Europese Unie tegen de pensioenen
Bang voor je oude dag

Steeds meer mensen in het rijke Europa worden bang voor hun oude dag. Je kan geen postkantoor binnenstappen, of je wordt er aan herinnerd: heb je al aan pensioensparen gedacht? Heb je al een hospitalisatieverzekering?

Volgens de Eurobarometer verwacht de meerderheid van de Europeanen dat het moeilijk zal zijn rond te komen met een staatspensioen, en een groot deel van de mensen heeft geen duidelijk idee wat ze moeten verwachten. Bijna 30% van de geïnterviewden antwoordt: ik weet het niet. Zo wil het de Europese Unie.

De Europese Unie neemt zelf geen beslissingen over de sociale zekerheid, bijvoorbeeld de pensioenen(1). Dat wordt lidstaat per lidstaat aangepakt, vertrekkend van de bestaande systemen, en rekening houdend met de krachtsverhoudingen. Voor de pensioenen heeft de Europese Unie voor de “open coördinatiemethode” gekozen: de lidstaten beslissen, maar er wordt systematisch overlegd.

De basis voor de strategie van flexibilisering en precarisering van de arbeidsmarkten in Europa werd gelegd op de Europese Top van Lissabon (die over de “kenniseconomie”, weet je nog wel: Europa moet de meest competitieve kenniseconomie van de wereld worden). Dat was in maart 2000. De bevestiging van de “strategie van Lissabon” komt als een mantra terug in alle Europese politieke verklaringen. Op de Europese Raad van Stockholm (maart 2001) werd de basis gelegd voor de open coördinatiemethode voor pensioenen. Op de Raad van Laken (december 2001) werden elf gemeenschappelijke doelstellingen vastgelegd. In september 2002 dienden de lidstaten bij de Commissie hun nationaal strategieverslag in.

Het werd concreter op de Europese Top van Barcelona (maart 2002): de feitelijke pensioenleeftijd in Europa moet met vijf jaar omhoog. In Barcelona werd ook de richtlijn over de pensioenfondsen gelanceerd, die ondertussen een feit is.

Materiaal vind je terug op de website van de EU(2).

Boeiend is dit materiaal over de pensioenen niet (dat de bevolking veroudert wisten we). Het is wel schokkend door het verlichte despotisme van de EU dat in de documenten duidelijk naar voor komt. Uit de Eurobarometer blijkt immers dat de mensen het pensioenbeleid van de EU niet zien zitten. De voor de hand liggende conclusie zou zijn dat het beleid moet worden aangepast aan de wil van de mensen. Niet voor de EU. Haar probleem: hoe de mensen die het nog niet hebben begrepen, ompraten? Zo lezen we: “Het zal voor de beleidmakers een fors probleem zijn de houding ten opzichte van pensionering te veranderen. De wettelijke pensioenleeftijd verhogen is kennelijk geen populaire beleidsreactie op het probleem van de vergrijzing: minder dan een kwart van de Europeanen is voorstander van een dergelijke stap” (blz. 19). Uit de ervaring in enkele landen blijkt de opinie wel te beïnvloeden, als je er maar voldoende op inpraat. Maar toch: “Deze markante uitkomsten uit de Eurobarometer-enquête lijken erop te wijzen dat het algemene publiek in verschillende lidstaten in zijn denken achterloopt bij een hervormingsproces dat al goed op gang is” (blz. 23).

Wat doe je daar dan mee? Een goede aanpak lijkt erin te bestaan “prikkels in te bouwen ten gunste van langere arbeidsdeelname” (blz. 19). Let op het taalgebruik: “prikkels”, het heeft iets erotisch, wie wordt er niet graag geprikkeld? Als je de concrete pensioenhervormingen bekijkt in de lidstaten leveren vele mensen 20% tot 30% van hun pensioen in. Behoorlijke “prikkels” zijn dat…

De rol van de EU

Sommigen vinden het overroepen te spreken van een offensief tegen de pensioenen dat gecentraliseerd en geleid wordt door de EU. Uiteindelijk speelt het zich toch allemaal af op het niveau van de lidstaten, en reikt de “open coördinatiemethode” niet veel verder dan de productie van tonnen papier.

In de opwerping zit zeker een element van waarheid. Het concrete beleid wordt op het niveau van de lidstaten uitgewerkt. Het betreft dan ook een sociaal explosieve materie. De EU heeft niet de politieke expertise en de democratische legitimiteit om deze sociale confrontatie aan te gaan. Dat kan enkel het door de wol geverfd nationaal politiek personeel. Bovendien vermijd je zo een globale confrontatie op Europees niveau.

