Essays over het zionisme en de joodse staat (1945-1950). Filosofe Hannah Arendt als waarzegster

Hannah Arendt, ‘Het zionisme bij nader inzien’, Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam, 2005, 188 blz., 20 euro, ISBN 90-5530-430-4.

Dertig jaar geleden overleed de Duits-joodse filosofe Hannah Arendt. In de uitgeverswereld wordt dat herdacht met een reeks heruitgaven van haar werk. De Parijse uitgeverij Le Seuil gooide meteen twee boekdelen op de markt. Voor het eerst werden de achtentwintig schriften, die Hannah Arendt bijhield tussen 1950 en 1973 naar het Frans vertaald.

De filosofe was nooit van plan haar Atomaschriftjes met losse ideeën aan de openbaarheid prijs te geven. Zij zijn goed voor twee turven van samen 1.300 bladzijden. In Nederland koos de uitgeverij Mets & Schilt voor (in het Nederlands) onuitgegeven werk van Arendt. Onder de titel ‘Het zionisme bij nader inzien’ werden vier essays over het zionisme en de joodse staat gebundeld. En dat is een bijzonder interessante keuze. Hannah Arendt schreef deze teksten tussen 1944 en 1950. Zij voorspelde een weinig rooskleurige toekomst voor de toekomstige staat Israël, de joden en de Palestijnen. Hadden de toenmalige leiders van de zionistische beweging en van de grootmachten naar haar waarschuwingen geluisterd… het Midden-Oosten zou er vandaag anders hebben uitgezien.

“De enige groep waartoe ik behoord heb,” zei Hannah Arendt ooit in een interview, “waren zoals u weet de zionisten”. Die banden waren evenwel niet bestand tegen de tand des tijds of liever tegen de nationalistische hysterie van de zionistische beweging. Hannah Arendt was in 1906 in Hannover geboren in een joodse geassimileerde familie. Later studeerde ze in Marburg, Freiburg en Heidelberg filosofie en werd er de leerlinge en vriendin van Martin Heidegger en Karl Jaspers. In 1926 behaalde zij haar doctoraat en leek ze voorbestemd op een bestaan als kamergeleerde. De machtsgreep van Hitler en haar contacten met de Duitse zionist Kurt Blumenfeld maakte haar in 1933 tot zioniste. Na een kortstondige arrestatie – waarbij ze zich met brio door de ondervragingen heen loog – nam ze het zekere voor het onzekere. Ze vluchtte naar Frankrijk, waar ze actief werd in een netwerk dat de emigratie van jonge joden naar Palestina organiseerde. De jonge Franse zionisten werden opgeleid tot boer of ambachtsman. Arendt keerde in 1935 enthousiast terug uit Palestina. Ze had met bewondering gekeken naar het socialistische experiment van de kibboetsen. Maar zelf overwoog ze nooit om naar Palestina te verhuizen. Ze bleef in Frankrijk, waar ze bij de Duitse inval geïnterneerd werd in het kamp van Gurs in de Pyreneeën. Ze ontsnapte aan een deportatie en bereikte in 1941 ongedeerd New York.

Arendt, Buber, Einstein en Magnes

Over hun precieze doelstellingen waren de zionisten altijd zeer dubbelzinnig geweest. Tot in 1942. In volle wereldoorlog organiseerden ze in New York de beruchte Biltmore-conferentie, genoemd naar het hotel waar het zionistische congres plaatsgreep. De zionisten keurden er een nieuw programma goed, waarin de oprichting van een joodse staat als enige oplossing voor het joodse vraagstuk werd weerhouden. Een jaar later herhaalde de sterkste en machtigste afdeling van de Zionistische Wereldbeweging, de Amerikaanse zionisten, dit standpunt tijdens hun congres in Atlantic City, evenwel met de toevoeging dat het een zuiver joodse staat zou zijn, op het grondgebied van heel Palestina, dus op de beide oevers van de Jordaan. Net zoals tal van andere vooraanstaande intellectuelen was Arendt allesbehalve gewonnen voor de idee van een zuiver joodse staat. In haar ogen kon een joodse staat in Palestina niets anders zijn dan een “militaire vesting, bewoond door een grimmige, kleine krijgersstam, afhankelijk van de Verenigde Staten en van onafgebroken hulp van de Amerikaanse joden.” Zij pleitte voor een binationale staat en voor een verregaand, werkbaar, democratisch vergelijk en een goede samenwerking met de oorspronkelijke Arabische bevolking in Palestina.

