Falend licht

Wat als we het bij het verkeerde eind hebben?’ Deze retorische vraag stelde Barack Obama zich toen hij in 2016 het Witte Huis verliet. De opkomst van autoritarisme in heel wat landen had de aftredende president immers doen twijfelen over de impact van de Westerse democratie op de rest van de wereld. In Oost-Europa, Rusland, Turkije of India kan inderdaad niemand naast het succes van autoritarisme of illiberalisme kijken. Als verklaring voor deze evolutie verwijzen waarnemers graag naar het ontbreken van een democratische traditie in deze landen, hun vermeend cultureel en ethisch conservatisme, of naar het opportunisme van hun populistische leiders. Met Falend licht voegen Ivan Krastev en Stephen Holmes een interessante invalshoek toe aan dit debat. De Bulgaar Krastev is een van de toonaangevende politieke filosofen van dit ogenblik. Opgegroeid in een streng communistisch land snapt hij meer dan wie ook de gevoeligheden in Oost-Europa. De Amerikaanse politicoloog en jurist Stephen Holmes bestudeert al geruime tijd het illiberalisme en meer bepaald de bijhorende liegcultuur die zijn land de laatste jaren teistert.

 

Nabootsing, afwijzing en spiegeling

 

Het is de verdienste van Krastev en Holmes dat zij de liberalisering van de vroegere Oostbloklanden door een specifiek diafragma bekijken. Zij staan meer bepaald stil bij de vraag waarom de Oost-Europese landen zich de laatste jaren – na eerst het Westen te hebben omarmd – steeds meer afzetten tegen de principes van de liberale democratie. Voor deze analyse inspireren zij zich onder meer op de inzichten van antropoloog René Girard. In zijn onderzoek naar menselijke relaties stelde hij vast dat wie als moreel of materieel superieur wordt ervaren telkens het voorwerp is van imitatiegedrag. Girard constateerde echter ook dat deze nabootsing steeds wordt gevolgd door onderlinge concurrentie. Ook culturen, vorstendommen en natiestaten ontkomen hier niet aan. In Falend licht leren we hoezeer rancune en conflictueuze situaties bepalend zijn voor de internationale relaties tussen imitator en geïmiteerde.

Girards theorie is zeker toepasbaar op de communistische regimes van het Oostblok die zich na hun implosie in 1989-1991 gretig richtten op het Westerse liberale model. Er kwamen vrije verkiezingen, grenzen werden opengegooid, grote multinationals vochten zich binnen in de economieën van deze landen. Bulgaren, Polen, Hongaren, Roemenen, Tsjechen en Slovaken hoopten echt dat ze met de hulp van West-Europa in de vaart der volkeren zouden meegenomen worden. De aansluiting van deze landen bij de NAVO en de EU volgde snel. In The End of History (1992) verwoordde Francis Fukuyama dit optimisme als een overwinning de liberale democratie. Gedurende bijna twee decennia gedroegen de Oostbloklanden zich inderdaad als voorbeeldige ‘nabootsers’. Vandaag lijkt zich het omgekeerde af te spelen. In Hongarije begon de Fidesz-regering van Victor Orbán met de sloop van de instellingen van de liberale rechtsstaat. In Polen zien we een gelijkaardige evolutie met de regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) van president Jarosław Kaczyński en premier Morawiecki. En ook in Tsjechië, Slovenië, Bulgarije, … hanteren politieke leiders een populistisch en illiberaal discours.

 

Krastev en Holmes betogen uitvoerig hoe de vroegere communistische landen steeds meer ontgoocheld raakten over dit liberale model. De financieel-economische crisis hakte er in deze landen sociaal inderdaad zwaar in. Voeg daarbij de retoriek rond de vluchtelingencrisis die werd voorgesteld als een gevaar voor de christelijke identiteit van Europa. Volgens Orbán en Morawiecki zijn Hongarije en Polen frontlijnstaten tegen de vloedgolf van globalisering, universalisme en diversiteitsdenken die hen vanuit het Westen worden opgedrongen. Met de stelling dat deze liberale waanideeën niet compatibel zijn met de Hongaarse of Poolse waarden raken zij blijkbaar een onderstroom in hun land. Op de vraag wie deze paringsdans leidt – demagogische leiders die polarisering aanwakkeren of een reëel ongenoegen bij de bevolking – blijven Krastev en Holmes het antwoord schuldig.