Tegelijk maken deze nationale pensioenplannen zonder meer deel uit van een globaal Europees plan. Het offensief is zeer breed uitgerold, op verschillende niveaus, met een fascinerend samenspel van de verschillende vormen van besluitvorming die de EU rijk is: het concurrentiebeleid en de eenmaking van de financiële markten (Europese Commissie en Europees Hof van Justitie); het monetair beleid, gericht op aanhoudende massawerkloosheid als hefboom voor de precarisering van de arbeidsmarkten (de Europese Centrale Bank); het stabiliteitspact, om iedere expansieve budgettaire politiek in de lidstaten te beletten, gekoppeld aan een verbod op ieder deficit van het EU-budget (de Raad); de open coördinatiemethode voor de hervorming van de arbeidsmarkten, de pensioenstelsels en het armoedebeleid (het beheer van de sociale explosiviteit ten gevolge van deze hervormingen gebeurt op het niveau van elke lidstaat, maar de kompanen houden elkaar wel in het oog).

De drive achter deze hervormingen is de concurrentie met de USA. In een steeds onstabielere en gevaarlijkere wereld hebben alleen de USA de middelen in huis om de boel onder controle te houden. Als Europa niet oppast, wordt het helemaal weg gewalst. Er moet dus dringend vooruitgang gemaakt worden in de uitbouw van een Europese tegenpool, een supermacht van tweede orde, maar toch een supermacht. Iemand moet dat betalen. Dat is de inzet, dat verklaart de verbeten hardheid waarmee de wereld van de arbeid wordt aangepakt. De regeringen van het “oude Europa”, waar het bewustzijn over de inzet van de transatlantische competitie met een sprong is vooruitgegaan in de Irak-crisis, zetten een alomvattende sociale contra-reformatie op de sporen. In Frankrijk doet de rechterzijde het, in Duitsland de coalitie van sociaal-democraten en groenen. De boodschap is duidelijk: er is geen alternatief.

Billijkheid

Verschillende argumenten worden voor de pensioenhervormingen aangehaald. Een eerste argument dat regelmatig terugkomt is de billijkheid: iedereen gelijk voor de wet. Om de een of de andere reden speelt dit argument nooit voor een verbetering van de minder gunstige stelsels.

In Frankrijk werd voor de pensioenhervorming in de openbare sector verwezen naar de private sector. Daar heb je sinds de hervormingen Balladur (1993) 40 dienstjaren nodig voor een volledig pensioen (in plaats van 37,5), en worden de 25 beste jaren in aanmerking genomen voor de berekening, in plaats van de tien beste. Pensioenen worden ook niet meer gekoppeld aan de gemiddelde lonen, maar aan de prijzen. Het gevolg van deze hervorming is, volgens de officiële instanties, dat in 2040 netto het gemiddeld pensioen in de private sector nog maar 64 % van het laatst verdiende loon zal bedragen, tegen 78% nu. Meer kritische bronnen spreken van 40%. Als je op pensioen gaat lever je dan meer dan de helft van je levensstandaard in!

Daarmee vergeleken waren de ambtenaren uiteraard “geprivilegieerden”: zij kregen nog steeds een volledig pensioen na 37,5 jaren activiteit, berekend aan 75% van het loon van de laatste zes maanden dienst. Dat kon natuurlijk niet…

De eigenlijke bedoeling van de regering was verdeeldheid: beletten dat de private sector solidair zou zijn met de openbare sector. De linkerzijde antwoordde met het ordewoord “75% na 37,5 jaar voor iedereen, iedereen op 60 jaar met pensioen”. Maar dat werd door de grote vakbondscentrales, die geen frontale confrontatie wilden met de regering, niet overgenomen.

De hypocrisie van de regering bleek overigens uit het feit dat zij voorlopig de bijzondere regimes in de openbare sector, die nog extra “privileges” hebben, ook in vergelijking met de rest van de openbare sector, buiten schot liet (gas en elektriciteit, spoor,…). Enkel verdelen was haar doel.

Repartitie versus kapitalisatie

Een tweede argument gaat als volgt. In de repartitiestelsels (ons wettelijk pensioen bvb) betalen de jongeren voor de ouderen. De lopende pensioenen worden, via de sociale zekerheid, betaald uit de lopende loonmassa. Die wordt opgehoest door de actieven. In een kapitalisatiesysteem daarentegen spaart elkeen voor het eigen pensioen: de ouderen betalen voor zichzelf.

