Maandag 27 april is de elfde herzieningsconferentie van het Non-proliferatieverdrag van start gegaan, waarvan het einde voorzien is op 22 mei. De turbulente geopolitieke situatie, oorlogen in Oekraïne en het Midden-Oosten, rivaliteiten tussen grootmachten leggen niet alleen een hypotheek op een gunstige uitkomst, maar op het voortbestaan van het verdrag zelf.
Het Non-proliferatieverdrag (NPV) kwam in 1968 tot stand op initiatief van de Verenigde Staten uit vrees dat het aantal kernwapenstaten zou toenemen, wat het concept van de nucleaire afschrikking kon ondergraven. Zonder afspraken over de verspreiding van kernwapens zou het risico op vergissingen, ongevallen of de nucleaire escalatie kunnen toenemen, zo luidde de redenering. Het NPV berust op drie onderling verbonden pijlers. De niet-kernwapenstaten engageerden zich ertoe om geen kernwapens te ontwikkelen of te verwerven. In ruil beloofden de kernwapenstaten om te goeder trouw te onderhandelen om de nucleaire wapenwedloop te stoppen en te werken aan ontwapening om uiteindelijk te komen tot algemene en volledige nucleaire ontwapening.
Turbulente geopolitieke ontwikkelingen en de onwil om werk te maken van kernontwapening leggen vandaag een hypotheek op de toekomst van het Non-proliferatieverdrag. Het verdrag had na zijn inwerkingtreding in 1970 een beperkte duur van 25 jaar. Op de herzieningsconferentie van 1995 werd beslist om het verdrag te verlengen voor onbepaalde tijd en om de vijf jaar herzieningsconferenties te houden. In 2000 werd een slotdocument goedgekeurd met dertien “praktische maatregelen voor systematische en geleidelijke inspanningen” om de ontwapeningsbepalingen van het NPV uit te voeren. Een van die dertien stappen was de herbevestiging dat het “uiteindelijke doel van de inspanningen van de staten in het ontwapeningsproces algemene en volledige ontwapening onder doeltreffend internationaal toezicht is”.
Maar daar is sindsdien niet veel van te merken. Integendeel, de onenigheid tussen de kernwapenmachten onderling en ook met de niet-kernwapenstaten nam toe. Sinds 2010 slaagden de herzieningsconferenties er niet meer in om een slotverklaring te produceren. De vooruitzichten zijn ook voor deze elfde editie niet gunstig. Het Voorbereidende Comité (PrepCom) slaagde er deze keer zelfs niet in om -zoals gewoonlijk- aanbevelingen te formuleren in het finale rapport voor de aanvang van de herzieningsconferentie.
De herzieningsconferentie vindt plaats in een tijd van internationale turbulentie. Er is de strategische competitie tussen grootmachten die gepaard gaat met een wapenwedloop en de afbouw van het eertijds moeizaam bekomen ontwapeningsregime, er zijn de aanslepende oorlogen in Europa en het Midden-Oosten waarbij kernwapenmachten zijn betrokken, er is het conflict rond de nucleaire toekomst van Iran, … En dit speelt zich allemaal af binnen kader van algemene ondermijning van het internationaal rechtssysteem.
We overlopen even de belangrijkste problemen.
De wapenwedloop
Het Zweeds Vredesonderzoeksinstituut SIPRI heeft zopas bekendgemaakt dat de wereldwijde militaire uitgaven voor de elfde keer op rij zijn gestegen tot bijna 2.900 miljard dollar. Het geld gaat niet alleen naar conventionele wapens, maar ook naar de modernisering en de uitbreiding van de kernwapenarsenalen van de negen kernwapenstaten. Ook die gaan jaar na jaar de hoogte in en bedroegen volgens ICAN rond de 100 miljard dollar (in 2024) – een stijging met 32% in vijf jaar tijd. Dat wijst erop dat de kernwapenstaten na meer dan een halve eeuw het tegendeel doen van waartoe ze zich engageerden in het NPV. Werk maken van nucleaire ontwapening was nochtans de afruil met de niet-kernwapenstaten die geen kernwapens zouden verwerven. Het uitblijven van de ontwapeningsverplichting dreigt zo het non-proliferatieregime uit te hollen.
