereld is gecompliceerd, maar dit soort zaken blijft vrij simpel.” (p. 172)

Helemaal op zijn best is Geert Mak als hij naar aanleiding van een historisch voorbeeld een aantal beschouwingen brengt die veel verder reikt dan zijn geschiedkundig vertrekpunt. Geschiedenis is voor hem een begin, nooit een eindpunt van zijn denken rond maatschappelijk relevante thema’s. Dat bewijst hij nogmaals meesterlijk in het voorlaatste essay “De stille kracht van de weduwe Pels” waarin hij de rijkste Amsterdamse koopmansweduwe uit de 18de eeuw ten tonele voert om uiteindelijk te eindigen met beschouwingen rond de popularisering van de buitenlandse politiek. Datzelfde procédé past hij ook toe in zijn afscheidscollege aan de Universiteit van Amsterdam waarin hij het heeft over de smarten van ene Coenraad van Beuningen, die in de 17de eeuw zes keer burgemeester van Amsterdam was, maar die op het einde van zijn leven psychisch doorsloeg. Mak heeft het even over die geflipte burgemeester die in een overgangssituatie leefde – het einde van de Hollandse Gouden Eeuw – om aan te tonen dat wij nu, meer dan driehonderd jaar later, weer geconfronteerd worden met een gecompliceerde overgangssituatie en dan komt de historicus en maatschappijcriticus aan het woord die in enkele ruime pennentrekken de pijnlijke scharniersituaties schetst waarin Nederland en West-Europa verzeild zijn geraakt.

Historicus én journalist

Mak is geen geleerde historicus van het saaie type. Hij is, zoals in zijn “Ooggetuigen van de vaderlandse geschiedenis” (2001), voortdurend op reportage in de geschiedenis op zoek naar fragmenten uit brieven, dagboeken, reisverslagen en krantenartikelen die een personal human touch toevoegen aan een epoque. Léon Hansen, de biograaf van de Nederlandse historicus Johan Huizinga, schreef mooie bladzijden over het verlangen van iedereen die zich met historie bezighoudt: “Contact krijgen met het verleden, erin overgaan en ermee samensmelten, al is het maar voor de beperkte duur dat men een oude penning in de hand houdt, door de ruïnes van een middeleeuws kasteel stapt, of naar een lied van Schuman luistert en een déjà-vu-ervaring meemaakt waardoor men zich voelt teruggevoerd naar een plaats en een tijd die herkenbaar zijn, maar waar men nooit was.” (p. 67) Dat kan Mak als niet één, niet alleen omdat hij een academisch gevormde geschiedkundige is, maar vooral ook en vooral omdat hij een zeer getalenteerd journalist is met een bij momenten literaire pen. Wat hij schrijft is niet pedant savant, maar gewoon wijs. Journalist én historicus én veel talent op beide terreinen. Dat had iemand als de Poolse journalist én historicus Ryszard Kapuscinski, dat heeft ook Geert Mak. Kapuscinski was de journalistieke chroniqueur van de ontvoogdingsstrijd van de Derde wereld. Door zijn laatste werken heeft Mak zich naar mijn gevoel opgeworpen als de chroniqueur van ingrijpende veranderingsprocessen in het Nederland en Europa van de Eerste Wereld. Deze bundel past perfect in dat langere verhaal waaraan Mak voortdurend nieuwe hoofdstukken toevoegt.

(Uitpers, nr. 93, 9de jg., januari 2008)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=485186&refsource=uitpers

Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).