Dit argument is zuivere mystificatie. De ouderen verbruiken op een gegeven ogenblik steeds de goederen en diensten die door de actieven op datzelfde ogenblik worden geproduceerd. De actieven van een gegeven generatie moeten hoe dan ook instaan voor “hun” ouderen. Als die ouderen talrijk zijn, valt daar met geen financiële techniek aan te ontkomen.

Het verschil tussen repartitie en kapitalisatie is enkel een verschil in financiële techniek. De jaarlijks geproduceerde toegevoegde waarde wordt gesplitst in loonmassa en winst. In een repartitietechniek krijgen de ouderen hun deel via een aandeel in de loonmassa, met name via het indirect loon, de sociale zekerheid. In een kapitalisatietechniek krijgen de ouderen hun deel via een aandeel in de winst: de pensioenfondsen investeren in aandelen op de beurs. In beide technieken krijgen de ouderen een deel van de jaarlijks geproduceerde goederen en diensten toegewezen. Bij repartitie hangt dit deel af van het aandeel van de loonmassa in de toegevoegde waarde, dus van de krachtsverhoudingen tussen de sociale klassen: het lot van actieve en niet-actieve werknemers blijft met elkaar verbonden. Bij kapitalisatie hangt het aandeel af van de beurskoers. Het lot van actieve en niet-actieve werknemers wordt losgekoppeld: hoe lager de loonmassa, hoe hoger de winsten, hoe hoger de beurskoersen, hoe beter de pensioenfondsen boeren.

In het kapitalisatiesysteem zouden ouderen voor zichzelf sparen, wat de goede relaties tussen de generaties ten goede komt, wordt gezegd. In het repartitiesysteem daarentegen zouden de ouderen parasiteren op de jongeren. In werkelijkheid is het precies andersom. In het kapitalisatiesysteem hebben de gepensioneerden alle belang bij lage lonen, want dat is goed voor de beurskoersen. Hoe dat een goede relatie tussen de generaties bevordert moet men ons nog eens komen uitleggen.

De combinatie van repartitie en kapitalisatie gaat leiden tot verrassende situaties: wie voor zijn pensioen veel afhangt van kapitalisatie moet maar hopen dat de repartitiesystemen inkrimpen, want dat is goed voor de beurskoersen.

Kapitalisatie

Door de beurskrach heeft in Nederland ruim een op de vijf pensioenfondsen niet genoeg geld om zijn toekomstige verplichtingen na te komen. De fondsen zorgen voor extra geld door premieverhogingen, bijstortingen van de werkgever of een lagere indexatie van de pensioenen(3). Het pensioenfonds voor leraren en ambtenaren is één van de grootste. Het heeft beslist het pensioen niet meer te berekenen op basis van het laatste loon maar van het gemiddeld loon, het nabestaandenpensioen te halveren, de inflatietoeslag voor gepensioneerden te verminderen en extra te korten op de opbouw van het pensioen voor werknemers. Een kwart van de Nederlandse huishoudens voelt deze maatregelen in zijn portefeuille(4).

Het kapitalisatiesysteem koppelt het lot van de gepensioneerden los van de actieven, maar dat biedt nog geen bescherming tegen de inhaligheid van het kapitaal…

Bij sommige fondsen heb je, tenminste in principe en zolang ze niet failliet gaan, een gegarandeerde uitkering. Bij andere weet je hoeveel bijdragen je betaalt, niet hoeveel je later terugkrijgt, dat hangt van de beurskoersen af. In 1975 genoot nog 43% van de Amerikaanse werknemers van een pensioenfonds met gewaarborgde uitkeringen, in 2000 nog slechts 20%(5). De werkgevers wentelen het risico van het ondernemerschap af op hun gepensioneerden…

Herman Deleeck citeert een studie waaruit blijkt dat de pensioenuitgaven in alle landen ongeveer hetzelfde aandeel van het BBP beslaan. Enkel de verdeling tussen kapitalisatie en repartitie verschilt van land tot land. In die landen waar een groot deel van de pensioenen betaald wordt via kapitalisatie is de verhouding tussen de gepensioneerden wel veel ongelijker(6).

In België moet eerstdaags de Wet op de aanvullende pensioenen (WAP) worden goedgekeurd, terwijl individueel pensioensparen al een hele tijd fiscaal wordt gestimuleerd. In Zweden worden de reserves van het wettelijke pensioenstelsel gebruikt om een kapitalisatiesysteem van de grond te krijgen. In Duitsland schat men dat het van de grond krijgen van een aanvullend kapitalisatiesysteem vanaf 2008 tussen de 10 en de 15 miljard gaat kosten.