In joodse kringen in de Verenigde Staten konden de zionisten in die dagen niet op de onverdeelde sympathie van de intelligentsia rekenen. Albert Einstein bijvoorbeeld deelde volkomen de denkbeelden van Martin Buber, de theoloog en filosoof die aan de Hebreeuwse universiteit in Palestina doceerde, en van Judah L. Magnes, de eerste rector van de Hebreeuwse universiteit en spilfiguur van de beweging Ichoed (Eenheid), die streefde naar een binationale staat in Palestina, waar joden en Arabieren politiek en numeriek evenwaardig zouden zijn. Albert Einstein, die niet meteen een man van de politiek was, zag ook weinig graten in de zionistische plannen. “Ik geef de voorkeur aan een redelijk akkoord met de Arabieren, dat gebaseerd is op vreedzaam samenbestaan. Liever dat dan de oprichting van een joodse staat,” schreef hij. “Naast praktische bezwaren, is er mijn bewustzijn van de essentiële aard van het jodendom, dat zich verzet tegen de idee van een joodse staat met grenzen, een leger en een wereldlijke macht, hoe bescheiden die ook zou zijn. Ik vrees dat het ontstaan van een enggeestig nationalisme binnen onze rangen veel innerlijke schade zal toebrengen aan het jodendom. Tegen dit nationalisme moeten wij nu al heftig strijd voeren, zelfs zonder een joodse staat” (1). En in een boodschap aan de ‘kinderen van Palestina’ wees Einstein op de noodzaak “om het nationalisme, dat in Israël de kop opsteekt, aan banden te leggen en alleen een vriendschappelijk en vruchtbaar samenbestaan met de Arabieren toe te laten.”

Op 4 december 1948 publiceerde de New York Times een brief van Hannah Arendt, die ondertekend was door een groep prominente Amerikaanse joden, onder hen Albert Einstein. Daarin werd heftig geprotesteerd tegen het bezoek dat de zionistische terroristenleider (en in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw premier van de staat Israël), Menahem Begin, aan de Verenigde Staten zou brengen. Enkele maanden voordien had deze Begin een eenheid van de zionistische terreurgroep Irgoen aangevoerd, toen die het dorp Deir Yassin had uitgemoord. Bij deze slachtpartij kwamen 245 Palestijnse vrouwen, kinderen en ouderlingen om het leven. Deir Yassin, een dorpje in de buurt van Jeruzalem, had tot dan in vrij goede verstandhouding geleefd met de joden, die zich in de regio hadden gevestigd. De slachtpartij in Deir Yassin zorgde voor een heftige paniekreactie onder de Palestijnen, die massaal op de vlucht sloegen. Hannah Arendt en Albert Einstein waarschuwden in hun open brief voor de gevaarlijke Menahem Begin, die “bezig is een fascistische partij te organiseren en die een mengeling van ultranationalisme, religieuze mystiek en rassensuperioriteit predikt.”

‘Duitse emigrante met joodse zelfhaat’

Na haar breuk met de zionistische beweging onderwierp Hannah Arendt haar vroegere ideaal aan een vlijmscherpe kritiek. Daarbij gebruikte ze spot en sarcasme vaak als wapen en het hele zionistische establishment – de grondlegger Theodor Herzl, rechtse en linkse zionistische leiders – gingen genadeloos door haar mangel. De vier essays, die in ‘Het zionisme bij nader inzien’ zijn opgenomen, werden haar in zionistische middens niet in dank afgenomen. Arendt had zelfs de grootste moeite om deze teksten in de Verenigde Staten gepubliceerd te krijgen. ‘Het zionisme bij nader inzien’ had ze in 1944 aangeboden aan het pas opgerichte tijdschrift ‘Commentary’, dat voornamelijk door progressieve intellectuelen werd gelezen. De redactie hield haar maandenlang aan het lijntje. Haar tekst “bevatte voor de onwelwillende lezer te veel antisemitische implicaties”, zo werd haar gezegd. Uiteindelijk verscheen dit essay in oktober 1945 in ‘Menorah Journal’, een vrij marginaal links tijdschrift. Haar relatie met de redactie van ‘Commentary’ was niet helemaal beschadigd, want in 1946 kreeg ze van het blad de vraag om een artikel te schrijven over Theodor Herzls manifest “De Jodenstaat’, dat in 1896 het startschot was gebleken voor de zionistische beweging. ‘Commentary’ publiceerde in mei 1948 ook Arendts artikel ‘Om het joodse vaderland te redden’. Een tekst die eigenlijk te laat kwam, want de zionistische leider David Ben Goerion zou op 15 mei 1948 de oprichting van de staat Israël afkondigen. Het vierde essay uit deze bundel ‘Vrede of wapenstilstand in het Midden-Oosten’ schreef Arendt in 1948 en werd in januari 1950 opgenomen in het kleine academische blad ‘The Review of Politics’.

In 1977, twee jaar na haar dood verschenen deze opstellen, samen met ander werk over het joodse vraagstuk in boekvorm als ‘The Jew as Pariah’. Wie dit werk nog wil vinden zal talloze antiquariaten moeten afschuimen.

