“En toen moest ik mijn broer doodbijten”

Els de Temmerman. En toen moest ik mijn broer doodbijten. Houtekiet Antwerpen/Amsterdam, 2007, 311 blz. ISBN 978-90-5240-957-3, 19,95 euro

“De gevangenen werden vastgebonden en moesten op hun zij gaan liggen, met hun hoofd tegen houten palen. Ze kregen te horen dat ze niet mochten schreeuwen. Vervolgens werden hun schedels ingeslagen met staven en stokken. Van wie tegenspartelde, werd de keel overgesneden. Van een van hen werd de tong afgesneden.” (Albertina Adongo over het massacre van Ngetta p. 250)

“Mijn broer lag vastgebonden op de grond. Vijf kinderen werden geselecteerd, onder wie mijn andere broer en ik. We moesten hem over zijn hele lichaam bijten.”

“Was hij dood?” vraag ik.

“Hij ademde nog een beetje. Ze gaven me een stok en ik moest hem afmaken door achterop zijn hoofd te slaan.” (p.281) Dat is de getuigenis van James, een geredde kindsoldaat van tien. Hij heeft maar één oor op de foto. Het andere werd afgesneden met een scheermesje omdat hij een stuk cassave had durven eten.

Dat zijn slechts twee van de vele gruwelijke getuigenissen die Els de Temmerman optekent. Het werd ook de titel van haar laatste boek. In Humo van 24 april 2007 zegt ze daarover: “Het overlevingsinstinct van mensen is allesoverheersend. Als het er echt op aankomt, is de mens tot alles in staat. Ook tot het laagste.” En alsof dat nog niet voldoende is, krijgt de lezer ook bijna op elke bladzijde een wit-zwart foto onder de neus gedrukt van uitgemergelde kinderen of van die jonge vrouw met afgesneden lippen en oren, maar ook van jongens en meisjes met de dood in de ogen die er na hun opvang stralend uitzien.

Opvang van kindsoldaten

Deze Vlaamse journaliste weet waarover ze schrijft. Zij werkte als Afrika-correspondent o.m. voor ‘Het Volk’, ‘Wereldwijd’ en ‘De Volkskrant’ met als standplaatsen Nairobi (Kenia) en Kampala( Oeganda). Haar vorige boek over ex-kindsoldaten ‘De meisjes van Aboke’ werd vertaald in het Engels, Frans, Spaans en Italiaans en is nu aan verfilming toe. Dit boek brengt het verhaal van 139 ontvoerde leerlingen die in oktober 1996 uit hun missieschool in Noord-Oeganda werden geschaakt. De onderdirectrice, de Italiaanse zuster Rachele, achtervolgde de rebellen en slaagde erin 109 schoolmeisjes vrij te krijgen. In 2000 richtte De Temmerman, onder meer met de opbrengst van haar boeken en lezingen, een fonds op om het schoolgeld te betalen van voormalige kindsoldaten. Van 2003 tot einde 2006 was zij coördinator van het Rachele Rehabilitation Centre, een opvangcentrum voor ex-kindsoldaten in Lira, Noord-Oeganda, dat mee gesteund wordt door de Belgische overheid en de Belgische vzw Sponsoring Kinderen Oeganda. Ook premier Verhofstadt sponsort enkele kindsoldaten uit het Rachele-opvangcentrum, waar de jongens ook in de blauwe truitjes van AA Gent voetballen. Op vraag van deze laatste organisatie, waarvan Jef Vermassen voorzitter is, maakte De Temmerman van begin 2005 tot einde 2006 dagboekaantekeningen die nu gebundeld werden tot “En toen moest ik mijn broer doodbijten“.

Uit de hel

“Het zijn verhalen die me deprimeren en moedeloos maken, en die me in mijn droom achtervolgen. Ze voeren me mee naar de diepste afgronden van de menselijke wreedheid, het bizarre, sadistische oerwoud van Joseph Kony waar niemand kan komen,” schrijft ze op 11 juni 2005. Eerst wilde De Temmerman, zoals Lieve Joris in haar roman “Het uur van de rebellen” doet, achterhalen wat iemand zoals de warlord van de Lord’s Resistance Army tot een monster maakt – Dutroux maal duizend noemt ze hem – maar uiteindelijk geeft ze het op om met Kony te spreken: “Het is een ziekelijke leugenaar die elke verantwoordelijkheid afwijst en zelfs ontkent. Het is niet eens mogelijk tot hem door te dringen: urenlang kan hij raaskallen. Bovendien blijft hij een verraderlijk man. Een half verkeerd woord kan je dood betekenen.”