Modernisering en expansie van de kernwapenarsenalen
De laatste twee decennia hebben de kernwapenstaten hun nucleaire capaciteiten -in weerwil van het Non-proliferatieverdrag- voortdurend verbeterd door verouderde systemen te vervangen en nieuwe draagsystemen te ontwikkelen. De jongste jaren zijn China, het Verenigd Koninkrijk, India en Frankrijk ook gestart met de uitbreiding van hun arsenalen. De Britse regering besliste in juni 2025 bovendien om toe te treden tot de nucleaire taakverdeling in NAVO-verband. Dat betekent dat het Verenigd Koninkrijk voortaan ook vooruitgeschoven B61-12 kernbomen van de VS ontplooit, net zoals België, Duitsland, Italië, Nederland en Turkije reeds deden.
Op 2 maart 2026 kondigde de Franse president Macron vanop Île Longue -de Bretoense thuisbasis van de Franse vloot nucleaire onderzeeërs- een uitbreiding van het Franse kernwapenarsenaal aan. Bovendien verklaarde hij dat Frankrijk voortaan nucleair zou samenwerken met acht Europese bondgenoten: het VK, Duitsland, Polen, Nederland, België, Griekenland, Zweden en Denemarken. Gezamenlijke besluitvorming over het gebruik van de kernwapens is daarbij uitdrukkelijk uitgesloten, zo luidde het, maar Franse “strategische middelen” -een verwijzing naar de Rafale-straaljagers met nucleaire capaciteit- konden wel in andere Europese landen worden ingezet. Daarmee lanceert Macron de langverwachte Europese nucleaire paraplu als reactie op de groeiende onzekerheid over de bereidheid van de regering Trump om de nucleaire afschrikking in Europa te garanderen.
Het verschil tussen woord en daad
Frankrijk meldde nochtans in zijn NPV-rapport van 2025 (dat kernwapenstaten geregeld moeten opstellen om te briefen over initiatieven rond kernontwapening) dat het niet meedoet aan een wapenwedloop en “kosten noch moeite spaart om een dergelijke wedloop te voorkomen en de strategische stabiliteit te verbeteren”. In zijn toespraak van 2 maart 2026 waarin hij aankondigde het aantal kernkoppen uit te breiden, gebruikte Macron echter gespierde taal die de vloer aanveegt met het NPV: “Om vrij te zijn, moeten we gevreesd worden, en om gevreesd te zijn, moeten we machtig zijn”. Dat staat veraf van de Franse verklaring op de NPV-herzieningsconferentie van 2015 dat nucleaire ontwapening een “dagelijkse realiteit” is.
De cijfers vertellen al jaren een ander verhaal. In 2014-2019 werd 23,3 miljard euro uitgetrokken voor nucleaire afschrikking. In de periode daarna was dat al 37 miljard euro en voor 2024-2030 is 53,7 miljard euro voorzien – meer dan een verdubbeling in een decennium tijd.
Die spreidstand tussen woord en realiteit speelt zich ook af binnen de NAVO. Ter gelegenheid van de start van de elfde herzieningsconferentie van het NPV bracht de NAVO een verklaring uit waarin de bondgenoten hun “sterke toewijding aan de volledige uitvoering van het Non-proliferatieverdrag benadrukken”, om in dezelfde verklaring te stellen dat de NAVO een nucleaire alliantie blijft zolang er kernwapens bestaan. De bewering dat de NAVO-bondgenoten toegewijd zijn aan wapenbeheersing en ontwapening met een “focus op transparantie” staat veraf van de werkelijkheid. De kernwapenstaten van de NAVO hebben peperdure moderniseringsprogramma’s lopen en de transparantie is volledig zoek. De aanwezigheid van kernwapens van de VS in België wordt bijvoorbeeld al decennia “bevestigd, noch ontkend”, en Frankrijk heeft verklaard dat het niet langer meer communiceert over het aantal kernwapens in zijn arsenaal. Bovendien ligt ook het hele kernontwapeningsregime aan diggelen waardoor de weg openligt voor een nieuwe kernwapenwedloop.