In Israël werd Hannah Arendt persona non grata. En dat had ze vooral te danken aan haar boek ‘Eichmann in Jeruzalem’ (2). In 1961 stond de nazi-misdadiger Adolf Eichmann in Jeruzalem terecht. Arendt volgde dit proces tegen een van de architecten van de Endlösung, een man waarmee de zionisten in de jaren dertig nog lange tijd in onderhandeling waren geweest. De zionistische leiders hadden in 1937 Eichmann zelfs uitgenodigd in Palestina om er deel te nemen aan hun twintigste congres en om er de verwezenlijkingen van hun nederzettingen te bezoeken. Eichmann vond de zionistische kolonisatie in Palestina een goede oplossing voor de ‘Judenfrage’ en de zionistische leiders zagen in hem een niet onbelangrijke bondgenoot. Het verblijf van Eichmann in Palestina duurde niet lang. Het Britse koloniale bestuur wees de notoire nazi snel het land uit. Met ‘Eichmann in Jeruzalem’ schreef Arendt een meer dan eigenzinnig verslag van dit wereldwijd gevolgde proces. En eens te meer stak ze haar fundamentele kritiek op het zionisme en de staat Israël niet weg. Het leverde haar de status van paria op in Israël, waar ze bestempeld werd als “een Duitse emigrante vol joodse zelfhaat”. Geen enkel boek van haar werd ooit in het Hebreeuws vertaald. Pas in 1997 organiseerde een groep Israëlische wetenschappers een congres aan haar persoon en werk onder de veelzeggende titel ‘Arendt in Jeruzalem’. De Israëlische historicus Moshe Zimmerman merkte bij die gelegenheid op dat Arendt “een voorloopster was van de postzionisten, die ons helpt begrijpen waar sommige misvattingen en aberraties van het zionisme vandaan komen.” Een kwarteeuw na haar dood, in 2000, werd eindelijk haar ‘Eichmann in Jeruzalem’ in het Hebreeuws vertaald. In 1951 had Arendt wereldroem geoogst met haar essay ‘The Origins of Totalitarianism’. Jarenlang was zij het slachtoffer geweest van de zionistische variant van het totalitarisme.

‘Bespottelijke verdeling van Palestina’

In het eerste essay van deze bundel ‘Het zionisme bij nader inzien’ zet Arendt meteen de toon. “Vijftig jaar zionistische politiek heeft geresulteerd in het recente besluit van de grootste en meest invloedrijke afdeling van de Zionistische Wereldorganisatie, de Amerikaanse zionisten.” Arendt stelde vast dat “zij van links tot rechts in oktober 1944 tijdens hun laatste jaarvergadering in Atlantic City unaniem een “vrije en democratische joodse staat” hebben geëist, die “geheel Palestina, onverdeeld en onverminderd, zal omvatten”. Dit is een keerpunt in de zionistische geschiedenis, want het betekent dat het revisionistische programma, dat zo lang en bitter werd afgewezen, tenslotte gewonnen heeft. Het besluit van Atlantic City gaat zelfs een stap verder dan het Biltmore-programma (1942), waarin de joodse minderheid minderheidsrechten had toegekend aan de Arabische meerderheid. Dit maal werden de Arabieren eenvoudig niet genoemd in het besluit, wat hun – dat moge helder zijn – de keuze laat tussen vrijwillige emigratie of tweederangs burgerschap.”

Voor Hannah Arendt “lijkt het erop dat hiermee toegegeven wordt, dat tot nu toe louter opportunistische redenen de zionistische beweging ervan weerhouden hebben haar einddoelen te formuleren. Deze doelen blijken nu geheel en al identiek te zijn aan die van de extremisten waar het de toekomstige politieke inrichting van Palestina aangaat. Het is een doodsklap voor joodse groepen in Palestina die onvermoeibaar voor de noodzaak van een vergelijk tussen Arabische en joodse bevolking hebben geijverd. Anderzijds zal het een aanzienlijke versterking betekenen voor de meerderheid onder leiding van David Ben Goerion, die onder druk van talloze onrechtvaardigheden in Palestina en van de verschrikkelijke catastrofe in Europa, nationalistischer dan ooit is geworden. Waarom ‘algemene’ zionisten nog steeds ruzie maken met de revisionisten (3) is moeilijk te begrijpen, tenzij het zo is dat de eerstgenoemden niet helemaal geloven in de verwezenlijking van hun eisen, maar het verstandig achten om het maximum te vragen als basis voor latere compromissen, terwijl de laatstgenoemden serieus, oprecht en onbuigzaam in hun nationalisme zijn. De algemene zionisten hebben bovendien hun hoop gesteld op de hulp van de grote mogendheden, terwijl de revisionisten tamelijk vastbesloten lijken om de zaak in eigen hand te nemen.” “Hoe dan ook,” besloot Arendt, “de belangrijke ontwikkeling is gelegen in de unanieme steunbetuiging van alle zionistische groeperingen aan het einddoel, waarover in de jaren dertig het zelfs nog taboe was te discussiëren. Door hun besluit met zo’n botheid naar buiten te brengen op een moment dat hun geschikt leek, hebben de zionisten voor lange tijd iedere kans op pourparlers met de Arabieren verspeeld. Immers wat de zionisten hun ook mogen aanbieden, ze zullen niet worden vertrouwd. Dit zet op zijn beurt de deur wijd open voor een macht van buiten om het heft in handen te nemen zonder de twee meest betrokken partijen te raadplegen.” “Concreter gezegd, de Britse regering zou morgen kunnen besluiten om het land te delen en daarbij eerlijk kunnen geloven dat zij een werkzaam compromis heeft gevonden tussen joodse en Arabische verlangens. Dit geloof aan Britse kant zou des te natuurlijker zijn, omdat de deling inderdaad een aanvaardbaar compromis kan zijn tussen het pro-Arabische koloniaal bestuur en de nogal pro-joodse Engelse publieke opinie. Op die manier zou het een oplossing lijken voor een intern Brits meningsverschil over de Palestijnse kwestie. Maar het is simpelweg bespottelijk om te geloven dat de verdere opdeling van zo’n klein gebied, waarvan de huidige grenzen al het resultaat zijn van twee eerdere afsplitsingen – de eerste van Syrië en de tweede van Transjordanië – het conflict van twee volkeren kan oplossen, vooral in een tijd dat soortgelijke conflicten die zich afspelen in veel grotere gebieden niet territoriaal op te lossen zijn.”

