Bij de Slag van Mohács in 1526 tegen de Turkse invasie van Hongarije was koning Lodewijk II zo voortvarend dat hij met open ogen in een schijnbare terugtrekking van de Ottomanen van Soeleiman I liep. Die hadden wat verder hun artillerie opgesteld, en hun cavalerie opgesplitst langs de zijflanken. Het bekwam de Hongaren slecht. Liefst 20.000 bleven dood op het slagveld achter tegen 1.400 Turken. Onder de doden, de koning zelf. Het eens zo gevreesde Hongarije werd vijf jaar later schaamteloos opgedeeld in drie stukken: een rompstaat voor het de Oostenrijkse Habsburgers, het centrum rond Boeda(-Pest) voor Turkije, en het schijnbaar onafhankelijke Zevenburgen dat hooguit een vazalstaat werd van Istanboel. Het zou bijna tweehonderd jaar duren vooraleer de laatste moslim verdreven werd. In de tussentijd, het dient gezegd, wisten de Hongaren, anders dan vele Albanezen en Serviërs, koppig hun christelijk geloof te bewaren.
Uitdager
De recente verkiezingen in Hongarije verliepen vrijwel langs eenzelfde stramien. De protestantse sterke man van Fidesz, Viktor Orbán, maakte zich op om alle oppositie voorgoed op te ruimen, en een nieuw diepgelovig conservatief eenheidsdenken op te leggen. Vage voortekenen van weerstand tegen de “illiberale democratie” – zoals alle peilingen het voorbije jaar aangaven – legde hij naast zich neer. Even blind als Lodewijk II stormde hij met heel zijn wapenarsenaal vooruit. Niet meer met kanonnen en karabijnen, maar met de wapens van vandaag: de media, AI, nepnieuws en het internet.
Hij zag voor zich maar één tegenstander, een oud-partijgenoot die de zwakte van de stormram begreep, en zich strategisch superieur toonde: de 45-jarige Peter Magyar. Voormalig diplomaat in Brussel, directeur bij het Centrum voor Studentenleningen en bij de Hongaarse Ontwikkelingsbank, leek Magyar gedoemd om in de schaduw van zijn toenmalige vrouw te blijven leven. Judith Varga was een brijante rechtenstudente die al snel raadsvrouw werd voor de Europese parlementsleden van Fidesz, daarna minister van staat (in het kabinet van de eerste minister, Orbán dus) voor de betrekkingen van Boedapest met de Europese Unie, en geen jaar later in 2019 haar benoeming kreeg als minister van justitie. Ze werd evenwel gedwongen ontslag te nemen toen president Katalin Novák een onderdirecteur van een weeshuis gratie verleende na aanklachten van kindermisbruik, en zij mee ondertekende. Datzelfde jaar, in 2023, scheidde ze van Magyar.
Die zag zijn kans schoon om zijn eigen ambities te verwezenlijken: de oprichting van een eigen behoudsgezinde partij, Tisza (naar de stroom die door Hongarije stroomt, en de afkorting is van Respect en Vrijheid). Magyar zag wél de verzwakking die Fidesz onderging door steeds grotere corruptie én een rampzalig economisch beleid. Hij zag in dat bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2019 de overwinning van de oppositie in de hoofdstad een teken aan de wand was, zeker toen hij merkte hoe de nieuwe socialistische burgemeester Gergely Karácsony terecht de drooglegging van de stadsfinanciën en zijn eigen vervolging door de Fideszpartij ervoer als de gewone tactiek van de macht.
Nepnieuws
Magyar kreeg er in deze kiescampagne zelf mee te maken. Fidesz verspreidde het bericht dat er een seksvideo bestond van hem in bed met een vriendin. Het ketste op hem af. “Ik ben een gezonde, gescheiden man”, zei hij. De film is nooit opgedoken. Evenmin als de zogenaamde memoires van Judith Varga, 16 Évig Azörnyeteggel (Zestien jaar met het Monster. De Bekentenissen van Péter Magyars Ex-Vrouw), waarin Magyar beticht wordt van alcohol- en cocaïneverslaving, masturbatie voor de ogen van zijn kinderen, wreedheid door een puppy in microgolfoven te stoppen, mishandeling van zijn vrouw, en handel met voorkennis. Het boek bestaat gewoon niet.
