Falende staten, humanitaire interventies en ontwikkeling

De situatie in Darfur, Soedan, is schrijnend. Jarenlang al pleiten sommige humanitaire hulpverleners voor steun aan de ontheemde bevolking. De strijdkrachten van de Afrikaanse Unie zijn ter plekke maar kunnen, bij gebrek aan helikopters, weinig doen. Soedan is uiterst terughoudend voor VN-troepen op zijn grondgebied. De Europese Unie heeft een oplossing: een humanitaire interventie op het grondgebied van buurland Tsjaad, waar veel van de vluchtelingen in kampen leven. Is er nu beterschap op komst voor de arme bevolking?

Niets is minder zeker. De Europese troepen bestaan voor een grote meerderheid uit al lang ter plekke gestationeerde Franse soldaten. Frankrijk en Tsjaad hebben een militair akkoord en nauwelijks enkele weken geleden werd het regime van Idriss Déby door de Fransen tegen de oprukkende rebellen gered. De twijfel van sommige waarnemers over de vraag wat de Fransen met een nieuwe opdracht kunnen doen is dus zeker verantwoord. Zal de bevolking worden geholpen of zullen de rebellen worden bestreden?

Dit is slechts één enkel actueel voorbeeld van waar het pas uitgebrachte boek van Jean Bricmont over gaat(1). Mensenrechten en humanitaire noodsituaties worden maar al te makkelijk gebruikt of misbruikt om militaire interventies mogelijk te maken. Het is de – voorlopig? – laatste stap in een neoliberaal proces dat is begonnen in de jaren ’70 en dat tot doel heeft ‘sterke staten’ uit te bouwen in dienst van een neoliberale economie.

In wat volgt wil ik uitleggen hoe de structurele aanpassingsprogramma’s niets meer zijn dan de voorbode voor militaire interventies en hoe datgene wat we nog steeds ‘ontwikkeling’ noemen meer en meer verstrengeld raakt met defensie. Wie denkt dat we bezig zijn met het verdedigen van mensenrechten en democratie en dat het neoliberalisme aan het wegkwijnen is, vergist zich.

Imperialisme en neoliberalisme

Jean Bricmont wijst met een beschuldigende vinger naar het Westen en naar het imperialisme om de humanitaire, militaire interventies te veroordelen. Dat mag juist zijn, maar het is m.i. een analyse die te kort schiet en het politieke handelen bemoeilijkt. Wie verder kijkt ziet ook de vaak nefaste rol van de elites in derdewereldlanden, de massale kapitaalvlucht, de off-shore economie, de totaal ontwrichte samenlevingen.

Met een meer genuanceerde analyse kom je uit bij inderdaad ernstige problemen van mensenrechtenschendingen en armoede, maar ook bij de structurele aanpassingsprogramma’s die de Wereldbank en het IMF al meer dan 25 jaar opleggen aan arme landen. Wat aanvankelijk leek op een economisch programma dat landen moest helpen om de schuldenlast te kunnen afbetalen, bleek al gauw erg politiek te zijn.

Structurele aanpassingsprogramma’s, ook ‘Washington Consensus’ genoemd gaan over het bereiken van een begrotingsevenwicht, het bestrijden van de inflatie, het openstellen van de handel in goederen en diensten, het privatiseren van overheidsbedrijven, het dereguleren van de arbeidsmarkt. Concreet had dit tot gevolg dat de overheid sterk moest afslanken en ambtenaren, leraren en gezondheidswerkers moest ontslaan. De niet langer beschermde industrie ging failliet, met nog meer werkloosheid tot gevolg. Sociale diensten verdwenen. Ingevoerde producten waren inderdaad goedkoper, maar niemand had nog geld om ze te kopen.

Hierop vonden de Wereldbank en het IMF het volgende: het doel van de structurele aanpassingsprogramma’s moest armoedebestrijding zijn. Landen moeten voortaan een armoedestrategie indienen bij de Bretton Woods instellingen om nog een schuldvermindering te krijgen. Zo werd alles op ‘armoede’ toegespitst, maar aan het beleid veranderde er niets. In een recent evaluatieverslag van het IMF wordt dat vandaag ook toegegeven(2).

Toen ook die armoedeprogramma’s – uiteraard – geen beterschap brachten en de economische groei ook verder uitbleef, had men twee dingen kunnen doen. Men had kunnen toegeven dat de economische recepten niet deugden, of men kon op zoek gaan naar andere oorzaken. ‘We leren uit de fouten van het verleden’, zo zegt de Wereldbank herhaaldelijk. Niet onze recepten zijn fout, maar we hadden niet gemerkt dat ook het bestuur van arme landen niet deugt. Waar ‘goed bestuur’ is, daar werkt alles beter en kan er ook economische groei worden vastgesteld. We moeten de arme landen beter betrekken bij het beleid dat we hen opleggen, aldus nog de Wereldbank, ze moeten zich ‘eigenaar’ voelen van de programma’s en moeten hun bevolking laten participeren in de uitstippeling van het beleid.