‘Agenten van de grootmachten’

“Nationalisme is erg genoeg als het op niets anders vertrouwt dan op de primitieve kracht van de natie,” aldus Hannah Arendt. “Nationalisme dat noodzakelijkerwijs en openlijk afhankelijk is van de kracht van een vreemde natie is beslist erger. Dit lot dreigt voor het joodse nationalisme en de geprojecteerde joodse staat, die onvermijdelijk omgeven zal zijn door Arabische staten en Arabische volkeren. Zelfs een joodse meerderheid in Palestina – ja zelfs de overplaatsing van alle Palestijnse Arabieren, zoals openlijk wordt geëist door de revisionisten – zou geen wezenlijke verandering brengen in de situatie waarin joden ofwel bij een macht van buiten bescherming moeten zoeken tegen hun buren dan wel een werkend vergelijk met hen moeten sluiten. Als een dergelijk vergelijk niet tot stand komt, bestaat het blijvende gevaar dat de belangen van de joden zullen botsen met die van alle Mediterrane volkeren.” “Deze mogendheden van buiten, hoe machtig ze op dit moment ook zijn, kunnen zich beslist niet permitteren om de Arabieren, een van de grootste volkeren in het Middellandse Zeegebied, tegen zich in het harnas te jagen. Indien de grootmachten in de huidige situatie bereid zouden zijn om een joods tehuis te helpen stichten, kunnen ze dat alleen doen op basis van een veelomvattende overeenkomst die rekening houdt met de gehele regio en de behoeften van alle volkeren die er wonen. Anderzijds zullen de zionisten, als zij de Mediterrane volkeren blijven negeren en zich alleen richten op de grootmachten ver weg, slechts hun werktuigen lijken, agenten van vreemde en vijandelijke belangen. Joden die hun eigen geschiedenis kennen zouden zich ervan bewust moeten zijn dat een dergelijke toestand onvermijdelijk zal leiden tot een nieuwe golf van jodenhaat.”

‘Zonder antisemitisme geen zionisme’

De kritiek van Hannah Arendt op de zionistische ideologie en praktijk slaat echter op een nog veel fundamenteler vraagstuk. Theodor Herzl en later de hele zionistische beweging hadden een uiterst gevaarlijke opvatting over het antisemitisme. En de zionisten wilden het probleem van het antisemitisme in Europa precies oplossen door de joden een eigen staat te geven. Hannah Arendt was het daar fundamenteel niet mee eens. Zij stelde het zeer cru, maar daarom niet onjuister: “zonder antisemitisme geen zionisme.” Herzl en de zionisten “hebben het antisemitisme nooit geanalyseerd vanuit politieke redenen en in de context van de algemene politieke situatie van die tijd,” stelde Hannah Arendt. “Het antisemitisme werd verklaard als de natuurlijke reactie van een volk op een ander volk, alsof zij twee natuurlijke substanties waren die door een geheimzinnige natuurwet bestemd waren om elkaar tot in de eeuwigheid te bestrijden.” Volgens Hannah Arendt “snijdt deze uitleg niet alleen de joodse geschiedenis af van de Europese geschiedenis en zelfs van de rest van de mensheid, maar negeert hij ook de rol die de Europese joden speelden bij het opbouwen en functioneren van een nationale staat. De interpretatie is daarmee teruggebracht tot de – even willekeurige als absurde – aanname dat elke niet-jood die met joden samenleeft bewust of onbewust wel een jodenhater moet worden.” En “deze zionistische houding jegens het antisemitisme leidde tot een zeer gevaarlijke, foute taxatie van de politieke omstandigheden in elk land. Antisemitische partijen en bewegingen werden niet aan een nadere beschouwing onderworpen, ze werden gezien als werkelijk representatief voor de hele natie en daarom als niet waard te worden bestreden.”

