Ernest Mandel, rebel tussen droom en daad

Jan Willem Stutje. Ernest Mandel, rebel tussen droom en daad, 1923-1995. Houtekiet/Amsab, Antwerpen/Gent, 2007, 475 blz. ISBN 978-90-5240-926-9

De Nederlandse historicus Jan Willem Stutje, verbonden aan het biografie-instituut van de Groningse universiteit, die als eerste toegang kreeg tot het archief van de in 1995 gestorven Ernest Mandel, maakte onlangs een zeer uitvoerige beschrijving van leven en werk van deze ondogmatische marxistische theoreticus en radicale Belgische politicus.

Het heeft dus twaalf jaar geduurd voordat er een serieuze publicatie over Ernest Mandel verschijnt. Dat op zich is al merkwaardig voor de, na Georges Simenon, toch meest vertaalde Belgische auteur. Zijn geschriften – waarvan de Traité d’économie marxiste, Der Spätkapitalismus, Critique de l’eurocommunisme en Long waves of capitalist development: A Marxist interpretation de meest bekende zijn – verschenen in meer dan veertig talen en in oplagen van honderdduizenden exemplaren. Het internationale tijdschrift Post Autistic Economics review rekende hem in 2006 tot de dertig grootste economen van de twintigste eeuw.

Kritische bewondering

Evenals Mandel worstelt ook zijn biograaf met de spanning tussen de afstandelijke wetenschapper en de grote betrokkenheid van de ideologisch gelijkgezinde. De historicus Stutje die zelf dicht bij de Vierde Internationale stond, noemt zijn boek daarom ‘een oefening in kritische bewondering’. Hij benadrukt in zijn voorwoord dat het geen studie van deze trotskistische stroming is geworden, maar een beschrijving van openbaar en privé-leven leven en werk van Mandel. Daarvoor doet hij een uitvoerig beroep op getuigenissen in het Frans, Engels en Duits van betrokken tijdgenoten waarnaar hij in 1772 voetnoten verwijst, die alleen al 100 pagina’s of bijna één vierde van het boek beslaan.

In elf hoofdstukken volgt Stutje de jonge Mandel van zijn opgroeien in Antwerpen tot zijn begrafenis op Père Lachaise waar hij begraven ligt aan de voet van de Mur des Fédérés waar in 1871 de laatste strijders van de Commune van Parijs werden terechtgesteld. In de loop van het boek schetst Stutje het denken van Mandel rond wat hij de drie centrale thema’s van zijn werk vindt: ten eerste de geschiedenis van het internationale kapitalisme, ten tweede de aard van de zogenaamde socialistische landen en ten derde de plaats van de subjectieve factor (zelfactiviteit, radendemocratie en revolutionaire partij).

Vlaams internationalist

In “De jeugdjaren” schetst de auteur de jeugd van Ernst Ezra Mandel, in 1923 geboren te Frankfurt maar opgegroeid in de nette Antwerpse Waterloostraat in het geassimileerd joods milieu van de Antwerpse diamantair Henri Mandel en Rosa Mateles. De jonge Ernest ging naar het ‘stedelijk onderwijsgesticht voor jongens nr.3’ aan de Belgiëlei en achteraf naar het Koninklijk Atheneum aan het Franklin Rooseveltplein waar hij met verve de oude humaniora doorliep. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Mandel zichzelf typeerde als ‘een Vlaams internationalist van joodse herkomst”. In de documentaire “Ernest Mandel, een leven voor de revolutie” van Chris den Hond noemde hij als boeken die hem sterk geïnspireerd hebben niet alleen Das Kapital van Marx maar ook “De leeuw van Vlaanderen” van Hendrik Conscience en “Tijl Uilenspiegel” van Charles de Coster.