 

Voor hen zijn de illiberale tendensen niet zozeer toe te schrijven aan het opportunisme van enkele autocraten of aan een van nature autoritaire neiging bij de bevolking. Bepalend is wel de algemene ontgoocheling over de weldaden van de liberale democratie. Daar waar andere studies de nadruk leggen op de onmacht van de EU tegen interne en externe uitdagingen legt het boek andere accenten. Zo zorgt onder meer een demografische crisis in Oost-Europa voor heel wat onrust. Een prognose voor Bulgarije leert bijvoorbeeld dat de bevolking in 2040 met 27% zal gedaald zijn ten opzichte van 2020. Ook elders hebben (vooral goed opgeleide) jongeren sinds de Koude Oorlog de wijk hebben genomen naar het buitenland. Orbáns doemdenken over ontvolking en het verlies van identiteit vindt bijgevolg een gewillig gehoor bij de oudere Hongaren, niet zelden op het platteland waar de leegloop het grootst is. In Polen vindt deze demografische angst vandaag aansluiting bij een ware cultuurstrijd tegen vrije abortus en holebi-rechten.

 

Volgens Falend licht houdt de illiberale verkramping verband met de vaststelling dat het Westen niet kon bieden wat het ooit beloofde. Kritiek van de EU dat Hongarije en Polen zich niet aan de principes van de rechtsstaat houden krijgt vanuit Boedapest en Warschau onmiddellijk de repliek dat ‘Brussel’ zelf ondoorzichtig en corrupt is. Europa hoeft hen dus niet de les te leren, zo luidt de redenering. Hierbij eigenen zij zich cynisch genoeg wel de vrijheid toe om de fundamenten onder de democratie helemaal weg te slaan. Of hoe navolging uitmondt in rancune en conflict … Echte ideologie moeten we volgens Krastev en Holmes achter de provocaties niet zoeken. Vaak is het in het geval van Orbán niet meer dan “een compensatie voor de ideologische leegheid en banaliteit van zijn fanatiek illiberalisme“. In elk geval kan niemand omheen de vaststelling dat de populistische leiders in Oost-Europa een spiegel vormen voor gelijkgezinde radicaal-rechtse partijen en demagogen in het Westen. Zij stellen vast dat een discours over een blank en christelijk Europa, gekruid met een stevige eurosceptische houding, ook in eigen land electoraal loont. Dat deze partijen hiermee aanschurken tegen regimes die de onafhankelijkheid van justitie, media en wetenschap bedreigen lijkt hen niet te deren.

 

Schijndemocratie in Rusland

 

Op het eerste gezicht lijkt het imitatiemodel ook op Rusland van toepassing. Onmiddellijk na de val van de Sovjet-Unie in 1991 omarmde de nieuwe elite er gulzig het Europese en Amerikaanse voorbeeld. Niet zonder de nodige systeemstoornissen werd onder Jeltsin een democratie ingevoerd met een meerpartijenstelsel en vrije verkiezingen. Op economisch vlak werden de teugels volledig losgelaten wat leidde tot een verrijking van een kleine groep durfondernemers. De collusie tussen politiek en bedrijfswereld leidde echter snel tot een geïnstitutionaliseerde corruptie. De spiegeltheorie had echter ook perverse effecten. De uitslag van de presidentsverkiezingen van 1996 en 2000 werd in grote mate bepaald door Gleb Pavlovski, een spindoctor die naar Amerikaans voorbeeld en met de nodige sluwheid toegang kreeg tot grote donateurs. Met een afgelikte campagne vol patriottische pathos en met halve waarheden over politieke tegenstanders loodste hij eerst Jeltsin en daarna Poetin naar het presidentschap.