Een dagboek

In dit (dag)boek is niet de journalist De Temmerman aan het woord maar de coördinator van een opvangcentrum die via haar dagboekbladzijden een inkijk geeft in haar dagelijkse strijd om Oegandese ex-kindsoldaten die uit het diepste van de hel komen op te vangen, in leven te houden en terug ‘mens’ te helpen worden. Maar hoe doe je dat met iemand als Joe die gedwongen is geweest om zijn vader te doden of met Okwera, geboren in het rebellenleger, die op zijn vier jaar vijftien kilometer liep naar een legerpost? De Temmerman weet het heel vaak niet en toch gaat ze verder, gedreven als ze is. Ze schuwt geen gevaar – op vrijwel elke weg loert de dood – om uit vluchtelingenkampen in het noorden van Oeganda ontvluchte kindsoldaten weg te halen.

Soms ziet ze het niet meer zitten, zoals op 5 mei 2005: “Als ik het radiostation verlaat, ben ik moe en triest. Zoveel moedige mensen. Zoveel inzet, goede wil en verlangen naar vrede. En toch zijn er achter de schermen weer hogere krachten aan het werk die de oorlog aanwakkeren. Het kwaad is zoveel machtiger dan het goede.”

Geloof in de druppel

Het taalgebruik en de benadering in deze passage – en in heel het dagboek – is niet die van de journalist die een brede context schetst van de complexe politieke situatie in dat getraumatiseerd stukje van Oost-Afrika – er zijn ook geen geografische kaarten in het boek opgenomen – maar van een gedreven vrouw met, zoals Humo zegt, een hoog missionarisgehalte, die nooit tijd heeft, ook niet voor haar echtgenoot, de Belgische politicus Johan Van Hecke.

Is De Temmerman dan ineens zuster Rachele geworden, een nieuwe versie van Moeder Teresa? Dat geloof ik niet. Haar voluntarisme is ongetwijfeld groot, maar dat is haast vanzelfsprekend voor iemand die vrijwel zeker de Don Quichote gelezen heeft en de concrete utopie als een leidraad in haar leven meevoert. Zij kent de beperkingen van haar werk, maar ook de mogelijkheden. “In ons project hebben we 2500 ex-kindsoldaten opgevangen en gerehabiliteerd en er 3200 naar school gestuurd. Dat lijkt een druppel op een hete plaat als je weet dat er 66.000 kinderen ontvoerd zijn, maar moeten we het daarom opgeven?” zegt zij in dezelfde Humo.

De Temmerman voelt zich geen heldin of heilige. Voor haar heeft werken met de armste mensen niets romantisch of heldhaftigs. Op 22 december 2005 schrijft ze: “In werkelijkheid is het een uitputtende strijd, een achterhoedegevecht dat je eeuwig met een onvoldaan gevoel achterlaat en dat je verschrikkelijk moe maakt. Alsof je wanhopig tegen de stroom in roeit en nooit vooruitkomt.”

Kritiek

De structureel denkende journalist in De Temmerman blijft echter aanwezig vooral dan in die passages waarin zij vlijmscherpe kritiek levert op de internationale gemeenschap: “Als de Britten driehonderd elitetroepen naar Soedan zouden sturen om Kony uit te schakelen, zoals ze deden met de rebellenleider Foday Sankoh in Sierra Leone, dan zou de oorlog afgelopen zijn. Maar er zijn geen politieke, geen economische en geen strategische belangen met dit conflict gemoeid.” (p. 25) En op p. 237 tackelt zij nog wat breder: “De wapenindustrie, de krijgsheren, de collaborateurs, de politici, de hulpverleners en zelfs bemiddelaars en de vredesbrengers die fikse dagvergoedingen opstrijken, allemaal hebben ze er baat bij dat de oorlog voortduurt.” Ze kan zich bij momenten ook danig boos maken op de hulpverleners, de vredesbrengers, de onderzoekers, de journalisten, de artisten, de filmploegen, de politici en de thesisstudenten die, meestal als het ergste voorbij is, ter plaatse komen. “Na jaren van verwaarlozing en vergetelheid staat Noord-Oeganda opeens in het middelpunt van de belangstelling,” merkt ze zuur op op p. 165.

Ook over amnestie, verzoening en gerechtigheid doet zij enkele forse uitspraken. “De Rwandese regering heeft zevenhonderdduizend dossiers over de genocide geopend. Elke dader moet bekennen. Elke schuldige moet worden bestraft. Maar leidt dat tot verzoening? Het andere uiterste voltrekt zich in Noord-Oeganda, waar rebellenleiders zoals Banya, Sam Kolo en Onen Kamdule amnestie krijgen. Hun misdaden worden toegedekt met de mantel van het mededogen, begraven in het zand van de tijd. In naam van de lieve vrede. Maar leidt dit tot verzoening?” (p. 160). Zij begrijpt niet dat er soms geen gerechtigheid voor de slachtoffers wordt geëist en daarom is ze tegen de houding van Oxfam en Save the Children die in de VN-Veiligheidsraad lobbyen tegen het optreden van het Internationaal Strafhof in Noord-Soedan. Alles gaat voorbij. Behalve het verleden. Luc Huyse schreef het al.