In “Een jongeling in de oorlog” – Ernest is laatstejaars atheneumstudent als de oorlog uitbreekt – beschrijft Stutje hoe vader Henri en zoon Ernest zich al snel aansloten bij de verzetsgroep Vrank en Vrij die het clandestiene antinazi blad “Het vrije woord” uitgaven, waarvoor beide Mandels heel wat kopij leverden. In 1942 werd Ernest Mandel die schreef onder de schuilnaam E.Germain in Brussel opgepakt door de Gestapo, maar hij kon op een ietwat wonderlijke manier ontsnappen. In 1944 werd hij opnieuw ingerekend en gedeporteerd naar Duitsland waar hij onder andere werd te werk gesteld bij IG-Farben. Daar ontsnapte hij in ware Rambostijl: hij klauterde over de prikkeldaad en verschool zich in de bossen. Het was een krankzinnige onderneming met 99,9 procent kans dat hij bij mislukking ter plekke doodgeschoten werd. Dat hij het er levend afbracht mag een wonder heten. Als verzetsstrijder, als jood en als trotskist waren zijn levenskansen immers minimaal. Over zijn redding merkte hij op: “Ik moet niet overdrijven, want er stak ook veel geluk in. Maar door een juiste politieke benadering, kon ik onmiddellijk goede relaties aanknopen met sommige cipiers. Ik stelde me niet zoals de meeste Belgische en Franse gevangenen anti-Duits op. Weloverwogen zocht ik naar politiek sympathieke bewakers. Omwille van zelfbehoud het verstandigste om te doen.” (p. 60-61).

De macht van de wil

In hoofdstuk drie “de macht van de wil” beschrijft Stutje de woelige naoorlogse periode waarin Mandel en de andere trotskisten, vasthoudende aan Trotski’s catastrofetheorie, eerst geloofden dat het kapitalisme in zijn laatste fase verkeerde. In plaats van de verwachte déclin begon het economisch herstel zich af te tekenen, maar Mandel achtte Trotsky’s prognose daarmee niet gelogenstraft. “Trotsky had op een tendens gewezen. Aangezien deze juist was, ging het slechts om een verkeerde beoordeling van het tempo, niet om een analysefout.” Maar waarom het tempo was achtergebleven, daar liet hij zich niet over uit,” voegt Stutje er droogjes aan toe.

Ook de prognose van der Alte, zoals Mandel Trotsky noemde, dat de Sovjet-Unie verzwakt uit de oorlog zou komen, bleek niet te kloppen. En hoe moesten de nieuwe staten in Oost-Europa worden gekarakteriseerd? Stutje formuleert Mandels probleem: “Een arbeidersstaat kon toch alleen de uitkomst van revolutie zijn onder leiding van een revolutionaire massapartij? En hoe dan als zo’n staat van bovenaf en onder leiding van de bureaucratie tot stand kwam?” (p. 79) Wat met Joegoslavië onder Tito dat in 1948 uit de Kominform werd gegooid? Op die nieuwe situaties probeerde de jonge Vierde Internationale waarin Ernest Mandel en de Griekse revolutionair Michel Pablo toonaangevende figuren waren, politieke antwoorden en strategieën te vinden. Volgens Stutje moest Mandel qua politieke intuïtie in Pablo zijn meerdere erkennen. “Hij was meer politicus dan Mandel, die de marxistische sleutelconcepten niet gemakkelijk ter zijde schoof en die zich als positivist streng aan de feiten hield.” (p. 84)

La Gauche en de sociaaldemocratie

In een lang vierde hoofdstuk richt Stutje de focus op de zogenaamde intredepolitiek van de trotskisten in de Belgische socialistische beweging. Omdat de gehoopte doorbraak was uitgebleven, hadden de trotskisten besloten lid te worden van de meest representatieve arbeiderspartij in elk Europees land. Voor het toen nog unitaristische België was dat de BSP en het ABVV. Tijdens de Koningskwestie trad de Waalse vakbondsleider André Renard op de voorgrond. Hij ontdekte Mandel die in Le Peuple een opgemerkte economische rubriek schreef. Ze vonden elkaar in hun ideeën over strijdsyndicalisme, arbeiderscontrole, gekoppeld aan een strategie, gericht op de overgang naar het socialisme. La Gauche, organe de combat socialiste en het weekblad Links mikten op een doorbraak van het socialisme. De algemene staking van ’60-’61 tegen de eenheidswet, de Belgische staking van de eeuw, zorgde even voor nieuwe revolutionaire hoop, maar de traditionele sociaaldemocratie sloot de rangen en in 1964 kwam aan Mandels entrisme een einde toen op een partijcongres de onverenigbaarheid tussen BSP en de interne oppositie werd aanvaard.