De pensioenfondsen vormen een enorme markt. Nu reeds dekken zij ongeveer één vierde van de actieve bevolking van de EU, en beheren 2.500 miljard euro (gelijk aan 30% van het BBP van de EU). De eenmaking en uitbreiding van deze markt betekent een aanzienlijke versterking van de kapitaalmarkten in Europa. De machtspositie van de financiële inkomens wordt zo versterkt. De ondernemers komen makkelijk aan kapitaal. En de positie van de Euro in de wereld versterkt. Als supermacht moet je een sterke internationale munt hebben, om investerings- en handelsstromen te sturen.

Vergrijzing

Het derde argument is de veroudering van de bevolking. Het aandeel gepensioneerden vergeleken met de actieve bevolking stijgt: de mensen leven langer, de relatief omvangrijke babyboomgeneratie nadert de pensioenleeftijd…(7)

De demografische factoren vallen niet te loochenen (al zit daar speling op, denk maar aan de voorspellingen over de evolutie van de wereldbevolking die later niet bleken te kloppen).

Maar bewust wordt in de redenering de groei van de productiviteit uit het oog verloren. De laatste 100 jaar is de productiviteit jaarlijks gemiddeld met 2% gestegen. Dat betekent dat de jaarlijks geproduceerde rijkdom, bij een gegeven hoeveelheid arbeidsuren, om de 40 jaar verdubbelt. Als je dus weet dat tegen 2040 de jaarlijks geproduceerde rijkdom verdubbeld zal zijn, is het al veel minder duidelijk waarom de groei van het aantal ouderen een probleem vormt.

In Frankrijk is de volgende berekening gemaakt. Wat zal de situatie zijn in 2040? Veronderstel dat het BBP inderdaad verdubbelt. We gaan uit van de huidige verdeling van de toegevoegde waarde tussen loonmassa en winst(8). Voor onze berekening is het niet nodig de winsten “aan te tasten”. Verder gaan we ervan uit dat we de huidige verhouding van de levensstandaard tussen de actieven en gepensioneerden handhaven. In dat geval zal de levensstandaard van de actieven “slechts” stijgen met twee derden, in plaats van te verdubbelen, wat het geval zou geweest zijn indien de verhouding tussen actieven en niet-actieven niet gewijzigd was(9).

Je kan het ook bekijken via de EU-cijfers. Volgens de werkgroep ‘vergrijzing’ van het Comité voor economische politiek zouden bij ongewijzigd beleid de pensioenuitgaven tussen 2000 en 2050 in de meeste EU-landen waarschijnlijk met 3 tot 5 procentpunt van het BBP stijgen. Een kind begrijpt dat dit probleem op te vangen moet zijn, als dat BBP tegelijk verdubbelt. Overigens is een vergelijkbare stijging van de pensioenuitgaven de afgelopen decennia rimpelloos opgevangen.

Of bekijk het in historisch perspectief. In 1850 werkte een mens 70% van de tijd die hij wakend doorbracht, in 1900 nog 43%, en vandaag ongeveer 17%. En toch lijkt die 83% inactiviteit best draagbaar.

De idee van een verdubbeling van het BBP doet allicht wat groene lezers steigeren. Geen paniek echter: gestegen productiviteit kan ook omgezet worden in vermindering van de arbeidstijd, meer vrije tijd en anders gaan leven.

Wat is dus eigenlijk nog het probleem? Je moet toch niet in Oxford gestudeerd hebben om dat soort berekeningen te maken. De Franse regering heeft in ieder geval niet veel mensen overtuigd.

Activiteitsduur

De pensioenhervormingen zoals die de laatste jaren zijn doorgevoerd binnen de EU hebben een aantal gemeenschappelijke punten. Een eerste luik bestaat erin dat gepoogd wordt de activiteitsduur vóór de mensen op pensioen gaan, te verlengen. Langer werken dus. Dat kan op verschillende manieren.

