Europeanen stemden: nauwelijks, behoudsgezind, versnipperd en nationaal

Hebben de kiezers van de 27 EU-lidstaten (die de moeite namen hun stem uit te brengen) zich uitgesproken over de persoon en het beleid van Jose Manuel Barroso? Kozen die kiezers hun vertegenwoordigers in het EU-Parlement op grond van het te volgen Europees beleid? Nee, zowat overal waren die verkiezingen voor het EU-Parlement een opiniepeiling op ware grootte. En die peilingen vielen meestal zeer slecht uit voor links.

Continuïteit

Barroso was al zogoed als bij voorbaat zeker van een tweede ambtstermijn. Toen zelfs de sociaaldemocratische premiers van Spanje, Portugal en het Verenigd Koninkrijk zich voor een tweede termijn uitspraken, lag de uitslag al vast. Een van de weinigen die actief campagne voerde rond de EU en rond Barroso, Daniel Cohn-Bendit die in Frankrijk Europe-Ecologie aanvoerde, kreeg wel veel kiezers achter zich, maar hij was een van de weinigen om daar echt een zaak van te maken.

Barroso komt de meeste regeringsleiders goed uit, er is onder diens leiding immers nauwelijks sprake van een Europese aanpak van de financieel-economische crisis. Met Barroso kan iedereen zijn gang blijven gaan. Barroso staat ook garant voor een rechts beleid, en dat komt de “overwinnaars” van die verkiezingen, rechtse partijen van diverse pluimage, uiteraard goed uit.

En het parlement daarin? De oppositie tegen Barroso en co, namelijk de Groenen en de groep van radicaal-links, krijgen alleen symbolische steun van de sociaaldemocraten van wie enkele topleiders Barroso wel steunen. Waarom zouden kampioenen van de deregularisatie als Brown en Zapatero aanstoot nemen aan diens liberale beleid? Bovendien hopen de meeste sociaaldemocratische leiders in de EU de samenwerking met de conservatieve Europese Volkspartij (EVP) in het Parlement te kunnen voortzetten en de belangrijke posten daar onder elkaar te verdelen. De Liberalen kwamen al snel onder hun duiven schieten: die zetten hun bezwaren tegen Barroso opzij als de EVP er maar in toestemde de Liberalen bij de verdeling van de topposten te betrekken.

Onverschilligheid?

Dit machtsspel aan de top is niet van aard om die zogenaamde “Europese burger” dichter bij de uitbouw van de Europese Unie te betrekken. Hoe groot zou de opkomst wel zijn indien nationale kwesties in de campagnes geen rol zouden spelen? Die opkomst was nu alweer aan de lage kant, al trokken de optimisten zich op aan het feit dat de neergaande trend “stagneert” – een eufemisme voor ‘de onverschilligheid houdt aan’.

In België hebben we stemplicht, de opkomst voor de Europarlementsverkiezingen ligt dan uiteraard hoog, hoger dan waar ook. Stemplicht is de uitzondering in Europa. Het gemiddelde opkomstcijfer: 43 %. Met enkele hoogten die het gemiddelde omhoog drijven, zoals in België, en vele laagten.

De afwezigen hebben in de regel ongelijk. Maar wat met opkomstcijfers zoals 19% in Slovakije, 20% in Litouwen, 24 % in Polen, 27% in Roemenië, 28 % in Tsjechië en Slovenië. Veel andere landen zitten onder het gemiddelde: 34% in het Verenigd Koninkrijk, 36 % in Hongarije en Nederland, 37% in Portugal en Bulgarije, 40 % in Frankrijk en Finland, 42 % in Oostenrijk. Duitsland, Estland en Zweden zitten op het gemiddelde, 43 %. Spanje haalt het gemiddelde licht naar omhoog, 44 %. Gelukkig zijn er landen als België (90 %), Griekenland (53 %) en Italië (66 %) om het gemiddelde op te tillen.