De Traité

In 1962 verschijnt de Traité d’économie marxiste (later in Nederlandse vertaling van Paul Verbraeken) en de publicatie maakte Mandel in een klap tot een internationaal erkend econoom. Het was een gedurfde poging om Marx’ economische theorie te actualiseren. Mandel werpt zich niet alleen op als econoom maar ook als historicus. De Traité was een poging om geschiedenis te integreren in Marx’ theorie. De eerste vier hoofdstukken van de Traité waren gewijd aan de geschiedenis van de prekapitalistische economieën. Mandel spande zich in om de stof te ‘ontwestersen’, om tegenwicht te bieden aan het beeld dat elke maatschappij dezelfde opeenvolgende stadia had te doorlopen en om tegemoet te komen aan de groeiende belangstelling voor het marxisme in de niet-westerse wereld. Mandel zocht antwoord op de vraag waarom het kapitalisme zich in Europa ontwikkelde en niet in China, India of in de Arabische wereld, samenlevingen die eeuwenlang superieur waren.

Volgens Stutje markeerde deze studie een begin van de Marx-renaissance van de twintigste eeuw. In voetnoot vermeldt hij ook The making of the English working class van E.P.Thompson en Das Prinzip Hoffnung van Ernst Bloch. Mandel had regelmatig contact met de Duitse filosoof van de hoop wiens werk hij keer op keer herlas, zoals hij Marx en Hegel bestudeerde. In een debat met Jean Paul Sartre die Mandel een idéalisme possibiliste verweet, reageerde de antideterminist Mandel dat het hem niet ging om wat realistisch was of noodzakelijk, maar om wat mogelijk was om “het niet-zijnde te denken”, in de woorden van de Duitse filosoof Ernst Bloch. (p. 130)

In het huis van de Vierde

In dit zesde hoofdstuk neemt Stutje de draad weer op van de Vierde Internationale die in de jaren vijftig en zestig aanwezig is in Polen en Hongarije (1956) en in de ondersteuning van de Algerijnse bevrijdingsstrijd. Het is tevens de periode van grote spanningen binnen de Vierde tussen Michel Pablo en Ernest Mandel. Volgens Pablo werd er een kruis gezet door Europa waar volgens hem de arbeidersklasse verder dan ooit van de revolutie was verwijderd. Alleen bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld verdienenden volgens de pablisten steun. Met ontzetting zag Mandel het zogenaamd ‘verlamd geraakte’ Europese proletariaat op de schroothoop geworpen. Mandel vond dat Pablo met zijn pleidooi voor onbeperkte steun aan de koloniale revolutie het intredewerk in de Europese sociaaldemocratische partijen geringschatte. In het sleuteldocument voor het zevende wereldcongres van de Internationale (1963) onderzocht Mandel de wisselwerking van wat hij de drie sectoren van de wereldrevolutie noemde: in de kapitalistische industriële wereld (België, 1960-61), in de arme en afhankelijke landen (Algerije, Cuba) en in de wereld van de overgangsmaatschappijen (Polen, Hongarije 1956). In die dialectiek zag hij volgens Stutje de mogelijkheid van een fundamentele omslag in de internationale politieke conjunctuur en verwierp zo Pablo’s eenzijdige idealisering van de koloniale revolutie. (p. 164)

 

