Frans-Guyana: Tussen wettelijkheid en werkelijkheid

Een raketbasis in een ongezonde strafkolonie vol schurken en schorpioenen. Dat beeld van Frans-Guyana overheerst nog steeds. La Guyane is niet alleen onbekend maar ook ten zeerste onbemind. Hoe ziet dat Frans stukje van de Wilde Kust, het enige euroland van Zuid-Amerika, eruit?

Op mijn uitdrukkelijk verzoek drukt de Franse grenspolitieagent een stempel in mijn paspoort. De airco draait op volle toeren. De kleine internationale luchthaven van Rochambeau bij Cayenne beschermt zich tegen de bakoven van de tropen. “Als souvenir dan, want we zijn hier nog steeds in de EU”, lacht de ambtenaar.

Inderdaad, het grondgebied van bijna drie keer Nederland tussen Suriname en de Braziliaanse deelstaat Amapá, is een stukje overzees Frankrijk in Zuid-Amerika. Stokbroden, camemberts, patés, Franse wijn en Belgische bieren beheersen het dure horecalandschap. Om hun Europese levensstijl te kunnen verder zetten krijgen de Franse ambtenaren veertig procent bovenop het salaris dat zij in de métropole (lees: Frankrijk) zouden verdienen, en daarnaast nog een aantal extra voordelen.

Frans-Guyana is geen populaire reisbestemming. Ook niet voor de Fransen zelf. Vandaar die hoge lonen voor de metro’s die als ruimtevaartspecialist, dokter, leraar, politieagent, douanier of militair enkele luxueuze tropenjaren komen slijten in deze voormalige strafkolonie.

De slechte naam die Cayenne, zoals het gebied vroeger heette, nog steeds achter zich aansleept, heeft te maken met een geschiedenis van mislukking, verwaarlozing en verbanning. In de 17de eeuw twistten Engeland, Frankrijk en Nederland om de beste plekjes aan de uitgestrekte Wilde Kust waarachter Eldorado verborgen lag. Door het Verdrag van Breda in 1667 werd het gebied ten oosten van de Marowijne tot aan de Oyapock en in het zuiden begrensd door het Toemoek-Hoemakgebergte een kroonkolonie van Frankrijk. De Marowijne werd de grens tussen Nederlands- en Frans-Guyana. Toen de kruitdamp was opgetrokken, eisten tropische zieken hun tol onder de kolonisten die met suikerplantages waren begonnen. Ook de cayennepepers konden Frans-Guyana niet meer redden.

De Marowijne-rivier (foto Anne Van den Bril)

Na een aantal vergeefse pogingen om dit lege, ongezonde land te bevolken werd Cayenne tijdens de Franse revolutie het deportatieoord voor de royalisten. Tot bijna in het midden van de 19de eeuw was Frans-Guyana een leeg, onaantrekkelijk land met een zeer ongezond klimaat: er leefden ongeveer 1000 Europeanen en enkele duizenden slaven en inheemsen. In 1852, onder keizer Napoleon III, werd Cayenne een permanente strafkolonie. Tussen dat jaar en het einde van de Tweede Wereldoorlog werden ongeveer 70.000 galeiboeven in het bagno opgesloten. Slechts 5000 keerden ooit naar Frankrijk terug. “La guillotine sèche” zoals de Franse journalist Jean-Claude Michelot het in zijn boek noemde, deed ongenadig haar werk. Van slechts enkele bagnards rolden de koppen onder het echte guillotinemes. Tropische ziekten, zware dwangarbeid en het doublagesysteem – veroordeelden die vrijkwamen moesten nog eens eenzelfde tijd in Frans-Guyana doorbrengen – nekten de bagnards zonder bloed te laten vloeien.

Gedurende jaren heeft Frankrijk de tropen vrij spel gegeven om die niet zo fraaie bladzijden van haar geschiedenis visueel te overwoekeren. Pas de laatste decennia heeft men het geweer van schouder veranderd. Door de renovatie van de strafkampen heeft Frans-Guyana nu een extra toeristische troef in handen. Meer dan 30.000 toeristen bezoeken jaarlijks het grootste bagno: le camp de transportation aan de Marowijne. Dat vertelt me Marie Péneau, de verantwoordelijke van het office de tourisme in Saint-Laurent-du-Maroni, met niet weinig trots. Ik logeer er in hotel Le Tentiaire dat ooit een gebouw was waar gevangenisbewaarders verbleven en bezoek als toerist het sombere bagno. Op de muren van een donkere cel staat de naam ‘Papillon’ gegrift. Tegenover de kerk is er een verhakkelde kleine kroeg ‘Jean Solis’ , waar de laatste bagnards over de vloer kwamen. Jean-Claude Michelot tekenden hun verhalen op.