Het “draagt de vingerafdrukken van de Russische desinformatiegroep Storm-1516. Het verhaal verscheen voor het eerst op een Hongaarse nieuwswebsite die pas twee dagen voordien geregistreerd was” (Rien Emmery in Knack, 14 april 2026). Het redactiecontact “verwees naar de intro van de Amerikaanse politieserie Law And Order”. Overdaad schaadt. Ook voor Fidesz.
Maar het was vooral Magyars besef dat de uitzichtloze ontwikkeling in vertoog én daad naar een éénpartij-autocratie nu al tekenen van verstarring vertoonde. De lakmoesproef deed zich onmiddellijk voor: de Europese verkiezingen van 2024. Magyars partij bestond maar een jaar, en was volgestouwd met politiek onervaren kandidaten. Tot ieders verrassing haalde ze meteen 30 % van de stemmen en 7 van de 21 Hongaarse zetels in het Parlement (onder wie Magyar zelf). Iedereen staarde zich evenwel blind op de rol van Fidesz. Die partij bleef steken op 11 zetels en 45 %, maar dat verdween in het niets bij een meesterzet van Orbán. Hij slaagde er in een “Patriottische” fractie op de been te brengen die de liberalen als derde grootste verdrong met 84 zetels op 720. Magyar paste onmiddellijk een andere stijl en een andere inhoud aan voor de verkiezingen in eigen land. Hij reisde het hele platteland af: “Hunderte Auftritte hat Magyar absolviert, nicht nur in der Hauptstadt Budapest, sondern auf dem flachen Land, in Kleinstädtenwie Törökszentmiklós, wo seine Leute an einem Mittwoch im März eine Bühne aufgebaut haben. Es sind etwa 1.000 Menschen gekommen. Das ist viel für einen Werktag” (Der Spiegel, 10 april 2026: 57, nr. 16).
Magyar begreep maar al te goed dat voortschrijdend radicaal nationalisme tot isolering moest leiden, eerder hadden Polen, Joegoslavië en Albanië dat ondervonden. Maar meer nog dan verblekend communisme was de oligarchie debet aan de zelfafsluiting, zeker in een land waar nu al 80 % van de media in handen zijn van Orbángetrouwen en “ruim 14 % van alle overheidscontracten naar 13 vertrouwelingen van Orbán ging, goed voor 28 miljard euro” (Knack, 8 april 2026: 76), met voorop zijn jeugdvriend en loodgieter Lörinc Mészáros, vandaag hoofd van een industriegroep die één van de grootste private werkgevers is.
Afgezien daarvan heeft Orbán geregeld Europese subsidies afgeleid naar eigen belangen, vooral in de landbouwsector. Dat ging van kwaad naar erger: “During his four consecutive terms, Orbán asserted party control of the state, business and civil society through formal institutions and a web of connections dubbed the ‘System of National Cooperation’ – which Magyar has pledged to dismantle” (Financial Times, 14 april 2026).
Zware opdracht
Dat wordt een Sisyfusopdracht. Want de verwevenheid van partij en staatsbelang is zo nauw dat ze moeilijk te ontwarren valt, net zoals in de communistische tijd onder János Kádár gebeurde na de Hongaarse opstand tegen de Sovjetinval (1956) en de terechtstelling van premier Imre Nagy die uit het Warschaupact wou stappen en de militaire verzetsbevelhebber Pál Maléter (1958). Dat vooral jongeren na Magyars zege “Russen buiten!” scandeerden betekende zowel een afkeuring van Orbáns (zakelijk) geflirt met Poetin als een hernieuwde vrijheidsdrang zoals in 1956 (reden waarom ook de Polen onmiddellijk Magyar prezen, want ook zij waren de bloedige onderdrukking van het arbeidersverzet met tanks en geschut in Poznan datzelfde jaar niet vergeten). De jongeren zijn dan ook het minst in de watten gelegd door de overheid de voorbije zestien jaar.