Tussen wetenschap en politiek

Mandel was niet alleen ideoloog, gedreven spreker en partijman in strikte zin, hij was ook geleerde, pedagoog en professor. Al vroeg in de jaren zestig was Mandel een veelgevraagd spreker in Duitsland. In 1970 gaf Mandel vier maanden college aan het Institut für Politikwissenschaft in Berlijn en vanaf 1970-71 verzorgde hij een cursus ‘Beginselen en toepassing van de marxistische economie’ aan de vrije Universiteit Brussel. In 1986 werd Mandel daar benoemd tot hoogleraar met als leeropdracht de studie van de marxistische economie. Tegelijk bleef hij de onverzettelijke activist waardoor hij zich een reputatie opbouwde die hem tot persona non grata in landen als de VS, Frankrijk en Duitsland maakte. Ondertussen bouwde de geleerde marxistische onderzoeker in hem gestaag verder aan zijn oeuvre. In 1972 verscheen zijn Der Spätkapitalismus en in 1980 zijn studie Long Waves of Capitalist development. Met zijn verzoening van theorie en geschiedenis plaatste Mandel zich volgens Stutje als intellectuele vrijbuiter naast de marxistische hoofdstroom. “Buiten de althusseriaanse dogmatiek, buiten wat Perry Anderson ‘het westerse marxisme’ noemde dat met zijn rug naar economisch onderzoek stond en buiten de traditie van Marx’ leerlingen als Luxenburg, Hilferding, Boecharin, Grossmann en Sternberg die in hun streven de specifieke fases van de kapitalistische productiewijze te verklaren, uitgingen van Marx’ reproductieschema’s.” (p. 183)

Mandel plaatste in het voetspoor van Marx de geschiedenis terug in het hart van de economische theorie. In de boomperiode na de Tweede Wereldoorlog bestond er geen belangstelling voor de langegolventheorie. Mandel was een uitzondering toen hij midden jaren zestig voorzag dat de expansieve periode zou omslaan in een depressie, en dat de ommekeer einde jaren zestig, begin jaren zeventig te verwachten viel. In het spoor van Kondratieff beschrijft Mandel de geschiedenis van het kapitalisme ook als een opeenvolging van lange periodes van circa vijftig jaar.

In zijn slotbeschouwing wijst Stutje op de ambivalentie die er bestaan heeft in Mandels dubbelrol als politiek denker/analist en activist/organisator. Op verschillende plaatsen in het boek word er gewag gemaakt van Mandels aarzelingen en een verklaring gezocht in zijn onwil, zo niet zijn onvermogen om op cruciale momenten de integriteit van zijn overtuiging te verdedigen boven het compromis. Ontsporingen in een ongefundeerd optimisme, zoals bij de val van de muur waren hiervan een gevolg.

 

Liefde en revolutie

In dit hoofdstuk duiken in het leven van Mandel zowel Ernesto Che Guevara als personages van mei ’68 op. Stutje heeft het over zijn ontmoeting op Cuba met een zeer behoorlijk Frans sprekende Che (die trouwens Mandels Traité had gelezen), maar ook over zijn contacten met Rudi Dutschke, Daniel Cohn-Bendit, Daniel Bensaïd, Alain Krivine, Francois Vercammen en andere soixantehuitards die elkaar in Parijs en Berlijn aantroffen. Het ogenschijnlijk burgermannetje in maatpak verstond zich opperbest met deze nieuwe generatie van wereldbestormers die in een mum van tijd Parijs en heel Frankrijk op stelten zetten.

Op dat ogenblik was Mandel samen met de Poolse Gisela Scholtz. Hij ontmoette haar voor het eerst in de lente van 1965. Hij was toen tweeënveertig jaar en weinig ervaren in de liefde. Na een wanhopige, onbeantwoorde liefde voor Micky Traks kon Mandel niet meer tot de bodem van zijn gevoel komen. “Mandel leefde op afstand van het dagelijkse leven. En die afstand groeide door het toegenomen betrokkenheid bij het werk in de Internationale. Politiek stond op de eerste plaats, over gevoelens sprak hij niet.” (p. 208) Deze beschrijving van Stutje gaat naar mijn gevoel ook op voor veel trotskisten van SJW, SAP en RAL voor wie het persoonlijke en het politieke heel lang gescheiden bleven. Stutje zegt het zo: “Mandel was van een generatie die het even verdeelde in een openbare en een private sfeer. (…) De wil om de maatschappij te veranderen, vond hij een rechtvaardiging om zich blind te houden voor de ziel. Of het de gevoelswereld van zijn geliefden betrof of die van hemzelf.” (p. 256 ) Volgens Stutje ging Mandel vriendschappen uit de weg en in zijn liefdesrelaties hield hij zich gesloten voor de intieme, emotionele kanten. “De realiteit van het persoonlijke leven was daardoor maar gedeeltelijk toegankelijk. Het beschutte hem niet tegen ongeluk, wel tegen een verlamming van de ziel.” (p. 259) Waarschijnlijk heeft Mandel meer rust en harmonie gevonden in zijn laatste relatie met de Vlaamse Anne Sprimont dan in zijn leven met de getormenteerde Gisela Scholtz.