DOM

Het belangrijkste centrum van het Departement d’Outre Mer heet Cayenne. Het is een slaperig provinciestadje van ongeveer 50.000 inwoners. De DOM-hoofdstad is via een heuvelende asfaltweg van 250 km verbonden met Kourou en Saint-Laurent-du Maroni. Dat is de belangrijkste verkeersas en zenuwcentrum van het kustgebied waar tachtig procent van de 178.000 bewoners leven. De rest van het land is leeg, met uitzondering van wat schaarse bewoning langs de grote rivieren.

Ik loop over de Place des Amandiers. Het uitzicht op zee is er mooi. In de verte, meer naar het westen, moet Duivelseiland liggen, waar volgens Henri Charrière Papillon gevangen zat en wist te vluchten. Hij was, als hij echt bestaan heeft, één van de weinigen die kon ontsnappen. De meeste eindigden in het moeras of in de wurggreep van een anaconda.

In 1946 kreeg La Guyane de status van Frans overzees departement. In de beste republikeinse traditie kreeg Frans-Guyana dezelfde politieke, juridische, militaire, commerciële, educatieve en medische structuren dan de andere Franse regio’s en departementen. De Conseil Régional bestaat uit 31 leden, er zijn 22 burgermeesters en 40 economische, sociale en regionale adviseurs, die ondersteund worden door een lijvig ambtenarencorps. Dertig procent van de totale tewerkstelling is in de overheidssector. Voornamelijk de Creolen uit Cayenne zitten in dat apparaat. Als DOM is Frans-Guyana zowel regio als departement. Dat betekent dat er een préfet is voor de regio en het departement – en daarnaast een sous-préfet – die aan het hoofd staat van een Conseil Général waarvan de negentien leden voor zes jaar worden gekozen op basis van algemeen kiesrecht. In Frankrijk wordt la Guyane vertegenwoordigd door twee afgevaardigden in de Assemblée Nationale en één in de senaat.

Heel die Guyanese constructie rechthouden kost jaarlijks handenvol geld aan de Franse staat. Alleen al om alle onderdanen te laten genieten van onderwijs, gezondheidszorg en sociale voorzieningen werd er jaarlijks ongeveer 1,5 miljard euro in Frans-Guyana gepompt. En wat staat daar tegenover? De eigen productie is miniem. De goudsector en de garnaalvisserij zorgen voor enige deviezen, maar verder is Frans-Guyana, zoals Suriname, een importland: zelfs groenten moeten worden ingevoerd. In de buurt van Mana wordt er wat rijst geteeld en groenten gekweekt door een kleine groep Hmongs die twintig jaar geleden vanuit Laos emigreerden, maar dat is lang niet voldoende om alle behoeften te dekken.

Frans Guyana (foto: Anne Van den Bril)

“Frankrijk is niet geïnteresseerd in de economische ontwikkeling van Guyana. In de buurlanden Brazilië, Suriname en Guyana is er sprake van een zekere industrialisatie. Buiten de ruimtevaart is er in Frans-Guyana geen industrie”, is het strenge oordeel van Abango Adam die vrachtvervoer doet op de Marowijne. Gérard “G” Guillemot, de drijvende kracht achter het Cultureel Centrum Mama Bobi in Saint-Laurent-du-Maroni, bevestigt deze mening. “Voor Frankrijk is Frans-Guyana in de eerste plaats een ontzettend belangrijke geostrategische plek van waaruit raketten de ruimte ingeschoten worden. Parijs is amper geïnteresseerd in een economische ontwikkeling van dit overzeese gebied. Er wordt weinig of niets geproduceerd in Frans-Guyana. Alleszins minder dan de buurlanden Brazilië en zelfs Suriname. Dat is toch wel opmerkelijk voor een stuk van de EU in Zuid-Amerika.”

