EU wil met ‘Strategisch Kompas’ militaire wereldspeler worden

De jongste jaren is een arsenaal aan nieuwe instrumenten ontwikkeld die de Europese Unie in sneltempo militariseren. De EU wil naar meer strategische autonomie en het nieuwste wondermiddel heet ‘Strategisch Kompas’. Het wordt alsmaar moeilijker om door de bomen het Europese militaire bos te zien.

Het afgelopen anderhalf jaar heeft de ploeg rond Josep Borrell, de Hoge Vertegenwoordiger van de EU voor Buitenlands en Veiligheidsbeleid, in overleg met de lidstaten gewerkt aan een ‘Strategisch Kompas’. Concreet gaat het om een blauwdruk van een militaire strategie voor de komende vijf tot tien jaar vergelijkbaar met het Strategisch Concept van de NAVO. Midden november heeft Borrell het ontwerp van Strategisch Kompas ter discussie voorgelegd aan de Europese ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie. Hoewel de grote lijnen van de inhoud wel gekend zijn is de tekst zelf niet openbaar gemaakt.

Vlugge interventiemacht

Borrell schetst in zijn voorwoord een bijna apocalyptisch beeld over de veiligheidssituatie van Europa. “Europa is in gevaar,” zo luidt het. “Bedreigingen komen overal vandaan en ze intensifiëren”, terwijl het vermogen van afzonderlijke lidstaten om ze het hoofd te bieden aan het afnemen is. Volgens Borrell willen de burgers dat de EU hen beschermt “voor de gevaarlijke wereld waarin we leven”. Hoewel de topdiplomaat erkent dat dreigingen niet alleen militair zijn, gaat zijn strategisch Kompas niet zozeer over zaken als de bescherming tegen klimaatveranderingen, de groeiende sociale ongelijkheid of de gezondheidscrisis. Europa moet meer zijn dan een ‘soft power’, op eigen militaire benen staan en de “taal van de macht leren”, zo klinkt het.

Een van de meest in het oog springende voorstellen is de oprichting van een vlug ontplooibare militaire macht van 5.000 troepen

Een van de meest in het oog springende voorstellen in het Strategisch Kompas is de oprichting van een vlug ontplooibare militaire macht van 5.000 troepen, modulaire samengesteld met inbegrip van land, lucht en maritieme componenten. Dat is nog lang niet de Europese Defensiemacht waar de Franse president Macron van droomt, maar toch een nieuwe bescheiden stap in de Europese militaire integratie, dat is uitgegroeid tot een kluwen van initiatieven en instellingen. Voor zo’n verregaande Europese militaire integratie bestaat vooralsnog onvoldoende draagvlak, omdat het voor een aantal Europese NAVO-lidstaten het trans-Atlantisch bondgenootschap niet mag ondergraven. Vooral het Verenigd Koninkrijk (VK) stond nogal huiverachtig voor een te grote Europese militaire rol. Met de Britse keuze in 2016 om de Europese Unie te verlaten, kwam er voor Frankrijk een opportuniteit om – met steun van Duitsland – de ambitie voor een grotere militaire rol van de EU door te duwen. Het Franse standpunt kreeg nog meer gewicht na de chaotische terugtrekking uit Afghanistan eind augustus die uitmondde in een groeiende frustratie over het eigengereid optreden van de VS, die te weinig rekening zou houden met zijn partners. Bovendien kijkt de VS militair meer en meer naar Azië (‘pivot to Asia’) wat ten koste zou gaan van de VS-rol in Europa. Dat zijn niet de enige storingen op de transatlantische lijn, zoals bleek uit het defensiepact (AUKUS) dat Australië, het VK en de VS kort na Afghanistan oprichtten, die een geplande Frans-Australische duikbootdeal kelderde.

Tijdens haar ‘Staat van de Unie’-toespraak afgelopen september zei Europees Commissievoorzitter Ursala Von der Leyen dat er meer Europese politieke wil nodig is om zonder de door de VS-geleide NAVO militair te kunnen interveniëren. Volgens haar heeft de EU een ‘defensie-unie’ nodig. De Duitse minister van Defensie, Annegret Kramp-Karrenbauer, sprak voor veel van haar collega’s toen ze kort na het Afghanistan debacle in een opiniestuk schreef dat de EU een strategische speler moet worden om rekening mee te houden. Zij benadrukte de nood aan ‘politieke wil’ om desnoods met een groep van landen, een ‘coalition of the willing’, militaire interventies op te zetten zoals voorzien in artikel 44 van het Verdrag van de Europese Unie.