In Italië werd de wettelijke pensioenleeftijd verhoogd (tot 65 jaar voor de mannen, 60 jaar voor de vrouwen). In Duitsland heeft een adviseur van de regering, professor Rürup, eveneens voorgesteld de wettelijke pensioenleeftijd te verhogen, van 65 tot 67 jaar, maar hij wordt daar vooralsnog niet in gevolgd. Aan de wettelijke pensioenleeftijd wordt eerder zelden geraakt(10). Dat ligt politiek te gevoelig. Het is ook niet echt nodig. Je bereikt hetzelfde effect door twee reeksen maatregelen: enerzijds het verhogen van de feitelijke pensioenleeftijd tot zo dicht mogelijk in de buurt van de wettelijke pensioenleeftijd; anderzijds zorgen dat gepensioneerden zo veel mogelijk blijven werken. Als mensen langer blijven werken verminderen de pensioenuitgaven. Als gepensioneerden actief blijven, kan je nog eens beknibbelen op hun pensioen.

Het verhogen van de feitelijke pensioenleeftijd kan op vele manieren. Je kan het de patroons moeilijker maken om oudere werknemers te ontslaan, bv. door financiële sancties of stimuli. In Frankrijk kunnen patroons werknemers pas op hun 65ste in plaats van op hun 60ste zondermeer ontslaan. De mogelijkheid tot prepensioen wordt er sterk ingekort (enkel nog wegens belastend werk of in het kader van sociale plannen). In België liggen de prepensioenen al jaren onder vuur.

Je kan oudere werklozen stimuleren weer aan de slag te gaan, bv. door hen een deel van hun uitkering te laten behouden. In Groot-Brittannië en Italië wordt extra aandacht besteed aan de vorming van werknemers ouder dan 40 jaar, om te vermijden dat ze de rol gaan lossen. Duitsland vergemakkelijkt deeltijds werk voor oudere werknemers, en ook België heeft al een heel soort arsenaal van dat soort maatregelen: het ziet er uit als arbeidsduurvermindering voor oudere werknemers, maar de bedoeling is dat die mensen langer gaan werken…

Bijverdienen

De wettelijke pensioenleeftijd wordt relatief wanneer mensen na hun pensioen verder moeten werken om het hoofd boven water te houden. In Frankrijk wordt de mogelijkheid voor gepensioneerden om bij te verdienen versoepeld. In België wordt een dubbele politiek gevolgd: voor mensen die vóór de wettelijke pensioenleeftijd op pensioen gaan wordt de mogelijkheid tot bijverdienen beperkt, om “voortijdige” pensioneringen niet in de hand te werken. Eenmaal de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zal men, volgens de aangekondigde wetswijziging, onbeperkt kunnen bijverdienen.

In de USA bestaat 30% van het inkomen van mensen tussen 65 en 70 jaar uit inkomen uit arbeid.

Prikkels

De sterkste “prikkel” om mensen er toe aan te zetten langer te werken is natuurlijk financieel: je verhoogt het aantal jaren activiteit dat nodig is voor een volledig pensioen, en je voert financiële sancties in voor wie vóór de wettelijke pensioenleeftijd op pensioen gaat. Wie doorwerkt nadat hij reeds een volledige loopbaan heeft bijeengewerkt vóór de wettelijke pensioenleeftijd, krijgt een extraatje. Dat komt dan goed van pas omdat het pensioen zo laag is.

In Oostenrijk wordt het aantal jaren activiteit nodig voor een volledig pensioen geleidelijk verhoogd van 40 tot 45 jaar. Het pensioen was gelijk aan 80% van het gemiddeld inkomen van de 15 laatste gewerkte jaren, met een maximum van 2.309 euro (14 maal uitgekeerd per jaar). Dat evolueert door de recente hervorming geleidelijk naar 80% van de 40 laatste gewerkte jaren. Langer werken voor een kleiner pensioen dus. Dank zij de syndicale acties werd wel gegarandeerd dat het pensioen in de toekomst hoogstens (!) 10% lager mag liggen dan nu. Ook werd de voor 2013 geplande vervroegde pensionering uitgesteld tot 2017.

In Frankrijk wordt in de openbare sector het aantal jaren activiteit nodig voor een volledig pensioen verhoogd van 37,5 tot 40, “zoals in de privé” (cf. supra). In de private sector blijft het 40, maar het aantal basisjaren voor de berekening van het pensioen wordt ieder jaar met twee trimesters verhoogd, tot er vier jaar meer meetellen (per definitie “slechtere” jaren). De aftrek wegens voortijdig pensioen wordt voor de private sector geleidelijk verlaagd, voor de openbare sector verhoogd, tot ze in 2008 gelijk zijn. Vanaf 2013 verliest iedereen 5% pensioen per jaar pensionering zonder volledige loopbaan vóór de wettelijke pensioenleeftijd. Wie vóór 65 een volledige loopbaan bijeengewerkt heeft, en verder werkt, krijgt per tussen 60 en 65 extra gewerkt jaar 3% opleg. Vanaf 2008 wordt de volledige loopbaan voor iedereen geleidelijk opgetrokken, tot 41 jaar in 2012, 42 in 2020, enz., in functie van de demografische evolutie. Een ‘onafhankelijk’ comité moet dit opvolgen. Dit comité is onafhankelijk, want het gaat uiteraard niet om een politieke keuze (besteding van maatschappelijke rijkdom), maar om een onvermijdelijk technisch gevolg van een natuurfenomeen, de demografische evolutie.