De ontmanteling van het ontwapeningsregime
In februari van dit jaar verviel New START, het laatste nog bestaande bilateraal verdrag (gesloten in 2011) van de VS en Rusland waarin beperkingen werden afgesproken op strategische kernwapens. In 2018 kondigde de VS de terugtrekking aan uit het INF-verdrag, dat beide grootmachten in 1987 sloten en dat een verbod oplegde aan korte en middellange afstandsraketten. Rusland trok er zich in 2019 op zijn beurt ook uit terug. In 2020 trok Washington zich terug uit het Open Skies-verdrag. Dit verdrag was een vertrouwenwekkende maatregel, omdat het ongewapende controlevluchten mogelijk maakte over het territorium van andere partijen van dat verdrag. Rusland volgde opnieuw het voorbeeld van de VS en trok zich een jaar later eveneens terug. Jaren eerder was de VS al uit het ABM-verdrag gestapt dat beperking oplegde op de strategische verdediging in de vorm van een raketschild. Andere verdragen die al drie decennia geleden zijn gesloten, geraken maar niet in werking. Het verdrag uit 1996 dat kernproeven verbiedt (CTBT) bijvoorbeeld, werd geratificeerd door 178 landen, maar het kan het pas in werking treden als ook de zeven kernwapenstaten China, Rusland, de VS, Noord-Korea, India, Pakistan en Israël, plus Egypte en Iran, het tekenen. Vooralsnog is dat niet gebeurd. Ook het initiatief om te komen tot een Verdrag inzake het Stopzetten van de Productie van Splijtbaar Materiaal (FMCT) geraakt maar niet afgerond. Het CTBT en het FMCT vormen elk een van de dertien stappen van het NPV-slotakkoord uit 1995, maar de invoering ervan zit sindsdien in een impasse.
Dreigen met gebruik van kernwapens
Na de invasie van Oekraïne heeft de Russische president Poetin meermaals gedreigd met het inzetten van kernwapens als reactie op de grootschalige militaire steun van de NAVO en andere bondgenoten aan Oekraïne. In 2023 kondigde Moskou bovendien aan dat het kernwapens zou ontplooien in Wit-Rusland. Dat ging gepaard met een verandering van de Russische nucleaire doctrine, waarbij voortaan ook kernwapens kunnen worden ingezet bij een grootschalige conventionele aanval. Voorheen was dat enkel als een conventionele aanval het voortbestaan van Rusland in het gedrang brengt. Moskou heeft er ook mee gedreigd om opnieuw kernwapentesten uit te voeren. Dat was een reactie op een eerdere aankondiging van VS-president Trump dat hij zou starten met nieuwe kernwapentesten, wat een eind zou maken aan het moratorium daarop door beide landen. De recente uitspraak van Trump over Iran dat “een hele beschaving ten onder zal gaan, om nooit meer terug te keren”, lijkt bovendien een onverholen dreiging met de inzet van kernwapens. In het Midden-Oosten uitten Israëlische politieke leiders ook nucleaire dreigingen ten aanzien van de Gazastrook.
Iran en Israël: twee maten en gewichten
De herzieningsconferentie van het NPV vindt plaats op het ogenblik van een broos staakt-het-vuren, na wekenlange zware bombardementen door de VS en Israël op militaire, politieke en burgerlijke doelwitten in Iran. Het belangrijkste argument voor militaire agressie is het vermeend kernwapenprogramma van Iran, wat niet strookt met bevindingen van onder meer de eigen VS-inlichtingendiensten. De bombardementen op Iran begonnen op een moment dat de VS officieel nog aan het onderhandelen was en daags na de aankondiging van de Omaanse bemiddelaar, minister van Buitenlandse Zaken Badr Albusaidi, dat er een akkoord in de maak was met Iran over de voorraden verrijkt uranium en de “volledige verificatie van het bestaande nucleaire programma door het Internationaal Atoomenergieagentschap” (IAEA).
De oorlog tegen Iran tast de geloofwaardigheid van het NPV aan. Veel landen vinden het een gepolitiseerde toepassing van het verdrag op basis van machtsverhoudingen, in plaats van een uniforme toepassing van de beginselen ervan. Iran trad in 1974 toe tot het NPV en heeft er zich nooit uit teruggetrokken. Teheran beschikt daardoor over dezelfde rechten op het vreedzaam gebruik van nucleaire technologie als alle andere NPV-leden, zoals het recht op uraniumverrijking tot aanvaarde niveaus voor civiele toepassing. Wat nu een schaduw legt boven de NPV-herzieningsconferentie is dat een kernwapenstaat die geen lid is van het NPV (Israël), zich het recht toe-eigent -aan de zijde van de VS en zonder dat het daarvoor veroordeeld wordt- om een ander land dat wel lid is van het NPV en geen kernwapens bezit, te bombarderen.
Het gesternte voor een geslaagde herzieningsconferentie van het NPV staat met andere woorden niet gunstig. De hypocrisie en dubbele maatstaven en de algehele uitholling van het internationaal rechtssysteem doen zelfs vragen rijzen over het voortbestaan van het NPV zelf.