Vanwaar die – op zijn zachtst gezegd – grote onverschilligheid tegenover die Europese volksvertegenwoordiging? Vroeger kon nog worden aangevoerd dat dit parlement toch niets te zeggen had. Maar intussen zijn de bevoegdheden wel uitgebreid. De Commissie, waarvan de voorzitter en de leden worden aangeduid door de regeerders van de lidstaten, is echter veel belangrijker dan het EU-parlement, en die Commissie is dus afhankelijk van nationale regeringen. De debatten in het EU-parlement beroeren de mensen nog veel minder dan die in nationale parlementen.

Verkiezing als peiling

Moet het ons dan verwonderen dat in de meeste landen gestemd is rond nationale kwesties die soms werden vermengd met “Europa”. Als er al over “Europa” werd gestemd, was dat vooral om ongenoegen te uiten over wat de critici de Europese bureaucratie in Brussel noemen. In veel landen is “Brussel” een scheldwoord geworden. Brussel staat dan voor alles wat verziekte ambtenarij is. In Frankrijk onthielden veel Fransen vooral dat “Brussel” wou toestaan om rosé wijn te maken door het versnijden van witte en rode wijn. De verontwaardiging daarover was zo groot, dat “Brussel” dat voorstel moest intrekken.

In diverse landen werden de Europese verkiezingen gezien als een oefening of aanloop tot nationale verkiezingen, tot een soort opiniepeiling op ware grootte. Dat was bij voorbeeld het geval in Duitsland waar in september Duitse parlementsverkiezingen plaats hebben. Dat was het geval in het Verenigd Koninkrijk waar premier Gordon Brown het niet lang meer zal trekken. Dat was ook het geval in Bulgarije en Portugal waar er binnenkort verkiezingen zijn.

Elders was het een populariteitspoll voor de regeerders. In Frankrijk werd er bijna een referendum over Sarkozy van gemaakt. Het viel echter slecht uit voor de opposanten die daar het meest het accent op legden, de socialistische PS en de centrumrechtse MoDem. In Italië draaide alles rond Silvio Berlusconi wiens privéleven ineens dagenlang voorpaginanieuws werd. Hij verloor zijn gok (minstens 43 % halen, zijn Popola della Libertà strandde op 35%), maar de oppositie kon evenmin victorie kraaien. In Spanje verloor de socialist Zapatero de match met de conservatieve PP, in Hongarije werden de regerende socialisten erg zwaar afgestraft voor de economische rampspoed, terwijl het in Griekenland de regerende conservatieven zijn die de rekening daarvoor gepresenteerd krijgen.

In geen enkel van die landen ging het dus om de krachtsverhoudingen binnen het EU-parlement. De besluitvorming op het vlak van de Europese Unie kwam nergens in de campagnes aan bod. De kiezers die dan toch opdaagden, wilden hun steun aan of hun ongenoegen over hun regeerders uiten.

Behoudsgezind

Meestal draaide dat uit op steun aan centrumrechtse en rechtse partijen. De partijen die aangesloten zijn bij de Europese Volkspartij (EVP) deden het doorgaans redelijk goed tot goed. Zoals de CDU-CSU in Duitsland, de PP in Spanje, de Oostenrijkse ÖVP, en natuurlijk de CD&V in eigen land.

Maar vaak kwam het erop neer dat zij redelijk goed stand hielden, terwijl hun voornaamste concurrenten, de sociaaldemocratische partijen, verloren, soms zeer zwaar. De lijst is lang van sociaaldemocratische partijen die rake klappen kregen. Het begon in Nederland waar de PvdA werd gehalveerd, terwijl diezelfde dag Labour in het Verenigd Koninkrijk op 16 % viel – minder dan 6% van de stemgerechtigden! In Frankrijk werd het ook een rampzalige uitslag, met 16%, net nog iets voor de groene Europe Ecologie. Nog rampzaliger voor de regerende Hongaarse socialisten die nog 17 % haalden, tegen 56 % voor de rechts-nationalistische Fidesz. Duitsland werd een dieptepunt voor de SPD, het viel erg tegen in Polen, Tsjechië, Portugal, Spanje, Italië, Oostenrijk, Bulgarije … alleen Griekenland, Malta en Slovakije waren zeldzame lichtpunten. Een magere troost voor de SPE, de “Socialistische Partij van Europa”.