Dat komt omdat de politieke keuzes van Orbán een grondige ommezwaai hebben gemaakt tegenover de Europese Unie en de verhouding met Rusland. Oorspronkelijk had Hongarije zich aangesloten bij de liberale fractie in het Europees Parlement (2004), om na enkele jaren op te schuiven naar de Europese Volkspartij (centrum, christendemokratie), tot ze ook daar werd buitengewerkt . In een doorwrochte analyse van het Fidesz-bewind weet politiek economist Gábor Scheirling die verschuiving aan de crisis van de vrijemarkteconomie: “Het liberale model van de jaren negentig slaagde er niet in Hongarije op een duurzame convergentiekoers te zetten: het bracht de economie van het land in een middeninkomensvalkuil, gekenmerkt door trage loonstijging en een gebrek aan binnenlandse innovatiecapaciteit” (‘De Uitputting van het Orbánisme’, Új Egyenlöség, november 2025, nr. 14). Politiek vertaald komt dat neer op een nefaste overstap: “In plaats van soevereiniteit is er afhankelijkheid, en in plaats van inhalen stagnatie”. Fidesz maakte het zo bont dat er jarenlang in de EVP geijverd werd om ze uit te sluiten. Dat resulteerde in een vernietigend rapport door de Nederlandse Judith Sargentini (Groen Links) dat op 12 september 2018 met een ruime tweederde meerderheid in het Parlement werd goedgekeurd.
Die veroordeling was de voorbode van een gekonkel door Orbán om zelf niet op te stappen. “Hongarije wordt veroordeeld omdat de Hongaren hebben beslist dat we geen land van inwijkelingen mogen worden”, foeterde hij. Sargentini hield voet bij stuk: “Daarover gaat het niet, wel over de rechten van Hongaren. Zij hebben geen vrije media meer, ze worden niet meer gelijk behandeld voor de wet. Viktor Orbán, zijn familie en zijn vrienden vullen hun zakken met subsidiegeld uit Europa. Dat geld is bedoeld voor mensen in zijn land”. Een jaar eerder hadden Esther de Lange en Ivo Belet in De Kloof (Tielt, 2017) al gewezen op de onhoudbaarheid van weigering om de waarden van de Unie te onderschrijven. Het zou tot 2021 duren vooraleer de EVP ertoe besloot (met 146 stemmen op 180) om de hele partij Fidesz, 12 verkozenen, – op initiatief trouwens van de Vlaamse en Finse leden – uit de fractie te zetten. Vroeger kon dat alleen persoonlijk voor een onwillig lid.
Oekraïne
Migratie zou een permanent breekpunt zijn in de houding van Orbán. Meer en meer schoof hij op naar uiterst rechtse standpunten, waarbij de oorlog in Oekraïne het volgende ijkpunt werd. Tot vandaag heeft hij geweigerd de 90 miljard hulpfondsen aan Oekraïne te deblokkeren. Nochtans had hij die hulp zelf mee goedgekeurd in Brussel. Voor hem spelen zowel politieke als financiële redenen. Het is een wederdienst aan Rusland dat in ruil Hongarije en Slovakije blijft voorzien van Russisch gas en olie (wat de EU overigens niet eens oogluikend toestaat).
Maar tegelijk speelt Boedapest dubbel spel. Oekraïne is de gebeten hond, voor Orbán heeft Kiiv de Doezjba pijplijn gesaboteerd, en dus heeft Orbán het 20ste pakket strafmaatregelen tegen Rusland tegengehouden. Ook al is er onlangs gebleken dat gevoelige informatie uit Europees overleg rechtstreeks aan Moskou is doorgespeeld, wat het verwijt van Magyar nog geloofwaardiger maakt als hij zegt dat zijn land zich afhankelijk heeft gemaakt van Moskou.