Wat gaat het effect van deze maatregelen zijn? Ook hier is Orwelliaans taalgebruik immers nooit ver weg: men spreekt van “langer moeten werken voor een volledig pensioen”, terwijl dat in de praktijk gemakkelijk wordt “een lager pensioen, want niet lang genoeg gewerkt”. Het zal de regeringen worst zijn: in beide hypothesen verminderen de pensioenuitgaven.

Verlaging van de pensioenen

Nog heel wat andere maatregelen leiden tot een verlaging van de wettelijke pensioenen, en verhogen dus de druk, hetzij tot uitstel van het pensioen, hetzij tot verder werken na het pensioen. België blijkt op dat vlak een kampioen te zijn in Europa (niet welvaartvast maken van de pensioenen, niet indexering van de plafonds waarop de pensioenen worden berekend, enz). In Duitsland werd een maatregel van de regering Kohl, die eerst was afgevoerd, nu terug ingevoerd: de jaarlijkse stijging van de pensioenen wordt gekoppeld aan de evolutie van het geboortecijfer (de ‘duurzaamheidsfactor’). Daardoor zullen de pensioenen vanaf 2005 jaarlijks enkele tienden van een procent achterlopen op de evolutie van de welvaart.

Dit alles wordt door de spindokters ingepakt in het geschenkpapier van de “strijd tegen de armoede”. Er zit altijd wel een maatregel in voor de laagste pensioenen. België, kampioen van de loskoppeling tussen pensioenen en lonen, staat ook op dat vlak zijn mannetje. Je zegt dat de laagste pensioenen met X % omhoog gaan, daarbij verhelend dat X % van niks gelijk is aan niks. Je kondigt aan dat je oude pensioenen “gedeeltelijk welvaartvast” maakt, terwijl het er eigenlijk op neerkomt dat jaren loskoppeling van de welvaart wordt bevestigd.

Ook in Frankrijk moet de pensioenhervorming verpakt worden in een schijn van gunstmaatregel voor de laagste lonen. Mensen met een minimumloon kregen gegarandeerd een pensioen aan 85%. Maar werknemers die minder verdienen dan het minimumloon – één op zes – werden van de maatregel uitgesloten. De anderen krijgen die 85% enkel mits een volledige loopbaan, wat natuurlijk minder voorvalt naargelang een volledige loopbaan 40, 41, 42 jaar… activiteit vereist. Bovendien krijgen de gelukkigen 85% op het ogenblik van hun pensionering, maar lopen onmiddellijk achterstand op, want hun pensioen is niet gekoppeld aan de lonen. Volgens de CGT zal hun pensioen na 15 jaar nog maar 65% van het minimumloon bedragen(11).

Vrouwen

Vrouwen hebben een kortere loopbaan, met meer onderbrekingen, en lagere lonen. Zij staan dus op de eerste rij om op te draaien voor de pensioenhervormingen.

Enkele cijfers uit Frankrijk illustreren dit. Ook toen een volledige loopbaan nog 37,5 jaren bedroeg, hadden slechts 39% van de vrouwen een volledige loopbaan, tegen 85% van de mannen. De loopbaan van de vrouwen wordt geleidelijk langer, maar neem je de jongste groep gepensioneerden (60 – 64 jaar), dan nog heeft slechts 53% van de vrouwen een volledige loopbaan tegen 82% van de mannen. Het gevolg is dat vrouwen gemiddeld twee jaar later op pensioen gaan dan mannen, om toch wat loopbaan op te bouwen. Een werkweek van minder dan 16u telt niet mee voor het pensioen. Nogal wat kuispersoneel, vooral vrouwen, werkt in dat soort regimes. Niet alleen hebben ze een kortere loopbaan, maar er is een extra aftrek als ze met die onvolledige loopbaan op pensioen gaan vóór de wettelijke pensioenleeftijd.

Maatregelen die het niveau van de pensioenen omlaag halen komen extra hard aan voor wie al een klein pensioen heeft. In 2001 was het gemiddeld pensioen van de Franse vrouwen maandelijks 848 euro, tegen 1.461 euro voor de mannen (72% meer). 83% van de gepensioneerden ouder dan 65 jaar, die onder het wettelijk minimum zitten, zijn vrouwen.

Er zijn een reeks perverse voorstellen om de situatie van de vrouwen te verbeteren. In Frankrijk bestaat er al een systeem waarbij vrouwen met kinderen extra jaren loopbaan krijgen, om de verloren jaren wegens het verzorgen van de kinderen op te vangen. Voor je het weet zit je weer in een premie-aan-de-haard systeem, in het kader van een natalistische gezinspolitiek. In Duitsland heeft de CDU zelfs voorgesteld kinderloze gepensioneerden te straffen met een aftrek op hun pensioen…

Er is een andere mogelijkheid. Uit onderzoek blijkt dat 6 op de 10 huisvrouwen in Frankrijk eigenlijk wel willen gaan werken. Je moet dan wel de maatschappelijke infrastructuur scheppen die vrouwen toestaat te gaan werken. Een ganse reeks “vrouwentaken” kan omgevormd worden in betaald werk: kinderopvang, buurtdiensten, bejaardenzorg. Met andere woorden, als meer vrouwen buitenshuis gaan werken, verhoogt niet de werkloosheid, maar dit gaat integendeel gepaard met de noodzakelijke creatie van nieuwe banen. Ziehier een idee voor wie bezorgd is over de verhouding actieven – niet actieven…(12)

Zilverfonds

Heel wat landen hebben iets vergelijkbaars met ons Belgisch “Zilverfonds” uit de grond gestampt: Ierland, Spanje, Portugal, Frankrijk, … In de budgetten wordt ruimte geschapen om financiële problemen van de wettelijke pensioenstelsels op te vangen. Het “Zilverfonds” in België komt neer op de belofte dat de vermindering van de staatsschuld gebruikt zal worden om de wettelijke pensioenen in de toekomst te financieren. Dat is een argument in beton om nu de staatsschuld te verminderen, en “allemaal samen” de broeksriem aan te halen. Om de budgettaire marge te kunnen gebruiken moet de staatsschuld volgens de wet op het Zilverfonds wel eerst verminderd zijn tot 60% van het BNP (en anders? geen pensioen?). Dat de zuinigheid nu binnen x jaar daadwerkelijk gebruikt gaat worden voor de financiering van het wettelijk pensioen is niet meer dan een politieke belofte. Er is geen enkele juridische waarborg. Het beeld dat er ergens een fonds of kas is waarin geld bijeengespaard wordt voor de pensioenen is louter volksbedrog.

Beschaving

De diverse pensioenhervormingen in de EU maken deel uit van het breder offensief om de arbeidsmarkten in de EU te flexibiliseren en precariseren. De naoorlogse sociale zekerheid beschermt werknemers tegen de risico’s van het bestaan: werkloosheid, ziekte, ouderdom,… Werknemers worden niet voor niets loonafhankelijken genoemd: wie zijn werk, en dus zijn loon verliest, wacht de maatschappelijke dood. De sociale zekerheid biedt tegen dat risico bescherming.

Vanuit het standpunt van de werkgevers heeft die bescherming een groot nadeel. Niet alleen vergroot de sociale zekerheid de loonmassa. Bovendien geeft zij zekerheid aan de werknemers. De werknemers dreigen te vergeten dat hun lot verbonden is met hun bekwaamheid hun arbeidskracht te verkopen op de arbeidsmarkt. Zij vergeten dat hun arbeidskracht koopwaar is. Daar moest dringend aan gedaan worden. Gans de arbeidsmarktpolitiek van de EU kan tot dit ene objectief herleid worden : terug onzekerheid invoeren in het bestaan van de werknemers.

De bedoeling is niet alle werknemers tot de bedelstaf te veroordelen. Op de arbeidsmarkt zijn er “winnaars en verliezers”. De winnaars kunnen zichzelf zekerheid kopen op de markt: pensioensparen, hospitalisatieverzekering, een lijfrente hier en een aandelenpakket daar. Zij moeten er zich echter wel van bewust zijn dat zij dit enkel kunnen omdat zij een inkomen hebben. Als zij de rol van de arbeidsmarkt lossen valt hun leven in duigen. De gevolgen zijn te lezen in alle statistieken: verhoging van de stress, psychosomatische aandoeningen, klachten over gewrichten en de rug,…

Openbare diensten en gemeenschapsgoederen (zoals vrije tijd) verkommeren. Welzijn neemt steeds meer de vorm aan van koopwaar. Ontspanning, relaties, samen leven, wordt gedrukt in het enge karkas van goederen die te koop zijn op de markt. Daarmee is de cirkel rond: om maatschappelijk mee te tellen heb je een monetair inkomen nodig.

