Etnische identiteit geen verklaring voor conflicten

Anne Walraet .”Inkatha en het Zulu nationalisme”
Gent, Academia Press, 1999

Wie geen behoefte heeft aan theoretische beschouwingen over nationalisme, over wat Immanuel Wallerstein, vanuit zijn systeemanalyse, of andere wetenschappers als Huntington of Horowitz, daarover schrijven, wie geen boodschap heeft aan de toepassing van theorieën over nationalisme op Zuid-Afrika, die rijdt zich zonder twijfel vast in de eerste 170 blz. van “Inkatha en het Zulu nationalisme”.


Daaruit blijkt Anne Walraets belezenheid die vast in de academische wereld aanslaat, maar niet de gewone lezer aanspreekt die meer wil weten over de verschillende vormen van nationalisme in Zuid-Afrika, het Zulu nationalisme van Inkatha, het Afrikaner nationalisme van de Nationale Partij, en het Afrikaanse nationalisme van het ANC (het regerende Afrikaans Nationaal Congres).


Maar wie zich de moeite getroost om door te bijten en het tweede deel aan te pakken, de gevalstudie over Inkatha en het Zulu nationalisme, of gewoonweg daar begint aan Walraets doctoraalscriptie, die krijgt het beste te lezen van wat er in het Nederlandse taalgebied over die kwestie gepubliceerd is.


In dat deel speelt Walraet, naast haar belezenheid, een andere grote troef van haar uit, haar terreinervaring. Veldwerk als grondstof voor een grondige analyse van een conflict lijkt wel uit te groeien tot het handelsmerk van de Vakgroep Derde Wereld van de universiteit van Gent. Getuige daarvan ook Koen Vlassenroots bijdrage over Congo in het onlangs verschenen “Politics of Identity and Economics of Conflict in the Great Lakes”.


Wie het eerste – theoretische – gedeelte van “Inkatha en het Zulu nationalisme” niet doorworstelt, krijgt in het tweede gedeelte overigens sowieso mee wat Walraet als stelling verdedigt. In haar boek rekent ze nl. af met de opvattingen over etnische identiteit, die aan flink wat analyses van conflicten in Afrika ten grondslag liggen, en niet alleen op dat continent.


Die opvattingen beklemtonen etniciteit als de determinerende factor, en schuiven andere verklaringsmodellen van sociaal-economische aard naar het achterplan. Etnische aanhorigheid is in die redenering een vast gegeven, waarop leden van een plurale, zeg maar multiculturele samenleving, in tijden van conflict terugvallen.


Toegepast op Zuid-Afrika houdt dat in dat de apartheid vanzelfsprekend de zwarte Zuid-Afrikanen met hun neus op hun Zulu-, Xhosa-, Tswana-, of Venda-zijn drukt, en de oude etnische banden weer de bovenhand halen op de banden die ze in de moderne samenleving gesmeed hebben.


Terloops, dat soort denken vinden we dezer dagen terug in de manier waarop beleidsmakers en de media vaak de oorlog in Oost-Congo benaderen. Ze leggen hem uit als een tegenstelling tussen Hutu en Tutsi, beklemtonen de problemen van de Banyamulenge, zien niet hoe de oorlog in de eerste plaats een strijd is om politieke macht in de regio, en een gevecht om beslag te leggen op de economische rijkdommen in de streek, goud en diamanten, tropisch hout en koffie.


We vinden die redenering ook terug in de culturele benadering van het allochtonenvraagstuk. Niet werk, onderwijs, huisvesting, en discriminatie, op basis van huidskleur of godsdienst, zijn dan doorslaggevende factoren om de achterstand van een bevolkingsgroep te verklaren, maar factoren die eigen zijn aan de groep, met name godsdienst, of cultuur in de ruime zin.


Dat soort ongenuanceerde denken is Walraet niet toevertrouwd. Ze analyseert het Zulu nationalisme als het product van sociaal-economische ontwikkelingen, die onlosmakelijk verbonden zijn met structurele veranderingen van het kapitalisme op wereldvlak. De elite van het Zuluvolk, de koningen de traditionele leiders, die in de eerste helft van de negentiende eeuw al, voor de komst van de Britten dus, – en nergens anders in Zuid-Afrika bestond dat in die mate -, een soort van protostaat gecreëerd hadden, in wat we nu kennen als KwaZulu-Natal, hebben naar middelen gezochtom hun machtspositie te behouden. Om dat doel te bereiken hebben ze allianties gesloten. Met de suikerbaronnen in Natal, suiker was dé industriële landbouwactiviteit bij uitstek. Met de Afrikaner nationalisten ook, met wie de Zulu-elite economische opvattingen gemeen had – als controle door de overheid op economische hulpbronnen, de anti-vakbondsopstelling, en muilkorving en disciplinering van de zwarte arbeiders -, en politieke strategieën – als beklemtoning van de etnische identiteit en mobilisering van de aanhang op basis van etnische aanhorigheid.


Om die reden kon Inkatha zich onder de apartheid een plek onder de zon verwerven, en kon iemand als Buthelezi zich zowel als de premier van de Zulukoning – zijn traditionele rol – uitgeven, als zich ontpoppen tot de leider van een politieke partij, Inkatha, die ook in de moderne Zuid-Afrikaanse samenleving een rol vervult, en er deelneemt aan de federale regering, waarin Buthelezi minister van binnenlandse zaken is.


Kortom – we parafraseren even Walraets concluderende alinea’s -, in KwaZulu-Natal is er, anders dan in de rest van Zuid-Afrika, geëxperimenteerd met een politiek regime, dat het mogelijk gemaakt heeft, dat “etniciteit zich, in een context van strijd om macht en middelen, een weg (kon) banen naar de politieke arena”. Volgens Anne Walraet “is het deze erfenis van de sociale geografie van apartheid en segregatie (op haar beurt ontsproten uit de specifieke eisen van kolonialisme en kapitalisme) die verantwoordelijk is voor de huidige situatie, en niet de inherente (en ‘dus’ onoverbrugbare) etnische verschillen”.


Voor wie de mechanismen van de machtsstrijd in KwaZulu-Natal, tot in 1995 nog de killing fields van Zuid-Afrika, beter wil begrijpen, is “Inkatha en het Zulu nationalisme” een must. Een tip : neem het boek niet mee in de tuin, op een zonnige zomerdag, met een koel glas witte wijn bij de hand, maar trek er een regenachtige dag voor uit. Want “Inkatha en het Zulu nationalisme” lezen is wérken.

Visited 2 Times, 1 Visit today

Tags :
Over