Het is opvallend hoe de Europese politieke top de interventie in Afghanistan, die op een complete mislukking is uitgedraaid, in het uitstalraam heeft gezet als argument voor een grotere militaire buitenlandse rol van de EU.

Volgend voorjaar zal Frankrijk, dat dan voorzitter is van de Raad, een defensietop bijeenroepen waar een vergelijk uit de bus moet komen over het Strategisch Kompas. De mate waarin de EU haar strategische ‘autonomie’ in de stijgers kan zetten, zal mee afhangen van de gezamenlijke verklaring tussen de EU en de NAVO die voor eind dit jaar is voorzien. Hoe gevoelig dat ligt blijkt uit het feit dat Borrell niet meer over ‘autonomie’ maar over ‘strategische capaciteit’ spreekt.

Militair kluwen

De idee van een Europese snelle reactiemacht is niet nieuw. Op de Europese top in Helsinki (december 1999) beslisten de toenmalige EU-lidstaten al tot de oprichting van een Europese Snelle Reactiemacht (ERRF) in de Helsinki Headline Goal over de uitbouw van militaire capaciteiten. De ERRF moest uit 60.000 troepen bestaan die binnen de 60 dagen konden ontplooid worden voor een periode tot 1 jaar. Dat draaide uit op een mislukking. Een paar jaar later probeerden de EU-landen daar een mouw aan te passen met de oprichting van ‘EU Battle Groups’, multinationale bataljons van rond de 1.500 troepen. Die Battle Groups bestaan wel, maar zijn nooit ingezet, tot grote frustratie van zij die de EU een grotere internationale militaire rol willen zien spelen. “Al heb je de meest geavanceerde strijdkrachten ter wereld, wat heeft dat voor zin als je nooit bereid bent ze in te zetten?… de politieke wil was er niet”, aldus Ursula Von der Leyen. Vandaar dat de Borrel voorstelt om te komen tot een flexibelere regeling voor de besluitvorming, verwijzend naar de idee van een ‘coalition of the willing’.

Sinds Helsinki en vooral na het vertrek van de Britten is er hard ingezet op de ontwikkeling van de militaire capaciteiten. Het in 2004 opgerichte Europees Defensie Agentschap (EDA), dat de lidstaten moet ondersteunen in het ontwikkelen van hun (gemeenschappelijke) militaire capaciteiten, ontwierp het concept van de Gecoördineerde Jaarlijkse Herziening van Defensie (CARD) – in 2017 goedgekeurd – om de militaire uitgaven te coördineren en samenwerkingsprojecten te identificeren. Datzelfde jaar werd ook de Permanente Gestructureerde Samenwerking (PESCO) geactiveerd om de militaire samenwerking te versterken tussen die landen die dat wensen. Zij engageren zich tot twintig concrete bindende criteria op vlak van militaire uitgaven, militaire investeringen, harmonisering van militaire capaciteiten en inzetbaarheid van de troepen. Op dit ogenblik maken 25 van de 27 EU-lidstaten er deel van uit (Denemarken en Malta doen niet mee). PESCO verloopt complementair aan het Europees Defensie Actieplan van de Europese Commissie, dat resulteerde in de creatie van een Europees Defensiefonds. Dit fonds beschikt over 8 miljard euro voor de periode 2021-2027. Het moet gezamenlijke investeringen aanmoedigen van de militaire industrie in onderzoek en ontwikkeling en de basis van de Europese defensie-industrie verstevigen. Het is diezelfde militaire industrie die ook erg actief is op de wereldmarkt. Europese wapens zijn in tal van conflictgebieden terug te vinden.

De Europese Unie is verantwoordelijk voor 26% van de wereldwijde export in grote wapensystemen.

Stilte over Europese verantwoordelijkheid van veiligheidsproblemen.

Volgens het jongste SIPRI-rapport is de Europese Unie verantwoordelijk voor 26% van de wereldwijde export in grote wapensystemen. Op NAVO-niveau gaat het om bijna twee derde van alle wapenhandel. Volgens de officiële Europese data in het kader van de Common Position over wapenexport was Saoedi-Arabië het belangrijkste bestemmingsland in de afgelopen 20 jaar waarbij uitvoervergunningen werden afgeleverd ter waarde van 35 miljard Euro. Meer dan de helft daarvan is na 2015 toegekend, het jaar dat het land een oorlog ontketende in Jemen met tal van burgerslachtoffers. Naar Noord-Afrika en het Midden-Oosten leverden de EU de afgelopen drie jaar wapenvergunningen af ter waarde van 27 miljard euro. Na Saoedi-Arabië zijn achtereenvolgens Qatar, Egypte, Algerije, de Verenigde Arabische Emiraten, Turkije en Israël de belangrijkste bestemmingslanden in de regio. Stuk voor stuk zijn het landen die problematisch zijn op vlak van de wapenexportcriteria (mensenrechten, landen in conflict,…) die de EU-landen geacht zijn te respecteren.