In de ogen van Herzl en zijn volgelingen was het antisemitisme een eeuwigdurend gegeven waaraan niets kon worden veranderd. Die stelling, gecombineerd met de zionistische opvatting van het begrip natie, leidde volgens Hannah Arendt tot een gevaarlijke absurditeit. “Een natie is een groep mensen, die door een gemeenschappelijke vijand wordt bijeengehouden, schreef Herzl. Een absurde stelling die slechts dit stukje waarheid bevatte: dat veel zionisten inderdaad ervan overtuigd waren dat zij joden waren dankzij de vijanden van het joodse volk. Hieruit trokken ze de conclusie dat het joodse volk zonder antisemitisme in de landen van de diaspora niet overleefd zou hebben en waren zij tegen iedere poging om antisemitisme op grote schaal te vernietigen. Daarentegen verklaarden ze dat onze vijanden, de antisemieten, ‘onze meest betrouwbare vrienden, en de antisemitische landen onze bondgenoten zullen zijn’ (Herzl). De uitkomst kon natuurlijk niet anders zijn dan de totale verwarring waarin niemand meer onderscheid kon maken tussen vriend en vijand, en waarin de vijand een vriend werd en de vriend een verborgen, en des te gevaarlijker vijand.”

Voor Hannah Arendt was het schandelijke, maar onvermijdbaar gevolg van deze houding de samenwerking tussen de Zionistische Wereldorganisatie (waarin de socialistische zionisten van Ben Goerion de lakens uitdeelden) en nazi-Duitsland. De zionistische leiders en de ‘pioniers’ in Palestina hadden alleen belangstelling voor de joden in Palestina en kandidaat emigranten in Europa, de rest van het jodendom, dat in Europa de ergste vervolging ooit tegemoet ging, kon hen gestolen worden. Met bitterheid schreef Hannah Arendt in 1944: “zelfs de gebeurtenissen van 1933 wekten hun politieke belangstelling niet. Ze waren naïef genoeg om daarin, bovenal, een buitenkans te zien voor een immigratiegolf naar Palestina waarvan ze niet hadden kunnen dromen. Toen de zionistische organisatie besloot om, tegen de natuurlijke impuls van het hele joodse volk in, zaken te doen met Hitler, het bezit van Duitse joden te ruilen voor Duitse goederen, de Palestijnse markt te overstromen met Duitse producten en daarmee van de boycot van Duitse artikelen een aanfluiting te maken (4), stuitten ze op weinig tegenstand in het joodse nationaal tehuis, en het minst van al bij de aristocraten, de zogeheten kibboetsniks. Daarbij lieten deze Palestijnse joden nogmaals nadrukkelijk blijken dat zij alleen belang stelden in de bestaande en de toekomstige jisjoev (5), de joodse vestiging, en dat ze niet zaten te springen om helden te worden in een wereldwijde nationale beweging (tegen het fascisme).”

Hannah Arendt vond die fundamentele houding van het zionisme ten opzichte van het antisemitisme en zijn ergste uitdrukkingsvorm, het Duitse nationaal-socialisme, terug in de uitspraak van Chaïm Weizman, de eerste president van de latere staat Israël: “het opbouwen van Palestina is ons antwoord op het antisemitisme.” “De absurditeit hiervan werd slechts enkele jaren later aangetoond, toen het leger van Rommel de joden in Palestina met precies hetzelfde lot bedreigde als de joden in de Europese landen.” De nazi-generaal Erwin Rommel bedreigde Palestina tot in het najaar van 1942, toen hij door de Britse troepen in het Egyptische El Alamein werd verslagen. Hadden de Duitse troepen Palestina veroverd, de zionistische pioniers zouden zonder meer op transport zijn gezet naar de vernietigingskampen. Arendt schamperde: “Omdat het antisemitisme als een natuurlijke afgeleide van het nationalisme werd opgevat, kon het niet worden ingezet, zo werd gedacht, tegen dat deel van de joden dat zichzelf als natie had gevestigd. Met andere woorden, Palestina was de plaats, de enige plaats, waar joden aan jodenhaat konden ontkomen. Daar, in Palestina, zouden ze veilig zijn voor hun vijanden: sterker nog, diezelfde vijanden zouden als bij toverslag veranderen in vrienden.”