 

De taak van de verkiezingsmarketeers zoals Pavlovski was niet zozeer het behalen van een verkiezingsoverwinning, maar wel het neerzetten van een resultaat dat vooraf door het Kremlin was naar voor geschoven als noodzakelijk. Halfslachtige boodschappen wiegden kritische kiezers in slaap, rivalen werden door het slijk gehaald, angst werd aangewakkerd, … Behalve de boodschap dat er in Moskou een krachtige leider aan het stuur zat ontbrak ook hier een achterliggende ideologie.

Vele Russen kunnen zich vandaag perfect vinden in de manier waarop Poetin de democratie naar zijn hand zet. Dat dit gepaard gaat met schertsverkiezingen vinden zij blijkbaar onvermijdelijk. Maar waarom doet de president dan nog de moeite om de kiezers naar de stembus te roepen? Voor Krastev en Holmes is het duidelijk. Naast het neveneffect dat het Westen hiermee zand in de ogen wordt gestrooid, zijn de verkiezingen nuttig voor binnenlands gebruik. Door de regeringspartij steeds in de richting van een overtuigende overwinning te sturen, stelt men de oppositie voor als naïeve dromers die een onbereikbaar ideaal nastreven. Tegelijk krijgt de bevolking de boodschap dat er geen alternatief is: Poetin is nu eenmaal de enige die het land opnieuw zijn status van voormalige supermacht kan teruggeven. Russen weten dus zeer goed dat de verkiezingen geconstrueerd zijn. Net zoals de schijnprocessen onder Stalin tijdens de jaren 1930 dienen zij niet alleen om te intimideren, maar ook als instrument om een schijndemocratie in stand te houden.

Het imitatietijdperk is met Poetin dan ook al een hele tijd voorbij. Men heeft de liberale hangijzers overgenomen, maar deze op een autocratische manier vormgegeven. Daarbij laat het Kremlin niet na om het Westen te wijzen op de inconsequenties van haar eigen beleid. Wanneer Europa en de Verenigde Staten kritiek aantekenen tegen de Russische inmenging in Oekraïne of de Krim krijgen zij onmiddellijk lik op stuk dat zij zich in Afghanistan, Irak of Syrië evengoed moeiden in binnenlandse aangelegenheden. Waar het kan probeert Poetin de werking van de democratie in het Westen te ondermijnen. Dit bewijzen de Russische internettrollen in de campagne naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016.

 

Trump: enkel winnen telt

 

Het presidentschap van Trump vormde de exponent van het spiegelgedrag. Voor de populaire vastgoedondernemer en tv-personality was Amerika niet langer het uitverkoren land dat vrijheid en democratie naar de rest van de wereld moest uitdragen. Trump had geen boodschap aan hoogdravende idealen zoals het messiaanse karakter van de Verenigde Staten. In zijn hoofd ging het enkel om winnen, wat het tegenovergestelde is van een voorbeeldfunctie vervullen. Als je een voorbeeld wil zijn, bestaat immers de kans dat ze je voorbijsnellen. In deze redenering is het land te grazen genomen door zijn imitators, op de eerste plaats dan de Chinezen die de banen van de Amerikaanse arbeiders komen stelen. Met dit laatste raakte Trump bij de arbeiders in de ‘rust belt‘ een gevoelige snaar die bepalend zou blijken voor zijn verkiezing in 2016.

 

Wanneer winnen het enige is wat telt, is desinformatie van de werkelijkheid niet alleen aanvaard, maar ook noodzakelijk. Zoals sommigen in Europa naar Orbán lonken, kijkt Donald Trump graag naar Poetin voor wie hij zijn bewondering nooit onder stoelen of banken heeft gestoken. Beiden hebben minachting voor de objectieve waarheid. Ze weten dat ze gemakkelijk herkenbare leugens hanteren, maar ze weten ook dat ze hiervoor geen prijs hoeven te betalen. Dat de Republikeinse president tijdens zijn ambtsperiode meer dan 20.000 leugens heeft verteld doet er dan ook niet toe. Voor zijn aanhangers draait het niet rond nauwkeurigheid, maar rond oprechtheid en loyaliteit. Als mensen trouw of verwantschap laten primeren op controleerbare werkelijkheid is het psychologisch onmogelijk om een feitelijk bewijs te erkennen. Desinformatie gaat immers niet om liegen maar om de vijand te provoceren. Onder Trump begonnen Amerika en Rusland steeds meer op elkaar te lijken. Maar deze keer zijn het de Verenigde Staten die zichzelf opnieuw uitvonden, maar dan met Poetins spiegel in de hand. Het gevolg was wel dat Trump hiermee de afbraak van de liberale democratie in gang zette.

 

China: partij boven ideologie

 

In een beduidend kort hoofdstuk gaan Krastev en Holmes tenslotte na hoe China zich binnen het imitatiemodel situeert. Om allerlei redenen valt de Volksrepubliek natuurlijk niet te vergelijken met de Oost-Europese landen en Rusland. Een echte nabootsingspolitiek ten opzichte van het Westen heeft het land overigens nooit gevoerd. Tijdens de liberalisering onder Deng Xiaoping bekeek China vanaf de zijlijn hoe de Verenigde Staten en Europa zaken deden, hoe ze joint ventures opzetten of hoe grote handelscontracten naar eigen voordeel konden omgebogen worden. Zij gaven hun ogen goed de kost en namen vervolgens technologische en bedrijfsprincipes uit het Westen over. Chinezen leenden, maar weigerden om zich te bekeren tot de liberale democratie. Van pers- en meningsvrijheid is er nog altijd geen sprake, andere politieke partijen worden het zwijgen opgelegd, en de staatskapitalistische bedrijven kunnen maar functioneren met de goedkeuring van de Communistische Partij. De imitatie bleef in China dus beperkt tot de basisprincipes van een vrije markt. Het resultaat is een pragmatisch staatskapitalisme waar ideologie ver te zoeken is. Van een egalitaire maatschappij volgens marxistische principes is er geen sprake. In China staat de partij nog steeds boven ideologie. Voor Xi Jinping is de concurrentie met Amerika geen ideologische maar een militair-strategische en een economische kwestie.

 

Dovend licht

 

Wat dus na 1989 begon als het imitatietijdperk kent vandaag met China een einde. Volgens Krastev en Holmes heeft het Westen zich zelfvoldaan laten in slaap wiegen. Het licht dat het wilde uitstralen is zo goed als gedoofd, net zoals in Kiplings roman The Light that failed (1890) waar het hoofdpersonage stelselmatig het zicht verliest. Met regelmatige verwijzingen naar parallellen in literatuur en films houden de auteurs de vaart in hun vrij theoretisch geschreven betoog. Argumenten uit andere wetenschappelijke disciplines zoals antropologie, sociologie of psychologie worden gebruikt om hun stellingen verder te onderbouwen. Verwacht van het boek geen historische verklaringen waarom precies de illiberale democratie en het autoritarisme aan kracht lijken te winnen. De lezer krijgt wel een politiek-filosofische beschouwing over hoe er tijdens de voorbije drie decennia een shift kon gebeuren in de relaties tussen West- en Oost-Europa.

 

Het boek is daarom een aanrader voor iedereen die de internationale relaties op de voet volgt … en voor degenen die de ‘crisis’ van de liberale democratie willen begrijpen. Falend licht dwingt om in eigen hart te kijken. Maar toch blijven er vragen na het sluiten van het boek. Dat Europa en Amerika na de Koude Oorlog strategische fouten hebben gemaakt is duidelijk, al was het nog maar de snelheid waarmee men het eigen model heeft proberen door te drukken … Maar in welke mate dit ook bepalend was voor het groeiende autoritarisme blijft onduidelijk. Zo blijft ook Obama’s vraag onbeantwoord wat het Westen precies fout heeft gedaan dat een bevolking en haar leiders bereid zijn om democratische rechtsprincipes zo in de weegschaal te gooien.

 

Falend licht. Hoe het Westen de Koude Oorlog won maar de vrede verloor
Ivan KRASTEV en Stephen HOLMES
Atlas Contact, Amsterdam
2019
228
9789045038957
(Visited 13 times, 1 visits today)
Deel dit artikel