Geen blanke meer

Door haar lange aanwezigheid in Afrika en haar sporadische bezoeken aan België is Els de Temmerman almaar meer een tussenfiguur aan het worden. Soms spreekt ze nog over ‘zo doen we dat in Europa’ (p.124) of ‘hij heeft pas een week bij ons gelogeerd in België (p. 127) maar die wij-binding met Europa en België gebruikt ze alleen in haar Afrikaans dagboek. In Humo zegt ze ronduit dat ze zich geen blanke meer voelt. “Terugkomen naar België valt me altijd bijzonder moeilijk: ik moet weer even mijn oriëntatiepunten terugvinden. Vooral de rit van de luchthaven naar Oosterzele bevreemdt me telkens weer. Nergens lopen groepen mensen langs de snelweg, je ziet alleen auto’s en in die auto’s zit alleen de bestuurder – dat vind ik zo een typisch beeld voor het individualisme en de eenzaamheid bij ons. In Afrika lig je voortdurend in een bad van mensen.” Intussen leeft De Temmerman bijna twintig jaar in Afrika , maar vooral haar drie laatste jaren in Lira waren cruciaal in haar ‘Afrikaan’-worden. “Voor het eerst ging ik tussen en met de Afrikanen wonen, voor het eerst werd ik een lotgenoot die hun angsten en pijn deelde. Ik werd kortom volledig geabsorbeerd in hun gemeenschap, wat enorm verrijkend was.”

Haar Afrikaanse bindingen worden almaar groter want op het einde van haar dagboek meldt ze dat ze hoofdredacteur wordt van de Oegandese regeringsgezinde krant – zij heeft een goed contact met president Museveni – The New Vision. Einde 2006 stopt zij als coördinator van het Rachele Centre (‘Ik wilde nooit een hupverslaafde zijn’) dat nu op eigen Oegandese kracht verder draait en keert zij terug naar haar oude liefde, de journalistiek. Met deze beslissing eindigt haar intermezzo als coördinator van het opvangcentrum en tevens haar dagboek over die periode.

Ribbenplakker van formaat

En toen moest ik mijn broer doodbijten” is een ribbenplakker van formaat. Het is de emotionele kreet van iemand die te lang en te veel Afrikaanse misère heeft gezien om daar alleen maar cleane journalistieke stukken over te schrijven, waardoor ze even wordt wat ze niet wil zijn. Als hulpverlener blijft zij echter haar De Temmerman-temperament behouden en wordt zij zeker geen duplicaat van zuster Rachele, laat staan van Moeder Teresa. Wie echter een zorgvuldige journalistieke analyse verwacht had van wat er op dit ogenblik in dat ondoorzichtige kluwen van Oost-Afrika en een stuk van de Hoorn van Afrika plaats vindt, moet eerder naar een boek als dat van de Amerikaanse journaliste Deborah Scroggins “Emma’s oorlog” grijpen. De Temmerman schetst in dit werk geen context, maar beschrijft van binnenuit en met veel medeleven én betrokkenheid het onmenselijke leed van kleine mensen die in de politieke mangel van een vrijwel statenloze maatschappij verloren lopen. Deze invalshoek is echter zeer valabel. Door de focus te richten op de slachtoffers van een jarenlang aanslepende vuile oorlog en haar moedige donquichote-achtige pogingen om ze te helpen wordt het tevens een vlijmscherpe kritiek op de multilaterale, bilaterale en niet-gouvernementele ontwikkelingssamenwerking, die het, als de nood het grootst is, al te vaak laat afweten. In die zin kan haar dagboek ook gelezen worden als een mooi voorbeeld van inspanningen van de zogenaamde vierde pijler die, los van de klassieke kanalen, allerlei particuliere samenwerkingsprojecten met mensen in het Zuiden ontwikkelt en die tegenwoordig ook in Vlaanderen heel wat mensen aanspreekt. De vzw Sponsoring Kinderen Oeganda, een stukje van De Temmermans Vlaamse achterban, is daarvan een voorbeeld. Petje af voor iemand die zo’n dagboek kan schrijven!

(Uitpers, nr 87, 8ste jg., juni 2007)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=484549&refsource=uitpers

(Visited 8 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).