Kourouland

Waarschijnlijk zou deze kolonie die alleen maar narigheid had opgeleverd aan het moederland na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk zijn geworden als ruimtevaartkundigen uit Frankrijk en Europa niet op zoek waren geweest naar een lanceerplek dicht bij de evenaar. De ligging van het land was belangrijker dan het land zelf. In 1964, in de periode van de wedren naar de maan tussen Amerikanen en Russen, werd de Franse raketlanceerbasis gebouwd. Kourou, op zo’n 50 kilometer ten westen van Cayenne, werd niet alleen het centrum van de Franse raketbasis Cnes maar ook van de Europese ruimtehaven. De lokale economie begon te drijven op de ruimte. Bijna 24 procent van alle directe en indirecte banen in La Guyane hangen af van de Cnes. Met zijn 12.000 gesalarieerden is het, na de overheid, de grootste tewerksteller in het land. De ruimtevaartacitiviteit is goed voor 48,5 procent van de lokale productie of ongeveer 1,3 miljard euro. Je begrijpt het allemaal veel beter als je even in Kourou rondwandelt. Een flink aantal van de naar schatting 20.000 inwoners zijn ‘witte’ Franse technici, die onmetelijke salarissen opstrijken. Kourou is nog duurder dan de rest van het land. Le quartier des Roches – met wit strand en palmbomen – en le lac du diable met waterskifaciliteiten – zijn de geliefkoosde plekken van vertier voor de metro’s. In het oudere stadscentrum vind je alles wat je hartje lust, maar niet altijd kan betalen. Discotheken? Geen nood? Restaurants? Talloze. Hotels? Idem. Een grote aanwezigheid van legionnaires moet heel die dure en ingewikkelde winkel beschermen. De mindere goden, zijnde Surinamers, Brazilianen, Haïtianen en Guyanezen pikken met hun handarbeid – al dan niet legaal – ook een graantje van de welvaart mee.

Land in land

“Frans-Guyana is een land in een land’, zegt Abango Adam. “De wetten die hier in Latijns-Amerika gelden zijn uiteraard dezelfde als in Frankrijk, maar ze zijn opgesteld vanuit een Franse optiek en gaan dus volledig voorbij aan de Guyanese realiteit.” Volgens Gerard Guillemot moet er bij een analyse van de Frans-Guyanese maatschappij onderscheid worden gemaakt tussen het werkelijke land (le pays réel) en het wettelijke land (le pays légal). “Het werkelijke Frans-Guyana is een overwegend niet-Franssprekende, exotisch gebied en dat is heel iets anders dan het wettelijke Frans-Guyana dat voor de metro’s gewoon een Franse DOM is. In de republikeinse geest bestaat de Franse burger officieel ook buiten de strikte landsgrenzen. Dat geldt dan zowel voor Corsica, Nieuw-Caledonië, Martinique, Guadeloupe als La Réunion, waar dezelfde spanning bestaat tussen het wettelijke en het werkelijke land. Het officiële land moet onderwijs en gezondheidshulp verstrekken aan iedereen. Dat kost een hele boel geld. In een normale Franse gemeente van circa 20.000 inwoners krijgt 5 à 6 procent van de bevolking, door tussenkomst van de staat, gratis geneeskunde. In Saint-Laurent du Maroni gaat het over tachtig procent van de bevolking die gratis medische ondersteuning krijgt. In Frankrijk vormen de niet-Franssprekenden op school maximum 7 à 8 procent terwijl het hier over bijna 90 procent gaat. Om van dat onderwijsrecht te kunnen genieten moeten de gewone mensen bij het begin van het schooljaar meer dan een maandloon ophoesten voor hun kinderen.”

Dat kunstmatige karakter van de Frans-Guyanese maatschappij leidt volgens Guillemot tot een zekere dubbelzinnigheid waar ook het werkelijke land niet aan ontsnapt. “Het wettelijke land is sterk en verstikt door haar decorum vaak de aanspraken en de eigenheid van het werkelijke land. Het werkelijke Frans-Guyana profiteert ook van de voordelen, die verbonden zijn aan die band met één der rijkste landen van Europa. Het is voldoende om maar even te kijken naar de levensstandaard van de rechtstreekse buurlanden Suriname en Amapá. Materieel gezien heeft de doorsnee Frans-Guyanese burger het ontegenzeggelijk veel betere dan zijn Surinaamse of Braziliaanse buur. Waarom zou men in Frans-Guyana het tropisch regenwoud gaan ontginnen? De noodzaak om het hout of de bodemrijkdommen ervan te ontginnen bestaat niet – of amper – omdat het gebied van een hooggeïndustrialiseerd land als Framkrijk afhangt. Het wettelijke land bekommert zich daar niet om, maar het werkelijke land natuurlijk wel. Kijk maar naar het groot aantal Surinaamse, Braziliaanse, Haïtiaanse en Guyanese emigranten die wel ijverig en – meestal illegaal – bezig zijn in de goudsector. En wat doet het wettelijke land? Via een groot contingent van politie, rijkswacht en militairen probeert het de Franse wettelijkheid te garanderen. Het werkelijke land lijdt enerzijds onder die legalistische krachtpatserij en probeert zich anderzijds door allerlei slimmigheden te onttrekken aan de lange arm van de wet. In een leeg, bijna niet te controleren land als Frans-Guyana is dat niet zo moeilijk.”