“Als gevolg van hun visie op de plaats die Palestina in het toekomstige bestaan van het joodse volk zou moeten innemen,” aldus Hannah Arendt, “sloten de zionisten zich af voor het lot van de joden in de rest van de wereld.” Voor deze houding kon Arendt niet het minste begrip opbrengen. Niet zonder sarcasme stelde ze vast dat “de zionistische gedachtewereld niet lijkt te worden gehinderd door de afmetingen van Palestina: een klein land dat op z’n best een paar miljoen joden kan herbergen, maar nooit al die miljoenen joden, die nog in de hele wereld wonen.” “Zionisten beweerden gewoonlijk dat ‘alleen het restant’ zal terugkeren, de besten, de enigen die het waard waren te redden; laat ons vestigen als de elite van het joodse volk en wij zullen de enige overlevende joden zijn; het enige dat ertoe doet is onze overleving; laat de liefdadigheid zich ontfermen over de ergste noden van de massa’s; wij zullen ons daar niet mee bemoeien; wij zijn geïnteresseerd in de toekomst van een natie, niet in het lot van individuen.” Zo ervoer de humanistische filosofe Arendt de leiders van de zionistische beweging tijdens de oorlogsjaren en de grote catastrofe, die de joden in Europa trof.

Land zonder volk – volk zonder land

Eenzelfde “egocentrische mentaliteit” bespeurde Arendt ook in de houding die de zionisten aannamen ten opzichte van de Arabieren in Palestina. “Het zionisme bood het schouwspel van een nationale beweging,” aldus Hannah Arendt, “begonnen met een groot idealistisch elan, die zich vanaf het eerste moment verkocht aan de heersers van het moment. Een nationale beweging, die geen solidariteit voelde met andere onderdrukte volkeren, wier zaak weliswaar historisch anders bepaald, maar in wezen hetzelfde is. Een beweging die zelfs midden in het ontluikende gevoel van vrijheid en rechtvaardigheid streefde naar een vergelijk met de meest kwade krachten van onze tijd door te profiteren van imperialistische belangen.” “Hoe minder de Palestijnse joden in staat waren onder hun buren bondgenoten te vinden, des te meer moesten de zionisten hun blik richten op Groot-Brittannië,” schreef Arendt. Geen enkele van de zionistische groepen had enige aandacht voor de Arabische bevolking in Palestina. Arendt toonde zich bij deze vaststelling bijzonder verbolgen over de zogenaamde socialistische zionisten in Palestina. “Het nationale doel van de socialistische zionisten was bereikt toen zij zich in Palestina vestigden. Verder gingen hun nationale aspiraties niet. Hoe absurd het ook moge klinken, ze hadden niet het minste vermoeden van enig nationaal conflict met de tegenwoordige inwoners van het beloofde land, ze dachten geen seconde na over het feit dat er ook Arabieren bestonden.” “Ze vluchten naar Palestina, zoals mensen naar de maan wensten te vluchten, naar een gebied de slechtheid van de wereld voorbij.”

“De linkse zionisten hebben nooit gepoogd een eigen antwoord op de nationale kwestie te ontwikkelen: ze voegden simpelweg het officiële zionisme bij hun socialisme. Deze toevoeging heeft geen nieuwe verbinding opgeleverd, want ze beroept zich op het socialisme voor wat betreft binnenlandse aangelegenheden en op het nationalistische zionisme voor wat betreft buitenlandse zaken. Het resultaat is de huidige toestand tussen joden en Arabieren.”

In haar essay “De Jodenstaat vijftig jaar later” maakte Arendt in 1946 brandhout van de kern van de zionistische ideologie. “Herzl droomde van een immense verhuizing, waarbij ‘het volk zonder land’ getransporteerd werd naar het ‘land zonder volk’.” “Joodse politieke actie betekende voor Herzl een plaats vinden binnen de onveranderlijke structuur van de werkelijkheid, een plaats waar joden veilig zouden zijn voor haat en daaruit voortvloeiende vervolging. Een volk zonder land zou moeten vluchten naar een land zonder volk. Daar zouden de joden, ongehinderd door betrekkingen met andere naties, in staat zijn om hun eigen organisme in isolement te ontwikkelen. Herzl besefte niet dat het land waarvan hij droomde niet bestond, dat er geen plek op aarde was waar een volk kon leven als het organische nationale lichaam dat hem voor ogen stond en dat de echte historische ontwikkeling van een natie zich niet voltrok binnen het gesloten fort van een biologische entiteit. Zelfs áls er een land zonder volk was geweest en zelfs áls in Palestina zelf geen vraagstukken van buitenlandse politiek waren opgekomen, dan nog zou Herzls variant van politieke filosofie ernstige moeilijkheden hebben veroorzaakt in de betrekkingen van de nieuwe joodse staat met andere naties.”

