Franse kiezers lusten neoliberale saus niet

De Franse kiezers hebben op 21 en 28 maart via de verkiezingen voor de regionale raden hun opinie over het neoliberaal beleid van de rechtse regering Raffarin laten peilen. Er gingen meer kiezers dan verwacht naar de stembus – resp. 63 en 65 % in plaats van de voorspelde en gevreesde 50% – en ze uitten hun onvrede over het beleid vooral door voor links te stemmen, voor de partijen die deel uitmaakten van de regering van socialist Jospin (1997-2002). Met het verlies van al haar regio’s, op de Elzas na, lijdt de rechterzijde een historische nederlaag.

Een opkomst van 65 % is nog altijd niets om verheugd over te zijn, maar er was gevreesd dat de helft zou thuis blijven. Regionale verkiezingen zijn nu eenmaal niet erg belangrijk, de meeste Fransen hebben geen benul wat de bevoegdheden van de regionale raden zijn en kennen de leiders van de regionale besturen niet. Door toch talrijk op te komen, gaven ze in de eerste plaats gevolg aan de oproep van de opposities om het regeringsbeleid van sociale afbraak (pensioenen, werkloosheidsuitkeringen, afbraak werkstatuten) en van de afbraak van de collectieve voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg) af te straffen.

Rechts ongelijk bedacht

Rechts krijgt met 35 % in de eerste ronde ernstige klappen. Maar die klappen komen erg ongelijk aan. De vorig jaar opgerichte UMP, in feite de partij van president Chirac, komt er ongelooflijk gehavend uit, ze verliest alle regiobesturen op de Elzas na. Het neoliberale beleid van Raffarin en ook wel de veroordeling van partijleider Juppé wegens verduistering van overheidsgelden, kwamen de UMP zwaar te staan. Ze had nochtans gehoopt de schade danig te kunnen beperken door de minister van Binnenlandse Zaken, Nicolas Sarkozy, volop in de campagne te gooien. Tot groot ongenoegen van "historische" gaullisten én Chirac zelf die Sarkozy wantrouwen. Ze stellen alles in het werk om te beletten dat Sarkozy de leiding van de UMP neemt en zo zijn aanspraken zou verstevigen om in 2007 de presidentskandidaat van de UMP te worden.

Niet iedereen in het rechtse kamp doet het even slecht. De UMP is extra verbitterd omdat de UDF, het "centrum van rechts", het in de tweede ronde wel beter deed. Die UDF voerde onder leiding van François Bayrou een halve oppositiecampagne. Die UDF zit met slechts één minister in de regering. Bij de oprichting van de UMP was het de bedoeling de UDF volledig op te slokken. Bayrou en een groepje "centristen" zagen dat niet zitten en zetten koppig door. In verscheidene regio’s (15 op 22) wees de UDF rechtse eenheidslijsten in de eerste ronde af; ze voerden vooral een eigen campagne tegen de UMP in die regio’s waar rechts vijf jaar geleden niet vies was van de steun van uiterst-rechts om de leiding van die regio’s te krijgen. De UDF haalt deze keer in de eerste ronde bijna een derde van de stemmen van rechts, wat flinke winst betekent tegenover de presidentsverkiezingen van 2002 en vooral belet dat de UMP zich opwerpt als de eenheidspartij van rechts.

Uiterst-rechts

Uiterst-rechts is in feite herleid tot het Front National (FN) van Jean-Marie Le Pen, de dissidentie van het MNR van Bruno Mégret komt er niet aan te pas. Het FN haalt in de eerste ronde 14,7%, wat bijna drie procent minder is dan Le Pen bij de presidentsverkiezingen van 2002. Vergeleken met vijf jaar geleden gaat het FN achteruit in zijn traditionele bastions (Provence Côte d’Azur, Rhône-Alpes, Languedoc-Roussillon en Elzas), het wint in verscheidene regio’s waar de inplanting zwakker was. Het FN verliest ook in Parijs en omgeving (Ile de France), waar Marine Le Pen, dochter van, de lijst leidde en op 12,3 % uitkwam en in de tweede ronde op amper 10%.

In grote lijnen kan men wel zeggen dat het FN een stabiele inplanting behoudt in zeer diverse milieus. Het FN heeft een stevige basis in "villagebieden" in het zuidoosten en oosten, en in erg conservatieve regio’s als de Elzas. Het FN mikte deze keer bewust op de gevoelens van sociale onveiligheid, maar de uitslag in Ile de France geeft de indruk dat dit daar niet gelukt is. Het FN consolideert wel zijn grote aanhang in de oude industriële gebieden in het noorden waar die "sociale onveiligheid" zeer groot is.

De politiek van de rechtse regering versterkt die onveiligheid en zorgt er op die manier voor dat het FN daar zal kunnen blijven op teren. Het is precies op dit terrein dat links een offensief zou kunnen voeren, maar de socialistische PS, de communistische PCF en de groenen (Verts) zijn op dat vlak natuurlijk gehinderd door het beleid dat ze zelf hebben gevoerd.

Links

Toch zijn het deze partijen die garen spinnen bij het ongenoegen over de regering Raffarin. De PS-leiding onthield zich van triomfantelijke verklaringen, de nederlaag van 21 april 2002 (presidentsverkiezingen) ligt nog te dichtbij. Maar zij heeft alleszins in deze verkiezingen meer dan haar slag thuisgehaald. Want het is de PS die veruit de grootste winst haalt door rechts in alle bastions, op de Elzas na, te verslaan. De PS boekt in de kantonnale verkiezingen, die tegelijk werden gehouden, ook enkele successen ten koste van de PCF.