De Groenen konden hier en daar van die achteruitgang profiteren: in Frankrijk deden ze het zeer goed, ook in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk viel het erg mee. Daarmee wordt de Groene fractie in het Europarlement iets sterker, terwijl de socialistische verzwakt.

Verschuivingen

Radicaal links heeft daarentegen weinig kunnen profiteren van het socialistische verlies, die fractie wordt kleiner (van 41 naar 32 leden). Uitzonderingen zijn Portugal waar links van de socialisten meer dan 20% haalt, Frankrijk waar dat bijna 14 % is. Maar in Italië is uiterst-links door zijn onderlinge verdeeldheid niet boven de kiesdrempel geraakt.

In Duitsland haalde Die Linke wel 7%, maar dat lag onder de verwachtingen. In Frankrijk deed het Front de Gauche (communistische PCF en Parti de Gauche) het redelijk, met 6,5%, de NPA (Nouveau Parti Anticapitaliste) met Olivier Besancenot bleef met 4,8% onder de verwachtingen. In Nederland kon de SP met 7,5% ook de ontgoocheling moeilijk verbergen. Het verlies van de sociaaldemocratie ging dus doorgaans niet ten gunste van links. In Vlaanderen toonde de PVDA zich blij dat ze boven de één procent uitkwam, maar dat b leef ver onder de verwachting dat er een gekozene zou zijn. De rest, LSP en CAP, b leef bijzonder marginaal.

De rechtse “eurosceptische” partijen hebben daarentegen wel winsten geboekt. De Britse Conservatieven (28,5%), al hadden die zware concurrentie van de EU-vijandige UKIP (17,5%) en van de uiterst-rechtse racistische BNP (6,5%). Een meerderheid van de Britten stemde voor partijen die de EU niet echt zien zitten.

Uiterst-rechtse racistische partijen haalden ook elders goede resultaten. De Italiaanse Lega Nord, partner van Berlusconi, haalt in het noorden van Italië een derde van de stemmen. In Hongarije, Bulgarije en Oostenrijk halen openlijk racistische partijen veel stemmen, terwijl we dichter bij huis het succes hebben van Wilders’ PVV.

Versnipperd

Uit voorgaande blijkt al wel dat de kiezers in veel gevallen voor een versnipperd politiek landschap hebben gezorgd, net als bij ons. Er zijn nogal wat landen waar weinig partijen boven 20 % uitkomen. Als dat dan nog gebeurt in een land mat lage opkomst, betekent dat vaak dat geen enkele partij 10% van het kiezerskorps vertegenwoordigt.

Het resultaat is een versnipperd Europees Parlement. Er was vroeger een sterke polarisatie tussen enerzijds EVP, anderzijds de socialistische fractie, met kleine liberale, groene en radicaal linkse fracties daarnaast. Nu is er grotere versnippering. Bovendien is de grootste fractie, de EVP, een verzameling van vaak zeer uiteenlopende partijen. De Hongaarse Fidesz, goed voor 15 zetels, is een rechts nationalistische partij, bijna te vergelijken met de Lega Nord. In de EVP-fractie zitten ook de 34 gekozenen van Berlusconi’s Popolo della Libertà. Het blijft een raadsel waarom christendemocraten in dezelfde groep willen zitten als de autoritaire Berlusconi. De uitleg die Wilfried Martens ons indertijd gaf, was dat de EVP die groep van Berlusconi nodig had om in het Europarlement onbedreigd de grootste te zijn.

Dan zijn er ook nog her en der gekozenen rond één bepaald thema, zoals de Partij van de Dieren in Nederland, de Zweedse verdedigers van een “vrij Internet”.

Die versnippering is niet vreemd aan de versnippering van de samenleving, aan het opbreken van grotere groepen verenigd door gemeenschappelijke belagen en een gemeenschappelijke wereldbeschouwing. De liberale ideologie heeft op dat vlak, het breken van solidariteitsmechanisme, al veel onheil aangericht.

(Uitpers, nr. 111, 10de jg., juli-augustus 2009)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 54 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook