De Europese wedloop om Afrika

Eind juni zal het zestig jaar geleden zijn dat de kolonie ‘Belgisch Congo’ onafhankelijk werd en overging in de Republiek Congo met Joseph Kasavubu als president en Patcrice Lumumba als eerste minister. In het artikel hieronder wordt wat verder in de geschiedenis gegraven met een situatieschets van het kolonisatieproces. In een tweede artikel zal dan meer specifiek op België en Congo worden gefocust.

Afrika

De kolonisatie van Afrika was in feite al begonnen in de 15de eeuw toen de Europeanen voor het eerst op ontdekkingsreis vertrokken. Later, met name vanaf de tweede helft 19de eeuw toen de industrialisatie van Europa begon, trokken ze steeds verder het Afrikaanse binnenland in op zoek naar grondstoffen en handelsmogelijkheden.
Toen in 1869 het Suezkanaal werd geopend, werd tegelijkertijd het binnenland van de Westkust van Afrika verkend voor de lucratieve zoektocht van de Europeanen. Afrika werd steeds belangrijker voor de handel. Maar in de 19de eeuw was het grootste deel van het Afrikaanse binnenland nog onbekend terrein voor de Europeanen. Voordat de Conferentie van Berlijn plaatsvond, werd 80% van het Afrikaanse continent nog steeds bestuurd door lokale machthebbers. Afrika was een mozaïek van meer dan duizend volkeren. Maar die situatie zou na 1884-85 drastisch veranderen.

Waarom een conferentie?

De Conferentie van Berlijn werd op verzoek van Portugal door de Duitse kanselier Otto von Bismarck bijeengeroepen. Bismarck had hier verschillende redenen voor. Duitsland wilde, zoals de meeste andere Europese landen, zoveel mogelijk koloniën bezitten. Koloniën waren hard nodig voor het verkrijgen van grondstoffen en het vergroten van de markten gekoppeld aan het verzekeren van afzetgebieden voor de industriële producten de in Europa in snel tempo werden geproduceerd. Exclusiviteit qua relaties tussen koloniserend en gekoloniseerd land stond mee op de eerste plaats.  Daarom was er in Europa veel sprake van nationalisme en concurrentie tussen landen. Koloniën waren een manier om inkomsten te creëren, maar ook om het aanzien van het land te vergroten. Ze gaven in zekere mate grotere macht, zowel politiek als economisch.
Het pas verenigde Duitsland kon dus sterker worden gemaakt door nieuwe koloniën te bezitten. Bismarck had nog extra reden om de Conferentie van Berlijn te organiseren. In het toenmalige Europa waren Engeland en Frankrijk de machtige mogendheden, die concurreerden met het pas verenigde Duitsland. Bismarck hoopte dat er op zo’n conferentie onenigheid zou ontstaan tussen Engeland en Frankrijk over de verdeling van Afrika. Als zij een conflict zouden krijgen, was hun machtsalliantie verbroken, en dit zou het Duitsland van Bismarck goed uitkomen.
Op 15 november 1884 ging de conferentie van start voor de verdeling van het zwarte continent onder de Europese mogendheden. Hiervoor werd gewoon en liniaal op de kaart gelegd om vrij willekeurig grenzen te trekken. Uiteindelijk kwam de Conferentie uit op 40 Afrikaanse landen, waarvan 36 bestuurd werden door een Europees land.
Met het koloniaal proces van Afrika tussen de periode 1880 en de Eerste Wereldoorlog trachtte een aantal Europese mogendheden een zo groot mogelijk deel van Afrika onder hun heerschappij te brengen. Tot dan was de rol van Europa in veel gevallen beperkt gebleven tot het vestigen van handelsposten en minder directe vormen van machtsuitoefening, zoals het sluiten van verdragen met lokale machtshebbers. Naarmate de negentiende eeuw vorderde, achtte men het dringender om andere Europese mogendheden voor te zijn.
De motieven van de Europese mogendheden om te streven naar een zo groot mogelijk bezit van Afrikaanse koloniën waren drieledig: strategisch; economisch en ‘humanitair’. Hierbij moet worden opgemerkt dat destijds de geest dusdanig was, dat een land zonder koloniën als incompleet werd beschouwd. Er werden humanitaire redenen ingeroepen als een rechtvaardiging naar de buitenwereld toe. De kerken en hun missionarissen moesten dit versterken en werden in de gelegenheid gesteld “het christelijke geloof te verspreiden”. Vanaf het begin van de West-Europese koloniale geschiedenis was ook een anti-islam houding nooit ver weg geweest. Maar bovenal was er in de periode van de industriële revolutie nood aan grondstoffen. Afrika stond dan op de eerste rij als het continent rijk aan bodemschatten.

Strategisch

Op de Berlijnse Conferentie wilden de aanwezige Europese grootmachten het kader scheppen om een oorlog te voorkomen en duidelijkheid te brengen over een opdeling. Voor de Europese machten was de eerste doelstelling duidelijk het gebied rijk aan grondstoffen onder elkaar op te delen en het vestigen van en politiek statement: Europa zal en moet zich om Afrika bekommeren. De deelnemende landen aan de conferentie gaven zichzelf de legitimiteit voor deze wedloop.
Het strategisch belang was enerzijds gelegen in het streven om andere staten voor te zijn en als eerste een stuk continent te claimen. De gebieden konden dan direct, of op termijn na succesvolle koloniale expansie, als afzetmarkt voor producten van eigen industrie en als leverancier van goedkope grondstoffen worden gebruikt. Bij dit laatste ging het vaak om schaarse en waardevolle zaken als goud en diamant en van grondstoffen waaraan sinds vrij kort op grote schaal behoefte was ontstaan.
Ook werd strategisch belang gehecht aan het veiligstellen van handelsroutes, bijvoorbeeld de havens in het huidige Zuid-Afrika en het Suezkanaal voor de scheepvaart naar India en de kolonies in Azië, waren onderdeel van de wedloop om de beste uitgangspositie.

Economisch

Het economisch belang was tweeledig, afzetmarkten voor eigen industrie en investeringsmogelijkheden voor eigen kapitaal aanboren. Het kolonisatieproces was een factor van groei. Er werden havens gebouwd, spoorlijnen aangelegd, stadsinfrastructuur uitgebouwd, transportmiddelen geproduceerd.
De meeste landen hadden in de tweede helft van de 19de eeuw een sterke groei van industrialisatie doorgemaakt, met name het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk en België. Hoewel de eigen afzetmarkten meestal nog niet verzadigd waren, werd wel uitgekeken naar nieuwe mogelijkheden. Op het Europese continent waren deze niet aanwezig, omdat andere markten afgeschermd waren door importheffingen en ander restricties. Het koloniaal model was uiteraard zo georganiseerd dat in de eerste plaats de elite van het koloniserende land er (veel) beter van werd, eerst en vooral door de inkomsten van een ‘koloniale’ beleggingsportefueille. Maar ook ter plaatse kwam er een laag kolonisten die enorme rijkdommen vergaarden en dus een serieuze verhoging van de ‘nationale’ koopkracht vertegenwoordigden.
Na enkele decennia van sterke groei, was voor vooral in het Verengd Koninkrijk een overschot aan kapitaal aanwezig, waarvoor men lucratieve investeringsmogelijkheden zocht.
Van minstens even groot belang was de behoefte aan grondstoffen. Een sterke toename van zowel de omvang van de ontstane industriële productie als het technologisch niveau leidde tot een grote vraag naar grondstoffen en natuurproducten die in Europa niet of nauwelijks aanwezig waren, maar in Afrika in schijnbaar onuitputtelijk mate gevonden konden worden. Met name rubber en koper. De koloniale verovering van het Afrikaanse binnenland werd de oplossing.

“Humanitair”

Het kolonisatieproces werd en wordt vaak voor de buitenwereld gerechtvaardigd met de stelling dat dit de inheemse bevolking tot voordeel strekte, door verbeteringen op bestuurlijk en medisch gebied, de bestrijding van de Arabische slavenhandel. Maar ze zwegen in alle toonaarden dat zijzelf in het verleden actieve slavendrijvers waren geweest. De westerse beschaving werd in alle opzichten superieur geacht, daarom hadden de westerse mogendheden niet slechts het recht maar ook de plicht om deze ‘humanitaire’ taak in Afrika in te voeren, waarbij zowel de missionarissen als zendelingen een belangrijke rol hadden in de “Europese kruistocht”.
Hoewel niet ontkend kan worden dat in een aantal gebieden inderdaad duidelijk verbeteringen werden doorgevoerd, zolang ze pasten in de strategische en economische belangen van de kolonisatoren, zoals landbouw, mijnbouw, gezondheidszorg en infrastructuur, was het zo dat dit proces zich onder dwang voltrok zonder toestemming van de plaatselijke bevolking.
Tegenover de humanitaire aspecten van het kolonisatieproces staat dat de uitvoerring van deze voornemens met brutale en gewelddadige druk werden gerealiseerd.
Rapporten omtrent grootschalige wreedheden in de Congo-vrijstaat van het Belgische koning Leopold II dwongen hem in 1908 zijn koloniaal bezit aan de Belgische staat te schenken, voor deze schenking werd hij ruimschoots gecompenseerd.
De Duitse behandeling van de Hero-Nama volkeren in Zuidwest-Afrika wordt vandaag beschouwd als een vroeg doch zuiver voorbeeld van genocide (de Namibische genocide). Bovendien werden als gevolg van de koloniale afzetmarkt van Europese bedrijven veel lokale ondernemingen weggeconcurreerd, wat de inheemse bevolking economisch afhankelijk maakte, een toestand dat in zekere zin nog voortduurt tot de dag van vandaag.
 
In een volgend artikel zal iets meer gekeken worden naar de opdeling van Afrika en naar de Belgische betrokkenheid.

Visited 16 Times, 1 Visit today

Tags :

Related Posts