Een nieuwe studie van Greenpeace Duitsland, ‘Europa allein zu Haus?’ bevestigt dat de Europese NAVO-staten ook zonder de Verenigde Staten op nagenoeg alle militaire domeinen superieur zijn aan Rusland. De analyse hekelt zowel de onverantwoorde stijgende militaire uitgaven als de nog steeds gebrekkige Europese samenwerking.
De jongste jaren wordt het veiligheids- en defensiedebat grotendeels aangedreven door twee belangrijke recente gebeurtenissen die de Europese politiek en media in crisismodus deden belanden: de Russische invasie van Oekraïne en de komst van Trump II. Vooral in Oost-Europa groeide de vrees voor verregaande territoriale ambities van Rusland gestaag na de militaire interventie in Georgië (2008), de annexatie van de Krim (2014) en de agressie tegen Oekraïne (2022). De wispelturige politiek van president Trump tegenover Rusland, zijn dreigingen dat hij de Europese bondgenoten niet meer te hulp zou schieten indien er een oorlog met Moskou zou uitbreken, en zijn claims op Groenland deden de spanningen binnen de NAVO oplopen. Gevoed door angst en paniekzaaierij (er circuleerden zelfs concrete datums voor een Russische aanval), vertaalde zich dat in een grootschalige Europese militariseringsoperatie.
Hoewel de studie die Greenpeace liet uitvoeren een Russische aanval op een NAVO-lidstaat niet 100% uitsluit, stellen de auteurs dat in plaats van in paniek te vervallen het raadzamer zou zijn om zich te baseren op de feiten. Het doet daarvoor beroep op gegevens over de militaire krachtsverhoudingen tussen de Europese NAVO (+ Canada) en de gehele NAVO enerzijds en Rusland anderzijds, waarbij ook rekening wordt gehouden met de prestaties van het Russische leger in Oekraïne.
De studie maakt gebruik van zes parameters.
Militaire uitgaven
De Europese NAVO-staten (+ Canada) besteedden in 2025 gezamenlijk meer dan drie keer aan hun legers dan Rusland (626 miljard dollar tegenover 190 miljard dollar). Zelfs als er rekening wordt gehouden met koopkrachtpariteiten dan zou Rusland met omgerekend 540 miljard dollar nog steeds minder uitgeven dan de Europese NAVO (+ Canada). Met de Verenigde Staten erbij geteld, lagen de gezamenlijke NAVO-uitgaven in 2025 met 1581 miljard dollar ver boven die van Rusland. Het is een wanverhouding die nog sterk zal toenemen sinds de NAVO besliste om de militaire en daaraan gerelateerde uitgaven van de lidstaten op te trekken naar 5% van hun bruto binnenlandse producten (BBP).
Het klopt dat NAVO-lidstaten, aangedreven door eigen prioriteiten en belangen, in eerste instantie investeren in hun nationale militaire infrastructuur, maar daar tegenover staat dat een aanzienlijk deel van de Russische militaire uitgaven dan weer bestemd zijn om de oorlog in Oekraïne te kunnen voortzetten. Munitie, wapens en militair materieel moeten voortdurend vervangen worden. Veel geld gaat ook naar bonussen om oorlogsvrijwilligers te rekruteren. De vraag stelt zich hoelang Moskou deze inspanningen zal kunnen volhouden. Rusland investeert een derde van zijn begroting aan het leger (of 7,5% van het BBP in 2025). Naast de oorlog zijn ook de sancties erg belastend voor de Russische economie.
Grote wapensystemen
In vijf van de acht categorieën van grote wapensystemen beschikt de NAVO over minstens driemaal zoveel materieel als Rusland. Zo hebben alle NAVO-lidstaten samen 5270 gevechtsvliegtuigen, waarvan 2215 in Europa en Canada. Rusland heeft er 1064. Voor artillerie en pantservoertuigen is de verhouding een op drie in het voordeel van de Europese NAVO-staten + Canada. Voor oorlogsschepen is dat een op vier. Voor tanks een op twee. Bovendien kijkt Rusland voor veel wapensystemen aan tegen een technologische achterstand die niet zomaar binnen een decennium kan worden ingehaald.
Troepensterkte
De Europese NAVO-staten en Canada hadden in 2025 bijna 2 miljoen militairen onder de wapens. Met de Verenigde Staten erbij gaat het over 3,3 miljoen actieve manschappen. Daar moet nog het grote aantal reservisten bijgeteld worden. Rusland beschikt over 1,264 miljoen actieve militairen.
Militaire performantie
Het mislukken van de grootschalige Russische invasie in de eerste weken van de oorlog in Oekraïne, die onder meer tot doel had de Oekraïense troepen te verslaan, Kiev te bezetten en de Oekraïense regering omver te werpen, illustreert de zwakke slagkracht van het Russische leger op het vlak van commandostructuur, inzetbaarheid, mobiliteit en bewapening. Dat staat volgens de studie in contrast met de veel grotere paraatheid van de NAVO-troepen, ook al bestaan er aan Europese kant lacunes wat betreft bepaalde capaciteiten, zoals inlichtingen, vroegtijdige waarschuwingssystemen, raketafweer en luchtverdediging, en luchttransport. Dat is een gevolg van de VS-dominantie binnen het trans-Atlantisch bondgenootschap – tot voor kort een geïntegreerde politieke en militaire samenwerking.