Voldongen feiten

Het laatste essay in deze bundel ‘Vrede of wapenstilstand in het Midden-Oosten’, schreef Hannah Arendt in 1948, enkele maanden na de oprichting van de staat Israël en kort na de dood van Judah L. Magnes (het artikel was aan zijn nagedachtenis gewijd). Arendt citeert een uitspraak van de eerste premier van de staat Israël, David Ben Goerion. “De huidige oorlog geeft iedere jood zo’n genoegdoening als we eeuwenlang niet hebben gekend, misschien niet sinds de dagen van de Makkabeeën” (6). Arendt had volgende commentaar op de grootspraak van de zionistische leider: “dit gevoel van historisch momentum, deze vastbeslotenheid om de recente gebeurtenissen te beschouwen als een definitief vonnis van de geschiedenis, wordt ongetwijfeld versterkt door succes, maar succes is niet de bron ervan. De joden trokken ten strijde tegen de Britse bezettingstroepen en de Arabische legers met de ‘geest van Massada’ (7), geïnspireerd door de leuze “of anders gaan we ten onder”, vastbesloten om elk compromis, zelfs ten koste van nationale zelfmoord af te wijzen. Vandaag de dag spreekt de Israëlische regering van voldongen feiten, van het recht dat uit de loop van het geweer komt, van militaire noodzaak, van de wet van verovering, terwijl twee jaar geleden dezelfde mensen in het Joods Agentschap van gerechtigheid spraken en van de verschrikkelijke noden van het joodse volk. De joden in Palestina hebben alles op één kaart gezet en gewonnen. Tegenover de vastbeslotenheid van de joden om de uitkomst als definitief te beschouwen staat de vastbeslotenheid van de Arabieren om haar als een intermezzo te zien.”

“De joden zijn ervan overtuigd, en hebben dat veelvuldig verklaard, dat de wereld – of de geschiedenis of een hoger ethisch beginsel – hen genoegdoening voor tweeduizend jaar onrecht verschuldigd is. Meer in het bijzonder geldt dit voor de catastrofe van het Europese jodendom, die naar hun mening niet simpelweg een misdaad van nazi-Duitsland was, maar van de gehele beschaafde wereld. De Arabieren van hun kant antwoorden dat het ene onrecht niet het andere kan teniet doen en dat geen morele code kan rechtvaardigen dat het ene volk vervolgd wordt in een poging om de vervolging van het andere volk te verlichten.”

“Het is ongelooflijk en droevig, maar waar, dat meer dan dertig jaar van intieme nabijheid heel weinig veranderd heeft in het aanvankelijke gevoel van Arabieren en joden elkaar volledig vreemd te zijn. De manier waarop de Arabieren deze oorlog voerden, heeft beter dan wat ook aangetoond hoe weinig zij wisten van de kracht van de joden en hun wil om te vechten. Voor de joden zijn de Arabieren, die zij jarenlang in elke stad, dorp en plattelandsgebied tegenkwamen en met wie ze permanent van doen hadden en in conflict geraakten, geestesverschijningen gebleven, wezens naar wie ze alleen keken op het irrelevante niveau van folklore, van nationalistische veralgemeningen of ijdele idealistische dromen. Dat joden en Arabieren er niet in slagen zich een nabije buur voor te stellen als een concreet menselijk wezen, kan op vele manieren worden verklaard. De voornaamste verklaring is de economische structuur van het land waarin de Arabische en joodse sectoren als het ware gescheiden werden door waterdichte barrières. De enkele uitzonderingen, zoals de gezamenlijke exportorganisaties van joodse en Arabische sinaasappeltelers en een paar fabrieken die zowel joodse als Arabische arbeiders in dienst hebben, bevestigen slechts de regel. Het opbouwen van het joodse vaderland is nooit afhankelijk geweest van joods-Arabische samenwerking, maar uitsluitend van de ondernemingslust en de pioniersgeest van de joodse arbeiders en van de financiële steun van de joden in de rest van de wereld.” “Zo lang de nieuwe Israëlische staat verzekerd is van grootschalige financiële steun van buitenaf, kan de joods-Arabische samenwerking moeilijk een economische noodzaak worden. Dat was in het verleden ook al het geval. De financiële steun van de joden in de wereld, zonder welke het hele experiment mislukt was, betekende economisch gezien dat de joodse kolonisatie zich kon ontwikkelen zonder zich erg te bekommeren om wat er in de omringende wereld gaande was.”

Verdrijving van de Palestijnen

Hannah Arendts besloot: “men is niet beïnvloed door de stemmen die klonken in een geest van begrip en rede en heeft toegelaten dat de gebeurtenissen (het fait accompli) hun loop namen. Meer dan vijfentwintig jaar hebben Judah Magnes en zijn kleine groep volgelingen in Palestina en binnen het zionisme voorspeld dat men de keuze had tussen joods-Arabische samenwerking of oorlog; dat er of een binationaal Palestina kon zijn of overheersing van het ene volk door het andere en meer dan 500.000 Palestijnse Arabieren zijn gevlucht uit door Israël beheerst gebied.” “Veel erger is echter dat – ongeacht hoe hun exodus op gang kwam (als gevolg van Arabische propaganda over wreedheden of van wreedheden dan wel een mengeling van beide) (8) – hun vlucht uit Palestina was voorbereid door zionistische plannen voor grootschalige bevolkingsoverplaatsing tijdens de oorlog en werd gevolgd door de Israëlische weigering om de vluchtelingen te laten terugkeren naar hun vroegere plek. Hiermee werd tenslotte de oude Arabische stelling over het zionisme bewaarheid: de joden hadden simpelweg het doel om de Arabieren uit hun huizen te zetten.”