Het is opvallend hoe de trein van de militarisering voortholt zonder een kritische evaluatie van de instrumenten die naar voor worden geschoven. Volgens het – wel openbaar gemaakte – voorwoord op het Strategisch Kompas, schrijft Josep Borrell dat de Europese burgers weten dat de “Europese veiligheid ver van onze grenzen begint…. dus we moeten onze aanwezigheid in de wereld ‘projecteren’ om veiligheid in onze buurt en met onze partners te bevorderen.” Zo wordt een militaire interventie, ook al speelt die zich ver van onze grenzen af, meteen een daad van verdediging of ‘collectieve veiligheid’ in het jargon van militaire denktanks. In het rapport dat minister van Defensie Ludivine Dedonder bestelde bij tien experts om de nationale veiligheidsstrategie van 2016 te actualiseren wordt duidelijk dat het om militaire interventies gaat die het hele spectrum beslaan: “Dit houdt in dat actief wordt deelgenomen aan internationale crisisbeheersingsoperaties, missies ter ondersteuning van de veiligheidstroepen, vredesondersteuningsoperaties en, indien nodig, gevechtsoperaties tegen tegenstanders die de internationale orde dreigen te destabiliseren.”

Het is vergeefs zoeken naar een officieel discours of politiek debat over in welke mate militaire interventies destabilisering en vluchtelingencrisissen in de hand werken of zorgen voor burgerslachtoffers.

Met andere woorden, het gaat over militaire interventies zoals die zijn opgezet in Afghanistan, Libië, Irak, Syrië en Mali. Het is vergeefs zoeken naar een officieel discours of politiek debat over in welke mate dergelijke operaties destabilisering en vluchtelingencrisissen in de hand werken of zorgen voor burgerslachtoffers. Hoewel in Afghanistan de oude machthebbers met een deel van het achtergelaten wapenarsenaal terug aan de macht zijn en het voor de NAVO-troepen een smadelijke aftocht werd, lijkt net deze mislukking het ultieme argument te zijn om werk te maken van een snelle interventiemacht om te “zorgen voor stabiliteit in onze buurt” aldus Commissievoorzitster Von der Leyen, verwijzend naar Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Oost-Europa.

Europese Vredesfaciliteit

De Europese Unie is bijzonder creatief in het creëren van interventie-mechanismen die in de kaart spelen van de belangen van de militaire industrie. Op 22 maart 2021 bereikte de Raad van de Europese Unie een akkoord over de oprichting van een ‘Europese Vredesfaciliteit’ (EPF). De gekozen naam is bedrieglijk omdat het de facto een militaire faciliteit is die gemeenschappelijke kosten financiert van missies in het kader van de Europese militaire veiligheids- en defensiepolitiek. Vandaar dat de voorziene 5 miljard Euro (voor 2021-2027) buiten de EU-begroting wordt gerealiseerd. Uitgaven ter ondersteuning van militaire operaties moeten volgens het Verdrag van de Europese Unie (artikel 41 par 2) met afzonderlijke bijdragen van de lidstaten worden gefinancierd. Het EPF vervangt het Athena-mechanisme en de African Peace Facility (APF). Het Athena mechanism stond in voor de financiering van EU militaire operaties. Het APF kreeg zijn middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor de ondersteuning van de Afrikaanse Unie en de Afrikaanse Regionale Economische Gemeenschappen inzake vrede en veiligheid. Het AFP mocht expliciet geen middelen voorzien voor militaire uitrusting, wapens of militaire training. Via het nieuwe EPF kan de EU voortaan op bilaterale basis militaire steun of uitrusting leveren aan derde landen in Afrika en (nieuw) in de wereld.

Volgens een persbericht van de Raad van de EU kan dankzij de Europese Vredesfaciliteit “de EU voor het eerst de activiteiten van haar gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) met missies en -operaties in gastlanden aanvullen met bijstandsmaatregelen. Te denken valt aan het leveren – op verzoek van derde landen of van regionale of internationale organisaties – van militaire en defensie-gerelateerde uitrusting, infrastructuur of bijstand.”