Wapenproductie en militaire investeringen
De NAVO-staten zijn, met een aandeel van 70%, veruit de belangrijkste spelers op de wereldwijde wapenmarkt. Voor Rusland is dat maar 4,6%. Van de 100 grootste wapenbedrijven zijn er 40 afkomstig uit Noord-Amerika (waarvan één uit Canada), 26 uit Europa en slechts twee uit Rusland. De NAVO heeft er ook voor gezorgd dat er veel geld naar bewapening gaat. Bijna 30% van de militaire budgetten van de NAVO-landen gaat bovendien naar de ontwikkeling en aanschaf van wapensystemen en militair materieel.
Kernwapens
Het enige domein waar Rusland dominant is ten opzichte van de Europese NAVO-landen, zijn kernwapens. Rusland beschikt over 4.400 kernkoppen, tegenover 515 van beide Europese kernwapenmachten: Frankrijk (290 kernkoppen) en het Verenigd Koninkrijk (225). Parijs en Londen hebben echter een grote tweede nucleaire aanvalscapaciteit (‘second-strike capability’) omdat hun kernwapes grotendeels op onderzeeërs gestationeerd zijn. Als de kernkoppen van de Verenigde Staten meegerekend worden (3700), is er sprake van een strategisch evenwicht tussen de NAVO en Rusland.
Gebrek aan coherentie
Hoewel het conventioneel overwicht van de Europese NAVO tegenover Rusland duidelijk groot is, is het tot een waar opbod gekomen tussen Europese regeringen, politieke partijen, veiligheidsexperts en media voor meer militaire uitgaven, meer bewapening en versterkte militaire apparaten. Op voorstel van de Europese Commissie werd in 2025 beslist om 800 miljard euro in de legers van de EU-lidstaten te stoppen. Parallel werd op de NAVO-top in Den Haag (eveneens in 2025) afgesproken om de militaire uitgavennorm meer dan te verdubbelen naar 5% van het BBP, verdeeld over directe (3,5%) en militair gerelateerde uitgaven (1,5%).
De afgelopen 10 jaar hebben de Europese NAVO-lidstaten 3785 miljard dollar aan hun legers besteed. Als er desondanks nog lacunes bestaan op vlak van bepaalde capaciteiten, dan ligt dat niet aan de omvang van de budgetten maar aan ‘nationaal egoïsme’ en het gebrek aan een coherent Europees veiligheidsbeleid. Volgens de auteurs van de Greenpeace-studie lijdt het Europese veiligheidsbeleid onder een ongecoördineerde en dure wapenwedloop. Een voorbeeld van het falen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) ten gevolge van nationale belangen is de transporthelikopter NH90: voor acht landen zijn er 17 verschillende varianten ontwikkeld. Het meest recente voorbeeld is het Duits-Franse geschil over de projectleiding van het nieuwe gevechtsvliegtuigsysteem FCAS (‘Future Combat Air System’). Onenigheid tussen het Franse Dassault Aviation en het Duits-Spaanse Airbus legde een hypotheek op de toekomst van het project. Het ligt momenteel zo goed als stil. Tegelijkertijd gebruiken de EU-lidstaten elf verschillende types gevechtstanks. De studie besluit: “Wie de veiligheid van Europa alleen wil garanderen met steeds meer miljarden en nieuwe wapens, gaat voorbij aan de echte problemen: gebrek aan samenwerking, dure dubbele structuren en nationaal egoïsme. Veiligheid ontstaat niet door blinde bewapening, maar door een gezamenlijk defensiebeleid met gezond verstand.”
De auteurs van de studie pleiten voor een grondige bijsturing, met meer aandacht voor diplomatie en niet-militaire oplossingen (de EU als ‘vredesmacht’), ernstige dreigingsanalyses en een oriëntatie op verdediging in plaats van op oorlogsvoering. De wapenindustrie moet onderworpen worden aan duidelijke nationale randvoorwaarden, gericht op Europese projecten en er moet worden gestreefd naar een vermindering van het aantal nationale productiefaciliteiten voor belangrijke wapensystemen om dubbele verspilling te voorkomen. Ook stelt de studie voor om de parlementaire controle op Europees niveau te verbeteren en te versterken omdat de Europese Commissie, anders dan oorspronkelijk voorzien, zich meer en meer toelegt op de Europese defensiepolitiek. Sinds 2024 is er zelfs een Europese Comissaris voor Defensie en Ruimtevaart aangesteld.
Weinig aandacht voor een niet-militaire veiligheidspolitiek
De zwakte van de Greenpeace-studie is dat ze teveel de militaire veiligheidspolitiek als uitgangspunt neemt en amper ingaat op de vraag naar alternatieven voor de militarisering om Europa veilig te houden. Hoewel het persbericht bij de studie stelt dat het van cruciaal belang is “om veiligheid op de lange termijn niet uitsluitend in militaire termen te benaderen”, blijft dat aspect grotendeels buiten beschouwing. Nochtans is het vooral daar dat Europa nood aan heeft. Voormalig Sovjetleider Michael Gorbatsjov sprak aan het eind van de Koude Oorlog over een “gemeenschappelijk Europees huis”, een vreedzame, geïntegreerde Europese veiligheidsarchitectuur en politieke samenwerking “van Lissabon tot Vladivostok”. De NAVO-uitbreiding gooide roet in het eten van een dergelijk gemeenschappelijk veiligheidsbeleid. Tekenend is dat de Greenpeace-studie lijkt te pleiten voor een betere taakverdeling tussen de EU en de NAVO, zonder zich de vraag te stellen of de NAVO, die immers heeft bijgedragen aan groeiende spanningen met Rusland, wel geschikt is om een Europees veiligheidsbeleid vorm te geven.