 

Hoop en vertwijfeling

In de hoofdstukken “Hoop en vertwijfeling” en “de revolutie voorbij” beschrijft de biograaf hoe de sterke figuur Mandel fysiek en politiek meer en meer van zijn pluimen begint te verliezen. Zijn verwoestende levenswijze begon hem parten te spelen. Een in Lausanne geconsulteerde arts stelde in de jaren tachtig vast dat zijn lichaam tien jaar ouder was dan op grond van zijn leeftijd verwacht mocht worden. Bewegen deed hij nauwelijks meer; drie vier uur slapen per nacht was veel, het te overmatig voedsel en de vermageringspillen die hij in ruime mate nam, ondermijnden zijn gezondheid snel. Op de foto van p. 305 bij de val van de muur in 1989 zie je Mandel met een krukje onder zijn arm rondlopen. In december 1993 trof hem een hartaanval en daarna was twee uur werken per dag veel.

Ook met de organisatie ging het niet goed. Begin jaren tachtig begon ze in Parijs scheuren te vertonen. Onder de fulltimers groeide de twijfel. Een enkeling keerde terug naar huis om op krachten te komen, een ander om de eigen sectie uit het slop te halen, een derde – de veertig voorbij – om een laatste kans op een maatschappelijke loopbaan te grijpen.” (p. 264) Mandel trekt zich meer en meer terug met Anne Sprimont en leest detectives waarover hij ook een eigenzinnig boekje zal schrijven: “Uitgelezen moorden: een sociale geschiedenis van het misdaadverhaal”.

 

Socialisme of de dood

Einde van de jaren veertig bezocht Mandel de Italiaan Livio Maitan in Milaan. Bij het zien van de overal op de muren gekalkte leuze Viva Internazionale riep hij verrukt uit: “Absolutely incredible. How many internationalists in Italy in spite of the Stalinists and the reformists.” Dat Internazionale de naam was van een grote Milanese voetbalclub, was Mandel ontgaan.

Deze anekdote is kenschetsend voor iemand die de profetie van het mogelijke, de concrete utopie zoals Ernst Bloch het noemt, bij momenten te sterk voor ogen houdt en de meer prozaïsche werkelijkheid over het hoofd ziet.

Op het einde van zijn leven is Mandel nog getuige kunnen zijn van enkele zeer belangrijke historische gebeurtenissen, maar bij de beoordeling ervan heeft hij zich ook vergaloppeerd. De komst van Michail Gorbatsjov als secretaris-generaal van de CPSU in 1985 vervulde hem met hoop:” Ik ben er volledig van overtuigd dat de ontwikkeling in de USSR de belangrijkste gebeurtenis is sinds Mei ’68.” Volgens hem stond de politieke revolutie in de Sovjet-Unie na bijna een halve eeuw weer op de agenda. Stutje: “Stond hem buiten die hoop een andere weg open? Zijn marginale positie dwong hem als het ware te vertrouwen op de spontaniteit van de massa en op haar wil zich van het stalinistisch juk te bevrijden.” (p. 302)

Ook zijn inschatting van de opwindende reeks demonstraties in Berlijn, Dresden en Leipzig die aan de val van de muur voorafging was overtrokken optimistisch: “De opgang van de massabeweging nam de dimensie aan van een echter revolutie. De beweging overtref alles dat Europa gezien heeft sinds 1968, zo niet sinds de Spaanse evolutie,” schreef hij in International Viewpoint.

Volgens Stutje riep Mandel op het einde van zijn leven geregeld het morele engagement aan om de solidariteit met de onderdrukten te rechtvaardigen. Hij schuwde niet de menselijke tragedie – de nucleaire oorlog, de genocide en de vernietiging van het milieu – in de zwartste tonen te schilderen. “Een kwaad messianisme dat in Mandels idioom de klassieke tweedeling van socialisme of barbarij verving door een apocalyptisch socialisme of de dood, socialisme of de vernietiging van de mensheid.” (p. 307)

Optimisme zat Mandel ingebakken. Het was het aanstekelijk element van zijn denken en strijden. “Nu leek het aangetast door vrees voor de toekomst. Niet meer in balans, maar overschaduwd door een intellect, dat met de geloofwaardigheidscrisis van het socialisme naar peilloze diepte neigde. Die crisis markeerde het einde van zijn leven, en hij was er zich van bewust.” (p. 311) Of nog anders en schrijnender gezegd: “Mandel slaagde er niet in het karakter te vatten van de wereld waarin hij zijn ouderdom bereikte; tegenover de vreedzame restauratie van het kapitalisme in de Sovjet-Unie en de hereniging van Duitsland verdween zijn optimisme.” (p. 325)

 

Mandel in de Kondratieff

“Ernest Mandel, rebel tussen droom en daad” van Jan Willem Stutje is een krachtproef van jewelste. Dit boek verdient een ereplaats in de bibliotheek van iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van het revolutionair socialisme van vorige eeuw. De ‘kritische bewondering’ van de biograaf heeft er voor gezorgd dat het geen hagiografie is geworden, maar evenmin een afrekening met de theoreticus, de ideoloog, de geschiedschrijver en organisator van de Mei ’68-generatie. Stutje brengt via zorgvuldig speurwerk in de archieven – wat een werkkracht moet die man hebben ! – maar ook via zijn eigen, vaak zeer mooi geformuleerde conclusies de grote merites maar ook de zwakkere kanten van de mens Mandel in beeld. Stutje lijkt mij ook geslaagd in één van de moeilijkste opdrachten van een biograaf, met name het zoeken en vinden van een evenwicht tussen de schets van de historische context en het leven en werk van de mens Mandel.

Volledigheid is niet des mensen. Stutje had nog zoveel meer thema’s kunnen aansnijden. Natuurlijk. De invloed van Mandel in Latijns-Amerika, zowel in negatieve als in positieve zin, had mijn inziens toch wat meer kunnen worden belicht. De trotskistische beweging heeft onder meer in landen als Bolivia een behoorlijke invloed gehad. (1)

Het is ironisch, maar het werk van de man die terug de langegolventheorie onder de aandacht bracht, is zelf onderhevig geworden aan de beweging van de Kondratieff. De grootste invloed van zijn werk situeert zich in de hoopvolle jaren zestig en zeventig. Vanaf de jaren tachtig is niet alleen Mandel over het hoogtepunt van zijn kunnen, maar slaat ook een restauratiebeweging toe die werken met een hoog utopisch gehalte naar het rijk de verbeelding verwijst. Eigenlijk is deze prachtige biografie van Stutje daarvan een voorbeeld. De biograaf heeft zijn monnikenwerk tot een goed einde gebracht, maar daarmee kan en mag het niet blijven. De politieke erfenis van Mandel vraagt om nadere uitwerking. Wanneer komt er een liber amicorum van internationale marxisten en/of wetenschappers die de draad waar Mandel hem heeft moeten loslaten terug durven opnemen? Stutje stelt dat Mandel niemand als historisch econoom of economische historicus heeft gevormd, dat hij slechts met een enkeling, zoals met de Duister Winfried Wolf samenwerkte, maar dat moet toch niet betekenen dat met het verdwijnen van de meester de zoektocht van de meester met vallen en opstaan niet kan worden verdergezet? Voelen de Tariq Ali’s, de Alain Krivines, de Perry Andersons, de Eric Toussaints, Eric Corijnen en François Vercammens van deze wereld zich niet aangesproken?