‘Goed bestuur’, ‘ownership’ en ‘participatie’: het zijn de drie sleutelwoorden van het hedendaagse beleid waarvan men veronderstelt dat het alles moet ‘oliën’ om zo de verwachte groei en armoedevermindering te weeg te brengen. Voorlopig is daar niet veel van te merken. Heel wat Afrikaanse landen kennen sinds enkele jaren wel een sterke groei, maar dit komt enkel door de opnieuw stijgende grondstoffenprijzen, en van armoedevermindering, laat staan van economische en sociale ontwikkeling is niet veel te zien.

Wat we wel zien is het stijgend aantal ‘falende staten’. William Easterly toont in zijn boek ‘The White Man’s Burden’(3) aan hoe de ‘falende staten’ ook diegene zijn die het meest structurele aanpassingsleningen hebben gekregen. In 2002 werden er 17 ‘falende staten’ gezien, in 2006 waren het er al 26 en vandaag ziet de Britse dienst voor ontwikkelingssamenwerking, DFID, er al 50. Of met andere woorden, het volstaat om arm te zijn om als ‘falende staat’ te worden erkend. En dat betekent dat die staat niet bekwaam wordt geacht de bevolking te beschermen, het grondgebied te controleren (op terrorisme en drugsteelt, b.v.) en goed bestuur af te leveren. Of nog met andere woorden, het zijn staten waar we eventueel zullen moeten optreden om ‘de mensenrechten’ of ‘de democratie’ te beschermen. Ontwikkelingshulp, zo wordt immers ook nog gesteld, heeft gewoon geen zin in dergelijke landen.

Het zijn nochtans niet de Wereldbank en het IMF die deze doctrine hebben bedacht. Reeds in 1993 – één jaar vóór de UNDP – het ontwikkelingsprogramma van de VN – pakte de OESO uit met het begrip ‘menselijke veiligheid’. Dat klinkt heel goed en werd door de UNDP ook erg positief ingevuld: voedselveiligheid, economische veiligheid, persoonlijke en politieke veiligheid, werk en inkomen, gezondheid. De OESO bedoelde er echter iets anders mee. Ze zag veiligheid als belangrijkste voorwaarde voor ontwikkeling en een gebrek aan veiligheid als een probleem voor arme én voor rijke landen. Vandaar dat de ‘root causes’, de fundamentele oorzaken van dit gebrek aan veiligheid moesten worden aangepakt. Op dit punt ontmoeten OESO en IMF/Wereldbank elkaar. Want niet de falende markt wordt hier als oorzaak gezien, wel de falende staat, niet armoede en ongelijkheid, wel slecht bestuur.

We weten dat sinds 11 september 2001 de Verenigde Staten alles zijn gaan interpreteren in functie van hun ‘homeland security’. In die optiek kan het aannemelijk lijken dat ze ook ‘ontwikkeling’ willen zien om hun eigen veiligheid te beschermen. Maar het is goed te weten dat die denkwijze al bijna tien jaar ouder is en dus geenszins kan verklaard worden door terrorisme. En het is de OESO die in haar DAC-Comité (comité voor ontwikkelingssamenwerking) kijkt naar de defensie-uitgaven die als ontwikkelingshulp kunnen aangemerkt worden en die voorstellen doet voor de hervorming van de veiligheidsdiensten in arme landen.

Ontwikkeling en defensie

In de Verenigde Staten gaat momenteel 22 % van het ontwikkelingsbudget van USAID rechtstreeks naar het ministerie van defensie. Van het overblijvend bedrag gaat het grootste deel naar Irak en Afghanistan. Robert Gates, minister van defensie, wil ‘civilian troops’, niet-militaire troepen die de ‘hearts and minds’ van lokale bevolkingen moeten winnen met het boren van waterputten, het bouwen van schooltjes en gezondheidscentra. Zonder enige inspraak van de Afrikaanse landen zelf, wordt een ‘Africom’ gepland, een permanent aanwezige militaire troepenmacht die overal moet kunnen optreden. Nu al zijn de Verenigde Staten druk bezig met het opleiden van politie en legers in Afrika.