Autonomie

Ik loop over de Place des Palmistes, het centrum van Cayenne, en bestel een plat du jour in het gelijknamige restaurant. Mijn toevallige keuze heeft een presidentieel precedent. In het interieur hangt een grote foto van Jacques Chirac. Hij zat hier waarschijnlijk ook met een glaasje wijn voor een bord Franse kaas. Misschien wel met zijn politieke vriend

Léon Bertrand, de burgemeester van Saint-Laurent-du-Maroni die nu staatssecretaris voor Toerisme is. Enkele Creoolse jongeren zoeven voorbij op hun snelle scooter. Zij posteren zich branieachtig onder enkele palmbomen. Er is een skaterspiste en daarnaast een schommel en klimrek voor kinderen. Een politieagent patrouilleert in de buurt. Dat is nodig, want Cayenne wordt soms wakker geschud door golven van geweld.

Zo trokken er in februari 2000 1500 plunderende jongeren door de straten van Cayenne om te demonstreren tegen het bezoek van de Franse Minister van Overzeese Gebiedsdelen, Jean-Jacques Queyranne. De demonstranten vielen de oproerpolitie aan en plunderden de winkels rond de Place des Palmistes. Is dit een uiting van het streven naar autonomie? De Nederlandse journalist Jeroen Trommelen twijfelt daaraan. In een gesprek met de Franse Prof Yannick le Roux wordt dat optreden afgedaan als onafhankelijkheidsretoriek. “Men wil Frankrijk niet kwijt en omgekeerd geldt hetzelfde, althans voorlopig.” Om tegemoet te komen aan dat streven naar autonomie – Frankrijk wil zeker geen nieuwe Corsicaanse toestanden in huis halen – wordt er vanuit de centrale overheid een decentraliseringsproces op gang gebracht om meer bevoegdheden te verlenen aan de departementen.

“Als Frans-Guyana onafhankelijk worden dan ga ik weer weg”, zegt de Surinamer Paul Lieuw-Kie-Song die tomaten kweekt in Mana. “Ik heb nu van niemand last en ik hoop dat het zo mag blijven. Het zijn niet de Creolen hier die productief werk verrichten. Ik heb zeven jaar in Mana in de rijstsector gewerkt. Op het bedrijf waar ik werkte, is er nooit een Frans-Guyanees werk komen zoeken. Steeds buitenlanders als Surinamers, Haïtianen en Engelstalige Guyanezen. Na de onafhankelijkheid zijn de Surinamers verplicht geworden om zelf creatieve oplossingen te bedenken om te overleven. De Frans-Guyanezen krijgen het geld te gemakkelijk in hun schoot geworpen.”

Dit land bulkt van de jongeren, maar de meeste ervan – meer dan 50 procent – zijn werkloos. Wat doe je met een bevolking waarvan 44,7 procent onder de twintig jaar is en 53 procent werkloos? Volgens Guillemot kan de waardigheid van al die werkloze jongeren niet opgevijzeld worden door hen aan werk te helpen – dat is er toch niet! – maar door hen toegang te verlenen tot de wereld van de cultuur. “De cultuur kan een bevrijdende uitlaatklep worden. Frankrijk zou de rijke culturele diversiteit van haar overzees gebied beter moeten ondersteunen. De eigen muziek, de eigen taal, de eigen medische plantenkennis en de eigen schilderkunst – de mathematische, veelkleurige tembes – zijn geen folklore maar de hoekstenen van een eigen identiteit. Dat betekent dus dat de plaatselijke culturen als dusdanig moeten worden erkend en niet verdrongen worden door de geest en de culturele eigenheden van de métropole. Er zijn mensen die liever kwak dan cassoulet eten. Dat is hun cultureel bepaalde keuze. Wie in Frans-Guyana camembert, Franse wijn en paté wil eten, zoals in Parijs, kan dat, maar hij zal er dan ook heel wat meer voor moeten betalen. Wie dat niet wenst kan op de markt ook goedkope vis en producten uit Suriname kopen.”