De Europese Vredesfaciliteit zal “de EU in staat stellen militairen over de hele wereld op te leiden en uit te rusten met dodelijke wapens”

Dat stuit op kritiek van heel wat NGO’s. In een gezamenlijke verklaring van 40 organisaties uit de Europese Unie, zal de Europese Vredesfaciliteit “de EU in staat stellen militairen over de hele wereld op te leiden en uit te rusten met dodelijke wapens. Dit ondanks het feit dat experts – waaronder het maatschappelijk middenveld – hun bezorgdheid uiten dat het fonds conflicten zou kunnen verergeren en zou kunnen bijdragen aan mensenrechtenschendingen in onstabiele regio’s.” Het oordeel van Oxfam is snoeihard: “Met dit fonds kunnen Europese landen wapens verkopen aan door conflicten verscheurde landen zonder strenge controles. Dit druist in tegen het streven van de EU om de vrede te bewaren. In veel van deze landen bloeit de zwarte markt voor wapens en deze stap van de EU zou het voor lokale milities en gewapende groepen gemakkelijker kunnen maken om wapens in handen te krijgen, wat alleen maar meer instabiliteit en lijden veroorzaakt. In plaats van conflicten aan te wakkeren, moet de EU luisteren naar de mensen ter plaatse. In de Sahel eisen onze lokale partners goed bestuur, beleid dat werkt voor alle gemeenschappen en een sterk maatschappelijk middenveld.”

Mali

Op dit ogenblik worden 7 EU-missies door de Europese Vredesfaciliteit gefinancierd. Een van die missies speelt zich sinds 2013 af in Mali (EUTM, EU TrainingsMissie) ter ondersteuning van Malinese troepen. Sinds de oorlog in Mali uitbrak tussen regeringstroepen en milities in het noorden van het land is het land ten prooi aan instabiliteit en geweld van gewapende groepen. Frankrijk kwam in 2013 militair tussenbeide om de strijd aan te binden met islamitische milities. Deze operatie Serval werd opgevolgd door een 5.000 troepen sterke operatie Barkhane in augustus 2014 die op groeiend verzet stuit in de regio en Mali zelf. In Frankrijk, waar Macron volgend jaar naar de kiezer trekt, keert de publieke opinie zich meer en meer tegen de missie in Mali. Er lieten al 50 Franse militairen het leven. De vrees bestaat dat Frankrijk net als in Afghanistan, in een oorlogsmoeras zal belanden. Afgelopen zomer kondigde Macron daarom het einde aan van Barkhane. Dat is niet de hele waarheid, want Frankrijk behoudt een sterke militaire aanwezigheid in het land. De bedoeling is dat het gros van de troepen opgaat in een multinationale ‘Task Force Takuba’ met andere EU-lidstaten. België maakt met 110 troepen deel uit van EUTM en overweegt nu ook een deelname aan Takuba op het terrein.

België maakt met 110 troepen deel uit van EUTM en overweegt nu ook een deelname aan Takuba op het terrein.

Nochtans vond op 24 mei 2021 een staatsgreep plaats in Mali onder leiding van vice-president Assimi Goïta. Mensenrechtenorganisaties en de Verenigde Naties beschuldigen de autoriteiten van allerlei mensenrechtenschendingen gaande van verdwijningen tot executies. Eind vorig jaar publiceerde de Verenigde Naties een rapport waarin het Malinese leger beschuldigd werd van oorlogsmisdaden. Malinese mensenrechtenorganisaties drukken daarom ook hun “grote zorgen uit over de recente goedkeuring van de Europese Vredesfaciliteit. Ondanks de waarschuwingen van het maatschappelijk middenveld zijn de noodzakelijke waarborgen die moeten garanderen dat de uitgevoerde activiteiten in overeenstemming zijn met de mensenrechtenverplichtingen van de EU en de lidstaten niet in de definitieve tekst opgenomen. De mogelijkheid voor EU-lidstaten om dodelijke wapens te leveren aan strijdkrachten in de Sahel zonder adequate controle is bijzonder alarmerend, gezien de betrokkenheid van deze troepen bij vele mensenrechtenschendingen in de regio”, aldus Drissa Traoré, coördinator van het gemeenschappelijk bureau van de International Federatie voor Mensenrechten en de ‘Association Malienne des Droits de l’Homme’ in Mali.

Mali illustreert hoe de EU er vooral op uit is om het militaire apparaat uit te bouwen zonder achterom te kijken op de negatieve impact die de Europese militaire aanwezigheid in conflictgebieden heeft. Het kan alleen maar verder de indruk voeden dat het Gemeenschappelijk Veiligheids- en defensiebeleid vooral de agenda dient van het militair industrieel complex.

Deel dit artikel

Visited 252 Times, 1 Visit today

Tags :
Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).

zie ook