Officieel heet het ook hier dat veiligheid de eerste voorwaarde is voor ontwikkeling en dat men preventief moet kunnen optreden, nog vóór er conflicten uitbreken. USAID wordt op die manier volledig ingeschakeld in het veiligheidsbeleid. Men kan zich daarbij afvragen welk Afrikaans land de Amerikaanse veiligheid zou kunnen bedreigen en waarom de ‘core mission’ van het Departement van Defensie ‘stabiliteit, veiligheid, transitie en reconstructie’ moet zijn. Militairen zijn toch niet echt de meest voor de hand liggende partners om de fundamentele oorzaken van onderontwikkeling aan te pakken.

Op die manier komen we weer bij de terechte stelling van Jean Bricmont terecht en zien we dat niet enkel mensenrechten, maar ook armoede als voorwendsel wordt gebruikt om ‘slecht bestuur’ vast te stellen en militair te interveniëren. De militaire aanwezigheid van de VS in Afrika wordt wellicht makkelijker verklaard door de toenemende activiteiten van China op het zwarte continent en de alsmaar groter wordende olievoorraden.

Neoliberale staten

Er is echter nog meer aan de hand. Voortgaand op het noodzakelijke ‘goed bestuur’ pleit ook de Wereldbank vandaag voor ‘sterke staten’. Hiermee wordt echter geenszins een (neo)keynesiaanse staat bedoeld die mee de economie kan sturen.

Wat wel wordt bedoeld wordt uitgelegd door Fukuyama in zijn ‘State Building’(4). Deze auteur maakt een onderscheid tussen de ‘sterkte’ van staten en hun ‘scope’ of reikwijdte. Staten hoeven slechts een beperkt aantal opdrachten te vervullen, maar op die punten moeten ze wel zeer sterk staan om genomen beslissingen effectief te kunnen uitvoeren. De Washington Consensus was goed, aldus Fukuyama, maar men heeft zich beperkt tot het verkleinen van de ‘scope’ en niet gewerkt aan het versterken van de ‘strength’. Dat is nodig, alweer om voor veiligheid te zorgen, voor ontwikkeling (lees: armoede), en voor de economie. Of met andere woorden, dit sluit weer perfect aan bij wat de Wereldbank en het IMF voorschrijven.

De Wereldbank had al eerder haar ideeën over de nieuwe staat uiteengezet(5). In feite hebben staten maar twee opdrachten, aldus de Bank: de markt vlot doen functioneren en de extreem armen beschermen. En dat tweede doe je dank zij het eerste. Met een ‘goed’ macro-economisch beleid, een rechtsstaat, bescherming van eigendomsrechten en van de concurrentie krijg je een systeem waarin groei mogelijk is en de armoede vanzelf vermindert. Veiligheid was daar vroeger voor de Bank niet bij, maar ze heeft uiteraard geen enkel probleem om dat er aan toe te voegen.

Op die manier wordt gewerkt aan een neoliberale mondialisering waarin de handel vrij is, er één wereldmarkt is en de staten nodig blijven wegens hun onderlinge concurrentie om het ‘beste’ systeem voor grote bedrijven in te voeren. Wel moeten al die staten een wettelijk en juridisch systeem ontwikkelen om investeringen vrij en ongehinderd te laten komen en gaan, in functie juist van de aantrekkelijke voorwaarden die staten hen kunnen bieden. Waar de landen vroeger werden ingedeeld in ‘hoge inkomens’, ‘gemiddelde inkomens’ en ‘lage inkomens’ geven de statistieken van de Wereldbank nu gewoon een alfabetische lijst van alle landen, alsof ze allemaal gelijk zijn. Arme landen zijn ofwel falende staten ofwel op weg om rijk te worden.

Waar we bij het begin van het vertoog over ‘goed bestuur’ nog konden spreken over ‘nation-building’ en capaciteitsopbouw, moeten we het nu hebben over ‘state-building’. Dat is het werk waar Wereldbank en IMF mee bezig zijn, hervormingen om staten te creëren die nodig zijn voor het neoliberale concurrentiebeleid op de wereldmarkt. Lukt dat niet, dan ligt dat aan het ‘falen’ van de staten en kan er militair worden opgetreden, om mensenrechten te beschermen, om de armoede tegen te gaan, om conflicten te vermijden, om terrorisme tegen te gaan. Zo wordt gezegd.

We zitten hier ook heel dicht bij de analyse van Naomi Klein en haar ‘schokdoctrine’(6). Om het neoliberale doel te bereiken kunnen ‘schokken’ in de vorm van natuurrampen en conflicten ook ‘kansen’ worden. En zo een ‘schok’ kan altijd worden bevorderd, precies om die kansen te creëren.

Neoliberale mondialisering

Saskia Sassen(7) stelt dat de huidige mondialisering niet gewoon in het verlengde ligt van het kapitalisme. Wat vroeger gebeurde, o.m. met de kolonisering, was telkens bedoeld om nationale staten te versterken. Vandaag is het de wereldmarkt die men wil versterken en staten zijn er enkel om die mondialisering mogelijk te maken – zij zijn het trouwens die het doen – en intern orde op zaken te stellen.

De economie wordt meer ‘off-shore’ georganiseerd(8) dan als interne markt met werk en sociale rechten voor werknemers. Die off-shore economie neemt de vorm aan van exportzones, e-commerce, goedkope vlaggen, banken en beurzen. Staten staan in voor het goed functioneren van de wereldmarkt, niet voor het organiseren van sociale bescherming. Sociale integratie is niet langer een overheidsopdracht, maar wordt toevertrouwend aan etnische, religieuze of dorpsgemeenschappen. Dit is de echte oorzaak van de ontwrichte samenlevingen en interne conflicten, en het zijn geen militairen die daar wat kunnen aan doen. Tenzij de echte opdracht van de militairen bestaat in het versterken van die neoliberale staat. En hier zijn we weer bij het begin van de redenering en bij de terechte stelling van Bricmont. Humanitaire interventies zijn niet bedoeld om mensen te beschermen maar om nieuwe staten te creëren. Veel humanitaire hulpverleners die meedraaien in dit spel kunnen dan ook terecht ‘globalizers’ worden genoemd, ze werken bewust of onbewust mee aan de totstandkoming van de neoliberale markt met dito staten(9).

Politiek

Bricmont stelt dat enkel een radicaal verzet tegen het imperialisme kan helpen. Ik denk dat met een meer genuanceerde analyse er heel wat mogelijkheden zijn om ook hier tegen de neoliberale mondialisering politiek te handelen. Het beleid van de Wereldbank en van het IMF is inderdaad de beste voedingsbodem voor de ‘falende staten’ die naderhand militair moeten ‘bijgestaan’ worden. Tegen dat beleid kan zowel in Washington als in Kinshasa en Brussel worden opgetreden. En er kunnen alternatieven worden aangereikt. Want er zijn natuurlijk zware mensenrechtenschendingen en er is veel reële armoede. Het is niet omdat de oplossingen van vandaag niet goed zijn, dat we de problemen over het hoofd moeten zien.

De enige oplossing, m.i., is een duurzaam economisch en sociaal ontwikkelingsbeleid, waarvan de grote lijnen mondiaal worden overlegd om tot een duurzame herverdeling te komen, en waarover de arme landen verder zelf kunnen beslissen. Met economische ontwikkeling wordt productiecapaciteit bedoeld, een interne markt en regionale handel vóór wereldhandel. Met sociale ontwikkeling wordt een universele sociale bescherming bedoeld, met bijzondere aandacht voor de armen. Dit alles kan geschraagd worden door een mondiaal herverdelingsbeleid dat liefst iets verder gaat dan de al zo lang beloofde 0,7 %. Alle oplossingen zijn gekend en kunnen geraadpleegd worden bij de andersmondialiseringsbeweging zowel als bij enkele internationale organisaties zoals de ILO, Unctad, Unrisd en UNDP. De marges zijn groot en er is voor elk wat wils. Maar het moet duidelijk zijn dat militarisering geenszins de goede richting is en dat politieke actie op elk niveau dringend gewenst is. Het neoliberalisme is nog lang niet begraven.

(Uitpers, nr 95, 9de jg., maart 2008)

U kunt het boek van Jean Bricmont via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=765041&refsource=uitpers

Voetnoten

(1) Bricmont, J., Humanitaire interventies. Mensenrechten als excuus voor oorlog, Berchem, EPO, 2008.

(2) IMF, The IMF and Aid to Subsaharan Africa, Independent Evaluation Office, Washington, IMF, 2007.

(3) Easterly, W., The White Man’s Burden, New York, The Penguin Press, 2006.

(4) Fukuyama, F. State Building, Profile Books, 2004.

(5) Zie o.m. Banque mondiale, Rapport sur le développement dans le monde 1997. L’Etat dans un monde en mutation, Washington, La Banque mondiale, 1997.

(6) Klein, N., The Shock Doctrine. The Rise of Disaster Capitalism, London, Penguin Books, 2007.

(7) Sassen, S., Territory, Authority, Rights. From Medieval to Global Assemblages, Princeton, Princeton University Press, 2006.

(8) Palan, R., The offshore world, Cornell University Press, 2003.

(9) Jackson, J.T., The Globalizers. Development Workers in Action, Baltimore, Johns Hopkins University, 2005.

Deel dit artikel

Visited 116 Times, 1 Visit today

Tags :
Francine Mestrum

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ voor een transformatieve en universele sociale bescherming. Francine schrijft geregeld voor Wall Street International Magazine, Other News, Alainet, Social Europe en Uitpers

zie ook