En Hannah Arendt stelde bij de gebeurtenissen van 1948 volgende pertinente vraag: “oppervlakkig gezien lijkt het weliswaar alsof de strijdkrachten van Israël het fait accompli hebben geschapen. Maar wie denkt er nu dat overwinningen, hoeveel ook, op zichzelf genoeg zouden zijn om Israëls bestaan te verzekeren, als er geen steun was van de Verenigde Staten en de Amerikaanse joden?”

Zevenenvijftig jaar later blijft deze vraag vandaag even actueel als toen, alleen is er in de staat Israël nauwelijks iemand, die de moed heeft ze te stellen. Het rotsvaste geloof in het fait accompli en in de onvoorwaardelijke steun uit de Verenigde Staten staat er pal overeind.

Voetnoten:

(1) Albert Einstein, ‘Out of my late years’, Philosophical Library, New York, 1950, blz. 262-264.

(2) Ook dit boek is naar aanleiding van de dertigste verjaardag van Hannah Arendts dood pas heruitgegeven in het Nederlands. Hannah Arendt, ‘Eichmann in Jeruzalem. De banaliteit van het kwaad’, Uitgeverij Atlas, Amsterdam, Antwerpen, 448 blz., 24,90 euro, ISBN 90-450-0457-7.

(3) De ‘algemene’ zionisten stelden zich ogenschijnlijk gematigder op. Zij vormden de meerderheid binnen de Zionistische Wereldorganisatie en werden aangevoerd door ‘socialistische’ zionisten als David Ben Goerion. Zij lieten zich niet vastpinnen op programmatorische uitspraken over het toekomstige grondgebied van de joodse staat en voerden op dat vlak een zeer opportunistisch en pragmatisch beleid. De revisionisten daarentegen (onder leiding van de extreem-rechtse nationalist Vladimir Jabotinsky) stelden vanaf 1925 zeer duidelijk dat de joodse staat (Eretz Israël of Groot-Israël) in heel Palestina, dus op de twee oevers van de Jordaan, moest worden opgericht.

(4) Hannah Arendt heeft het hier over het beruchte Ha’avara-akkoord tussen de Zionistische Wereldorganisatie en nazi-Duitsland uit 1933. Ha’avara is het Hebreeuwse woord voor ‘overdracht’. De bezittingen van de Duitse joden, die naar Palestina wilden emigreren, werden aangewend om Duitse producten aan te kopen, die naar de zionistische nederzettingen in Palestina werden verscheept. Het Ha’avara-akkoord betekende een flinke injectie voor de Duitse economie en tussen 1933 en 1939 maakten 50.000 Duitse joden van dit akkoord gebruik om naar Palestina te emigreren. De joodse organisaties hadden zich aangesloten bij de antifascistische wereldbeweging, die ijverde voor een economische boycot van nazi-Duitsland. Hun streven werd door de Zionistische Wereldorganisatie in de wielen gereden.

(5) ‘Jisjoev’ is de Hebreeuwse term voor ‘vestiging’, waarmee de gemeenschap van joodse kolonisten in Palestina werd bedoeld.

(6) De Makabeeën waren de joodse opstandelingen in de oudheid, die in 165 voor Christus Jeruzalem en de joodse tempel op de Syrische koning Antiochus IV heroverden.

(7) Massada was de berg in Palestina waar joodse zeloten zich tegen de Romeinen verschansten, die in 70 na Christus de tempel in Jeruzalem hadden verwoest. Ze hielden hun weerstand drie jaar vol en pleegden toen collectief zelfmoord.

(8) In hetzelfde artikel schreef Hannah Arendt dat “uiteindelijk slechts één stem van protest verheven werd tegen de manier waarop Israël de Arabische vluchtelingenkwestie behandelde, de stem van Judah L. Magnes, die een ingezonden brief schreef in ‘Commentary’ van oktober 1948. Arendt citeert uit deze brief de volgende passage: “mij dunkt dat elke poging om tegenover zo’n immense humanitaire situatie een andere houding aan te nemen dan vanuit een humaan, moreel gezichtspunt ons het drijfzand in zal trekken. Zo de Palestijnse Arabieren hun woonplaatsen al ‘vrijwillig’ in de steek lieten onder invloed van Arabische propaganda en in oprechte paniek, dan nog mag niet uit het oog worden verloren dat het krachtigste argument in deze propaganda de vrees was voor herhaling van de wreedheden van de Irgoen en de Sterngroep in Deir Yassin, waarbij de joodse gezagsdragers niet bij machte of bereid waren de misdaad te verhinderen of de schuldigen te straffen. Het is treurig dat dezelfde mensen die konden wijzen op de tragedie van de joodse ontheemden als hoofdargument voor massa-immigratie in Palestina, nu bereid zouden zijn, zo komt het de wereld voor, om een nieuwe categorie ontheemden in het heilige land in leven te helpen roepen.”

(Uitpers, nr. 68, 7de jg., oktober 2005)