Die PS verkeerde twee jaar in schoktoestand na de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen waarin haar kandidaat, Lionel Jospin, achter Chirac en Le Pen kwam en daardoor werd uitgeschakeld. Partijleider François Hollande trachtte sindsdien de PS weer een duidelijker profiel te geven, maar zijn "links reformisme" is allesbehalve duidelijk en stuit op de interne oppositie van twee linkse stromingen. Het groter dan verwachte electoraal succes betekent dat de PS de schok van april 2002 nu tijdelijk kan te boven komen, maar op langere termijn blijft die PS met een identiteitsprobleem worstelen dat in de aanloop naar de presidentsverkiezingen zeer sterk de kop zal opsteken.

De partners van de PS, de communistische PCF, de groene Verts en de zogenaamde "linkse radicalen" (PRG) delen mee in het succes.

De communistische PCF ging in verspreide slagorde naar de stembus. In de meeste regio’s ging ze samen met de PS en meestal ook de Verts, maar in enkele oude bolwerken diende ze eigen lijsten in. Ook die waren verschillend. In Ile de France vormde ze, met partijleidster Marie-George Buffet als co-leidster, één lijst met vertegenwoordigers van linkse basisgroepen, in Nord-Pas de Calais, Picardië, Auvergne ging ze onder eigen vlag naar de kiezers.

Die uiteenlopende strategie weerspiegelt de grote onenigheid binnen de PCF over de manier waarop ze uit de zware identiteitscrisis kan geraken. De PCF kreeg in april 2002 een nog grotere schok dan de PS, haar kandidaat Robert Hue kwam met 3,7 % achter de twee trotskistische kandidaten. Vooral in het noorden vonden de communisten dat de partij in de regering Jospin haar eigen gezicht was verloren en dat ze dus weer met haar eigen vlag moet uitpakken.

Die vleugel kan met successen uitpakken. In Picardië en het noorden haalde de PCF bijna 11%, in Auvergne bijna 10%, wat wijst op een relatief herstel in die oude bolwerken. In Ile de France haalde Buffet 7,2%, wat iets beter was dan verwacht – maar erg weinig is rekening houdend met het feit dat de PCF in de "rode gordel" rond Parijs een van haar stevigste bastions had. Die resultaten zullen wegen op de interne verhoudingen binnen de PCF, de tegenstanders van al te nauwe samenwerking met de PS staan nu alleszins sterker.

Ook Les Verts dienden in enkele regio’s autonome lijsten in, met relatief succes. Meer dan 10% in Rhône-Alpes (Lyon), 9,7% in Bretagne (samen met de autonomistische UDB), 7,5% in Champagne-Ardennes, 8,3% in Basse-Normandie. De 6,2% in het noorden is eerder een tegenvaller. Globaal genomen een opsteker voor de strekkingen binnen de groenen die zoveel mogelijk onder eigen vlag willen gaan, terwijl gewezen leidster Dominique Voyenne campagne voert voor een zo nauw mogelijke samenwerking met de PS.

LO-LCR

Het relatief succes van de PCF en de Verts ging deels ten koste van uiterst-links, van de alliantie Lutte Ouvrière (LO) en Ligue Communiste Révolutionaire (LCR). Die alliantie LO-LCR haalt nationaal 4,95% van de stemmen, 1,2 miljoen stemmen, wat op zichzelf een goed resultaat is voor uiterst-links; maar de verwachtingen waren hoger gespannen.

De twee kandidaten van die alliantie haalden bij de presidentsverkiezingen – Arlette Laguiller voor LO en Olivier Besancenot voor LCR – meer dan 10%, er was verwacht dat ze nu samen rond 6 tot 7% zouden hebben behaald, met uitschieters boven 10% in streken waar de PCF de jongste jaren veel verloor, zoals in het noorden. Maar de autonome lijsten van de PCF hebben veel linkse kiezers op die partij doen stemmen.In het noorden haalt LO-LCR net iets meer dan 5%, in Ile de France blijft de lijst onder 5%.

Andere kiezers hadden oor naar het ordewoord van de PS om "nuttig" te stemmen. De rechtse meerderheid heeft namelijk het kiesstelsel nog maar eens veranderd ten gunste van de grote partijen, zodat lijsten die onder de 10% blijven op geen zetels kunnen rekenen, tenzij ze – bij meer dan 5% – kunnen opgenomen worden door de groten.

LO-LCR benadrukte tijdens de campagne geen illusies te koesteren in "regeringslinks" (PS, PCF, Verts) onder meer verwijzend naar de balans van de regering Jospin met haar privatiseringen en andere neoliberale maatregelen. LO neemt al zeer lang de houding aan dat het in een tweede ronde niet oproept voor links, de LCR is LO daarin deze keer gevolgd. Ook dat kan uiterst-links kiezers hebben gekost. Binnen de LCR heeft dat tot een crisis geleid, want op de avond van de eerste ronde heeft een groep LCR-verantwoordelijken opgeroepen in de tweede ronde toch voor links te stemmen.

Ook voor de Europarlementsverkiezingen van 13 juni zijn de regels veranderd, waardoor kleinere lijsten veel minder kans maken op een zetel. Die verkiezingen worden ongetwijfeld een nieuwe test over het neoliberale beleid van de regering.

(Uitpers, nr. 52, 5de jg., april 2004)

Visited 8 Times, 1 Visit today

Tags :