(Uitpers, nr 88, 8ste jg., juli-augustus 2007)

 

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=484543&refsource=uitpers

Noot:

(1) Dat ondervond ik in 1992 toen ik in Bolivia Guillermo Lora van de trotskistische POR (Partido Obrero Revolucionario) leerde kennen. Ik interviewde hem in Sucre voor mijn boek Abya-Yala, 500 jaar na Colombus, Libertas Mol, 1993). Hieruit een passage waarin Guillermo Lora heel de tijd aan het woord is.

“Het verschil tussen de Belgische en Boliviaanse trotskisten is eenvoudig. Wij hebben een programma. De Belgische trotskisten niet. Dat betekent bijvoorbeeld dat Mandel en zijn compañeros allerlei allianties kunnen aangaan met kleinburgerlijke linkse groepen. Op die manier kun je niet spreken van een proletarische, marxistisch-trotskistische partij.

Het ‘mandelisme’ is aan het verworden tot een vorm van radeloos foquisme. Reeds in de jaren zeventig wees ik erop dat de intellectuelen die het secretariaat uitmaakten van de zogenaamde Vierde Internationale waaronder Ernesto Mandel, zich gespecialiseerd hadden in het ‘ontdekken’ van ‘instinctieve’ trotskisten in elke nationalistische of populistische beweging met enig succes.

De Belgische trotskisten zijn volgens mij stuurloos. Trouwens, een zich trotskistisch noemende partij, die meedoet aan het spel van de burgerlijke verkiezingen is op zichzelf al een contradictio in terminis. In mijn boek La contra-revolucionario perestroika bestrijd ik de revisionistische stellingen van Mandels boek Où va l’URSS de Gorbachev? In de plaats van een auto-reforma de la burocracia in de richting van een echte arbeiderscontrole is de perestroika van Gorbachov, die Mandel tot de meest lucide ‘linkse’ vleugel van de bureaucratie rekent, een contrarevolutionaire politiek gebleken, die geleid heeft tot de invoering van de vrijemarkteconomie.

Ook hun houding t.a.v. het FSLN in Nicaragua kunnen we niet delen. De POR heeft het Sandinistische Nicaragua steeds ondersteund omdat het het slachtoffer was van het brutale Amerikaanse imperialisme. Voor ons echter heeft het FSLN na 19 juli 1979 een democratisch front gesloten met grote delen van de burgerij, die zich Somoza verzetten en bijgevolg hebben ze afgezien van het vormen van een arbeiders -en boerenregering, wat de enige manier is om het kapitalisme radicaal te onttronen.

Voor wat mij betreft kun je niet spreken van een revolutie zonder het veroveren van de culturele hegemonie. Dat zei Gramsci al lang geleden. Een strijd in de superstructuur via ‘organische intellectuelen’ voor het installeren van een contra-hegemonie. Zoiets bestaat nergens, niet in Bolivia, niet in Europa, nergens in de wereld. Deze ideeën zijn ook onbekend hier. Ze werden voornamelijk door de Peruaanse marxist Mariátegui, die lange tijd in europa en vooral in Italië verbleef, ingevoerd. De spontane en instinctieve strijd van de massa’s groeit als een reactie op hun onderdrukte positie. Echt politiek bewustzijn is echter niet vanzelfsprekend aanwezig bij de massa’s. Dit bewustzijn is wel aanwezig bij de voorhoede, dia als taak heeft deze instinctieve reacties te leiden in d richting van het programma van de revolutionaire partij. Aan gewone boeren en arbeiders, die dagelijks ervaren wat onderdrukking betekent, is het perfect mogelijk de meerwaardetheorie van Marx uit te leggen. En ik kan uit ervaring spreken, want uiteindelijk ben ik ook maar een gewone Boliviaanse Indiaan.”(Walter Lotens, 1993, p. 266-267)

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).