Geen natie

Op de markt van Saint-Laurent-du-Maroni zingen les metyss ‘Enfants de Guyane’. Ze verkopen er hun CD. Ik tel één métro, twee Creolen, en drie zangers met eerder Aziatische trekken. Zij noemen zich de kinderen van La Guyane. Zij vormen een mooie afspiegeling van de Frans-Guyanese pluriforme samenleving die bestaat uit Creolen, witte Fransen, Haítianen, Hmongs, Inheemsen, Brazilianen, Chinezen, Surinamers en Guyanezen uit Georgetown. Meer dan de helft van de jonge bevolking is niet in het land geboren, maar werd aangetrokken door de rijkdom van de Eerste Wereld. Vooral de grensgebieden – Saint-Laurent-du-Maroni en Saint-Georges aan de Braziliaanse kant – worden geconfronteerd met een eindeloze stormloop van migranten, illegalen, drugssmokkelaars en criminelen. Ongeveer de helft van de bevolking van Saint-Laurent-du-Maroni bestaat uit Surinaamse Marrons. Op sommige plekken wordt meer Sranantongo en Nederlands dan Frans gesproken.

La Guyane is een land zonder Guyanezen”, zegt Gérard Guillemot die zich vooral bezig houdt met de traditionele cultuur van de overbewoners van de Marowijne. “Dat is het drama van dit land. Alleen een kleine minderheid van Creolen uit Cayenne die veel macht in handen hebben noemt zich ‘Guyanees’. Bij gebrek aan een echte dekolonisatiebeweging is er geen proces van natievorming op gang gekomen. Er bestaat geen Guyanese natie zoals er wel sprake is van een Surinaamse natie. De tolerante republikeinse geest wiegt iedereen in slaap. Er zijn alleen enkele kleine politieke en syndicale groepen zonder veel achterban die met veel Creoolse pathetiek over La Guyane spreken. Les gens du fleuve, de Bushinenge of de Marrons die aan de twee oevers van de Marowijne wonen – en die ongeveer twintig procent van de totale bevolking uitmaken – worden door die Creoolse elite uit Cayenne, die veel verder geassimileerd is in de Franse samenleving, vanuit de hoogte bekeken. Zij kijken neer op het Taki taki (negerengels) en op het zogenaamde primitieve leven in het binnenland. De onderhuidse spanningen tussen die twee groepen is bijzonder goed voelbaar. Zeg nooit Bushinenge tegen een stadscreool!”

Toch meent Guillemot dat het hier niet zozeer om etnische tegenstellingen gaat. De sociale tegenstellingen zijn volgens hem veel belangrijker, zeker in een land dat ooit een groot gevangeniskamp was waar blanken hun straf moesten uitzitten. “Vergeet niet dat sommige bagnards als dienstpersoneel werden gebruikt voor de Creoolse bourgeoisie van die tijd.”

Volgens Guillemot is er een verschil tussen de Frans-Guyanese en de Surinaamse Marrons. “De Marrons van de overzijde van de Marowijne noemen zich niet alleen Bosnegers maar ook Surinamers. Aan deze kant voelen zij zich, bij gebrek aan een overkoepelende Guyanese natie, alleen Bushinenge. De meeste onder hen staan aan de rand van de Guyanese maatschappij: zij studeren niet of amper, zij spreken geen Frans of amper. Les gens du fleuve vormen een eigen geografische entiteit die weinig of niet beïnvloed is geworden door de Franse koloniale geschiedenis.”

Aan het hospitaal van de Avenue Charles de Gaulle wappert de Franse tricolore. Twee zwangere vrouwen lopen er binnen. Ze spreken Surinaams. Frans-Guyana beleeft een babyboom. Als die trend doorzet leven er binnen dertig jaar 400 á 600.000 inwoners in La Guyane. Hoe Frans zal Kourouland dan nog zijn?

(Uitpers, nr 85, 8ste jg. , april 2007)

(Visited 9 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 82 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

zie ook