En gevoeligst van al, het geld. Orbán heeft het hele land overstelpt met premies en tegemoetkomingen, want wiens brood met eet … Daar heeft hij een ideologische achtergrond voor bedacht: christelijk conservatisme, in zeden en vaderlandsliefde. Terwijl hij en zijn handlangers miljarden euro’s scheppen, is Hongarije de enige Europese lidstaat die nominaal het basisloon heeft verlaagd. En dat compenseert met gerichte subsidies. De oppositie neemt dat op de korrel, “it stresses how Fidesz has emptied Hungarians’ wallets. Interest rates are high; the economy grew by just 0,4 % last year (nearby Poland managed 3,6 %)” (The Economist, 4 april 2026). De inflatie neemt te traag af. Geen wonder dat de markten Magyars overwinning toejuichten: “De forint klom 2 % tegenover de €, de beurs van Boiedapest steeg 5,3 %, en de Hongaarse rente zakte van 6,6 naar 6,1 %” (Peter Virovacz in De Standaard, 14 april 2026).
Dat is ten minste één duwtje in de rug voor de regering Magyar. Net zoals de wil om het “cliëntistisch apparaat dat zijn tentakels over de hele samenleving heeft verspreid” volledig te demonteren (Ruud Goossens in De Standaard, 14 april 2026). Want Magyar staat voor een hemelhoge opdracht. Orbán heeft immers vooral de zwaksten aan zich gebonden, met geld en leugens. En zij beseffen dat: “Mensen zeggen dat Fidesz hun hele leven beheerste, of het nu gaat om de scholen, de zorg, de economie, de media of financiële dienstverlening (…). Niet alleen de grondwet zelf was aangepast, maar ook het kiesstelsel, de kerkwet, gevolgd door gemiddeld één grondwetsamendement per jaar” (Mariette van der Tol, De Morgen, 14 april 2026).
De hulp aan zwakkeren zoals de Roma (gewaarborgd minimum maar in armoede) of de vrouwen, de boeren en de diaspora (die gratis een Hongaars paspoort kregen en culturele ondersteuning), viel niettemin vaak genoeg op een koude steen. Zo is de hele campagne om vrouwen aan te zetten tot meer kinderen (net als in Nazi-Duitsland of China na de één kind politiek), een slag in het water gebleken. Wie drie kinderen had moest geen belasting meer betalen (daar heeft Magyars ex-vrouw allicht niet bij stilgestaan), kreeg ruimere schoolfaciliteiten en renteloze leningen. Maar de haring braadde niet, ook al besteedde Boedapest liefst 5,5 % van het BBP aan steun voor kinderen. The Economist heeft het becijferd: toen Orbán aantrad in 2010 had een gezin 1,25 % nageslacht. De bevolking van Hongarije kromp, van 10,5 miljoen naar 9,5. In 2021 waren er meer babies, 1,61 %. Nog te weinig om de bevolking op peil te houden (2,1 %). Operatie mislukt na het nationale trauma van voor WO I toen “Hungarians worried that emigration would leave them facing nemzethalal (national extinction [of omvolking]) among more numerous Slavs and Germans” (21 maart 2026). Inwijking dan gaan inperken tot tijdelijke gastarbeiders lijkt daar mee verantwoordelijk voor.
Het laat Magyar allemaal achter met een titanenopdracht. Zijn intenties lijken goed, ook al blijft hij bij de afwijzing van vluchtelingen en van bijdragen voor Oekraïne. Maar zijn prioriteiten zijn bekend: koerswijziging richting Europa, als betrouwbare lidstaat; hervorming van de media; democratisering van gerecht en verkiezingen; wijziging van de economische koers; en vooral: herstel van het vertrouwen in de gestelde lichamen, leraars en de politie. Beide hadden al opslag gekregen. Daarop is hij af te rekenen. De 20 miljard euro die de EU had bevroren kunnen een forse injectie geven aan zijn plannen. Maar een snelle wijziging is niet aan de orde. Hij wil namelijk binnen de grenzen van de rechtsstaat blijven. Dat betekent inspraak van de bevolking, geen misbruik van zijn tweederde meerderheid in het parlement (die Orbán misbruikte om in ijltempo de grondwet aan te passen), en uitroeiing van de corruptie.
Het wordt een moeizame beklimming: hij wil dat de president, de voorzitter van het Hooggerechtshof, topverdieners als Lörinck Mészáros, en een reeks ministers de eer aan zichzelf houden, en een stap achteruit zetten. Geen enkele aangezochte heeft geantwoord. Orbán heeft hem wel gelukgewenst. Maar denkt er niet aan zijn oogkleppen open te trekken.