Ook op je oude dag. Het wekt dus geen verwondering dat in een samenleving die steeds “rijker” wordt, mensen steeds banger zijn om hun oude dag.

Men zegt wel eens dat de beschaving van een land gemeten worden aan de zorg die het besteed aan de ouderen. Dat is diepere waarheid dan men op het eerste zicht zou denken(13).

(Uitpers, nr. 45, 5de jg., september 2003)

*Frank Slegers is syndicaal afgevaardigde van de ACOD op het Riziv, actief in het Belgisch Collectief van de Euromarsen tegen werkloosheid, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, en betrokken bij het Sociaal Forum van België en bij de organisatie van het komend Europees Sociaal Forum in november in Parijs

Mailadres: Frank.Slegers@tijd.com

 

Voetnoten

(1) De Europese Raad kan in de sociale zekerheid mits eenparigheid in principe minimumregels opleggen. Zij beperkt zich tot de andere mogelijkheid: het beleid van de lidstaten aanvullen en ondersteunen door de coördinatie te versterken (zie art. 137 van het Verdrag van de Europese Gemeenschappen).

(2) Verslagen van bijeenkomsten van de Europese Raad vind je als “conclusies van het voorzitterschap”: http://ue.eu.int/nl/info/eurocouncil/

Een eerste verslag over de pensioenen in het kader van de open coördinatiemethode: http://europa.eu.int/comm/employment_social/soc-prot/pensions De citaten in de volgende alinea over het ‘verlicht despotisme’ komen uit dit document

(3) NRC Handelsblad, 5 juni 2003.

(4) NRC Handelsblad, 21 juli 2003.

(5) Cijfers geciteerd door Martine Bullard in Le Monde Diplomatique van mei 2003.

(6) Herman Deleeck, Wettelijke en aanvullende pensioenen, complementair of concurrent, CSB-berichten, december 2002.

(7) In één adem voegt men daar wel eens aan toe dat hierdoor ook de uitgaven voor gezondheidszorg stijgen. Dit klopt echter niet. Mensen leven langer, precies omdat ze gezonder zijn… De (relatieve) explosie van de gezondheidsuitgaven wordt vooral veroorzaakt door de vertechnisering van de gezondheidszorg.

(8) Het feit dat het neoliberaal offensief in de jaren ’80 deze verdeling met 10 procentpunten heeft verschoven ten voordele van de winsten, laten we dus buiten beschouwing. Deze verschuiving vormt de basis is van de explosie van de financiële inkomens. Deze 10 procentpunten hadden ook gebruikt kunnen worden voor arbeidsduurvermindering, dus minder werkloosheid, dus… meer activiteit. De omvang van deze verschuiving van rijkdom van arbeid naar kapitaal is gelijk aan de totale lopende pensioenuitgaven.

(9) Wie zich wil verdiepen in de politieke en technische debatten in Frankrijk verwijzen we naar de site van Michel Husson: http://husonet.free.fr/ Je vindt er een quasi volledig overzicht van het debat in Frankrijk.

(10) Afgezien van de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd voor vrouwen in naam van de gelijkheid mannen-vrouwen, waarbij ook het aantal jaren activiteit nodig voor een volledig pensioen in verhouding wordt verhoogd, wat in de praktijk neerkomt op een stevige inlevering op het pensioen. In België wordt de pensioenleeftijd voor vrouwen zo geleidelijk verhoogd van 60 tot 65 jaar (2009), en eenzelfde maatregel maakt deel uit van het pakket waar Oostenrijk onlangs tegen op straat kwam.

(11) Martine Bulard, Financer les retraites autrement… Le Monde Diplomatique, juli 2003.

(12) We putten uit een bijdrage van Esther Jeffers en Christiane Marty in het Franse pensioendebat. Hun bijdrage verscheen in de Courriel van Attac Frankrijk. Wie meer wil weten schrijft mailt naar genre@attac.org

(13) Op het Europees Sociaal Forum in Parijs (12 tot 15 november 2003) worden verschillende seminaries gepland over de pensioenproblematiek. Wie daar mee over wil weten mailt (in het Frans…) naar Marc Mangenot van de Fondation Copernic: Mangenot.Geralter@globenet.org

Deel dit artikel

Visited 130 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook