Eerste commonscongres in Vlaanderen, een terugblik

Zorgzaam en op basis van wederkerigheid met gemeengoed omgaan’

Op vrijdag 27 november vond het eerste commonscongres in Vlaanderen plaats op initiatief van Commons Lab Antwerpen, Stad Antwerpen, CCQO, Urban studies Institute (Universiteit Antwerpen) en de denktank Oikos. Gedurende een hele dag volgden meer dan 150 deelnemers van over heel Vlaanderen inspirerende lezingen en workshops waaraan o.a. Rutger Groot Wassink (wethouder Sociale Zaken, Diversiteit en Democratisering in Amsterdam), Pascal Gielen (UA), Dirk Holemans (Oikos), Koen Wynants (Commons Lab) en Tom Meeuws (Antwerpse Schepen bevoegd voor sociale zaken, armoedebestrijding, samenlevingsopbouw, sociale economie, leefmilieu en erediensten). Walter Lotens was een van de deelnemers en hij stuurde dit bericht met persoonlijke commentaar en verdere bedenkingen naar de inrichters. Ook dat is misschien een vorm van commoning…

Dag Pascal, Dirk, Koen, Jan et les autres die achter de digitale schermen bleven,
Bij deze mijn zeer gemeende appreciatie voor de boeiende bijeenkomst. Het was een sterke invitation à la danse. Een belangrijke, ik zou bijna zeggen ‘historische’ dag voor het gedachtegoed, de actie en de versterking van de ‘commonsbeweging’ in wat men Vlaanderen noemt. Fijn dat ook cultuursocioloog Pascal Gielen daaraan heeft deelgenomen want onderzoek (met kritische opmerkingen!) en actie kunnen elkaar alleen maar versterken. Inderdaad, niet alle initiatieven zijn even koosjer. De maffia vertoont ook kenmerken van een (verborgen) burgercollectief met een speciale agenda. In Bolivia, voornamelijk in Santa Cruz de la Sierra, bestaan er al jaren fascistische burgercomités die op alle mogelijke, ook gewelddadige manieren geprobeerd hebben om Evo Morales en de MAS van de macht te houden. Tot zelfs gecoupte verkiezingen toe. Commons en commoning zijn geen neutrale bezigheden, maar zitten als een veruiterlijking van ‘het politieke’ hoe dan ook in al dan niet partijpolitiek vaarwater.

Coöperaties

Coöperaties kunnen een interessant vehikel zijn voor commons – het Brussels voorbeeld van Beescoop, een alternatieve groentewinkel dat werd voorgesteld, is er daar een van. Een coöperatie opereert op het kruispunt tussen staat en burgers, tussen de lokale gemeenschap en de nationale staat, tussen het economische en het sociale. Coöperaties bewegen zich niet buiten, maar in de marge van de vrijemarkteconomie. Ze zijn een verrassende combinatie van concreet utopisch denken en het noodzakelijke dagelijkse realisme om een onderneming te laten overleven die niet alleen winstmaximalisatie vooropstelt. Een versmelting dus van utopie en realisme, van radicalisme en pragmatisme. Toch moeten we ook hier oppassen want niet alle coöperaties zijn ‘bondgenoten’ voor de commons. In België bestaan er op dit ogenblik – de wet op de vennootschappen is onlangs veranderd – ongeveer 25.400 CV’s waarvan een groot aantal ‘oneigenlijke coöperaties’ die voor die vennootschapsformule in de eerste plaats hebben gekozen om fiscale voordelen uit te halen. Het blijkt dat er slechts een fractie – een goede 500 – erkend zijn door de Nationale Raad van de Coöperatie (NRC) waarvan de erkenningscriteria gebaseerd zijn op de internationale coöperatieve principes van het ICA (International Co-operative Alliance) waaronder one man, one vote en andere. De revival van het coöperatief ondernemen – denk maar aan NewB, Ecopower, netwerker Coopkracht en zovele andere voorbeelden – kan ook van betekenis zijn en ondersteuning bieden aan commonsinitiatieven die toch nog vanuit een andere invalshoek opereren dan coöperaties.

Commons

Commons zijn voor de westerse mens een begrip uit lang vervlogen tijden dat ineens terug de volle aandacht krijgt, maar die in landen van het Zuiden, zeker bij inheemse volkeren zoals in de hoge Andes, tot de dagelijkse praktijk behoren. In Ecuador en Bolivia bijvoorbeeld is de praktijk van de commons – commoning dus – en van coöperatief werken vanzelfsprekend, misschien niet als term maar zeker in de feiten. Het gaat dan vaak om bonden of verbanden van producenten, groeperingen van boeren, ambachtslui of vissers, talrijke kredietkassen of verenigingen, en dan verder nog al die organisaties waarvan de naam alleen maar in één enkele taal of lokale cultuur voorkomt. Solidariteit en wederkerigheid maken mensen sterker, weerbaarder ook. Deze principes zijn zo oud als de straat en moeten niet telkens opnieuw uitgevonden worden. Integendeel, in nogal wat gevallen kunnen voorbeelden uit het Zuiden een spiegel zijn voor het Noorden. Dáár is de bewaarplaats van sociale mechanismen – of noem het de schatkamer van wederkerigheid – die bij ons onder een moordende economische ratrace ondergesneeuwd zijn geraakt. De commons-gedachte vormt trouwens de vanzelfsprekende basisvoorwaarde voor het voortbestaan van vele inheemse gemeenschappen: zonder solidariteits- en wederkerigheidsprincipes zouden de dorpsgemeenschappen in de barre klimatologische omstandigheden van de hoge Andes, of op andere onherbergzame plaatsen in de wereld, geen overlevingskansen hebben.
Commons (in het Engels meestal in het meervoud gebruikt, biens communs in het Frans, los bienes comunes in het Spaans) komt ongeveer overeen met het Nederlandse ‘gemeengoed’, afgeleid van ‘de (ge)meent(e)’ of de ‘mient’. Het betreft dan een gemene grond zoals een onverdeelde gemeenschappelijke weide, meestal als onderdeel van een gemeynt of marke.
Bij commons gaat het niet alleen over het gezamenlijk gebruik van grond, weiden en bossen door de leden van een bepaalde gemeenschap, maar ook over afspraken voor gezamenlijke activiteiten zoals vee weiden en hout sprokkelen. Ivan Illich definieerde de meent als volgt: ‘Het ging om dat deel van de omgeving waarvoor het gewoonterecht bepaalde vormen van eerbiediging door de gemeenschap vereiste.’(1) De commons zijn dus geen privaat goed en ook geen eigendom van de overheid, maar worden beheerd door een gemeenschap van burgers, gebruikers en producenten, die er de voordelen of gevolgen van ondervinden. Dat werd zeer duidelijk toegelicht door Dirk Holemans van Oikos – commons opereren ergens in het ‘niemandsland’ van de driehoek ‘burger, staat en mark – ten geïllustreerd met recente voorbeelden, voornamelijk uit het Gentse. Hij verwees voor een definitie natuurlijk ook naar het werk van Nobelwinnares Elinor Ostrom, een naam die wel vaker viel tijdens het congres : ‘Commons zijn gedeelde hulpbronnen (of platforms) die worden gecreëerd en verzorgd door een gebruikersgemeenschap, volgens haar eigen afspraken, regels en normen. Dit betekent dat commons worden gedefinieerd door drie aspecten: ten eerste een gedeelde hulpbron (of platform), ten tweede is er sprake van een commoning-activiteit en ten derde wordt ze beheerd op basis van afspraken, regels en waarden die op z’n minst gedeeltelijk onafhankelijk zijn van de overheid of de markt.’(2) Het is de combinatie van deze drie dimensies (hulpbronnen, de gebruikersgemeenschap en de gemeenschappelijk instituties) die het concept van commons apart, maar tegelijk ook moeilijk te analyseren maakt. Dirk vatte zeer goed samen waar het om gaat: ‘Zorgzaam en op basis van wederkerigheid met gemeengoed omgaan’
Het begrip oikos, waarvan oikonomia afgeleid is, komt van de oude Grieken en staat voor het in stand houden van het huishouden. Oikos staat voor ‘huis’ en nomos voor ‘regel’. Regels van het huis dus. Het is een vorm van zelfvoorziening die we in moderne termen overlevingseconomie zouden noemen. De oikos, de comunidad of de ayllu zoals de Aymara hun kleine gemeenschappen in de hoge Andes noemen, is in de eerste plaats een sociaal overlevingsmechanisme: overleven kun je alleen door intens samen te werken. Het zijn minivoorbeelden van wat in het Zuiden dan voornamelijk solidaire of sociale economie wordt genoemd. Ook in de Boliviaanse inheemse comunidades in de hoge Andes, waarmee ik tijdens mijn reizen in Latijns-Amerika wel vaker heb kunnen kennis maken, is er sprake van een hechte ge-meen-schap. (3) Solisten verstoren alleen maar dat natuurlijke evenwicht dat in een ayllu of comunidad in een dorpsgemeenschap in de Andes bestaat. Solidariteit van allen met allen is het belangrijkste overlevingsprincipe in een onherbergzame omgeving waar schaarste eerder regel dan uitzondering is. Ayni of wederkerigheid is niet alleen een kernbegrip bij de Quechua’s, maar ook bij de Aymara’s.

Experimenteerruimte

Dit eerste commonscongres in Vlaanderen is een belangrijke gebeurtenis. Het kan misschien ook wat los maken bij (meer) burgers en bij (meer) overheid. Er moet dus inderdaad in twee richtingen gekeken worden: naar ‘onder’ en naar ‘boven’. Belemmeringen van voornamelijk juridische aard maken de speelruimte vooralsnog klein, zeker als je de grijze, juridisch onbestaande ruimtes betreedt waar de commons toe behoren. (4) Daar zou zeker aan gesleuteld moeten worden. Naar een (liefst partner-) overheid (-heden), zoals Michel Bauwens, de founding father van de p2p-movement dat noemt, zou een balletje kunnen worden opgeworpen om via een kaderwet en/of een decreet of een stedelijke verordening een experimenteerruimte te creëren waarbinnen drempels en beperkende regelgevingen die niet langer van deze tijd zijn – denk aan de lijdenswegen die door co-housers moeten worden afgelegd – opzij kunnen worden geschoven. Zoals bij een echte ICA-coöperatie gaat het om een versmelting van utopie en realisme, van radicalisme en pragmatisme.Een voorzichtige aanzet daartoe gebeurt in Amsterdam, zoals we van wethouder Rutger Groot Wassink in zijn zeer zinvolle bijdrage vernamen. Zijn inbreng was zeer belangrijk omdat ook buitenlandse voorbeelden inspiratie kunnen bezorgen om op een creatieve manier met het bestaande om te springen.

Internationale netwerken

Internationale ‘voorbeelden die strekken’ zijn er immers legio. Denk maar aan steden als Madrid, Barcelona, Napels, Milaan, Bologna, Grenoble, Saillans, Loos-en-Gohelle, etc. die met vallen en opstaan aantonen dat zij in vaak even moeilijke institutionele omstandigheden toch openingen creëren die hen tot ciudades del cambio, ciudades sin miedo, rebelse steden of tot des curieuses democraties, zoals een netwerk in Frankrijk heet, kunnen maken. Daarvoor zijn internationale maar ook nationale netwerken nodig die verder kijken dan een taalgrens. Antwerpen kan in het spoor treden van Gent en Brussel, maar ook van het Oostkanton en in Wallonië van de burgerbeweging ‘Oxygène die tijdens de voorbije gemeenteraadsverkiezingen in negen gemeenten opkwam, enz.
Belangrijk ook was de aanwezigheid van Tom Meeuws op het congres in zijn hoedanigheid van Antwerpse schepen en van de Amsterdamse wethouder Rutger Groot Wassink. Door hun zeer positieve inbreng illustreren zij dat sommige overheden – of onderdelen ervan – mee zijn in het commonsverhaal. Ook dat is hoopvol.
Het is alvast verheugend dat de Amsterdamse wethouder ‘Antwerpen’ uitgenodigd heeft om volgend jaar in mei aan een congres over municipalisme deel te nemen waaraan zeker veel commoners van verschillende steden zullen kunnen participeren. Dat is dan ineens een internationale invitation à la danse. Met twee handen aanpakken, zou ik zeggen.
Pascal, Dirk, Koen, Jan et les autres, dit symposium heeft mij getriggerd om verder na te denken over commons. Ik vermoed dat dat ook het geval was voor die ongeveer 150 deelnemers van heinde en verre. Het proces van commoning kan daardoor alleen maar versterkt en beter genetwerkt worden. Over commons en wat het precies is daarover is zeker het laatste woord nog niet gesproken. In zijn uiteenzetting zei Dirk Holemans terloops – ik parafraseer het hier nogmaals – dat het gaat ‘om het zorgzaam en op basis van wederkerigheid omgaan met gemeengoed. Ik vermoed dat alle deelnemers dit kunnen onderschrijven en hopelijk bereid zijn om, elke op zijn/haar eigen manier, daaraan mee te werken.
———
(1)Ivan Illich(1984), Man/Vrouw: geslacht en sekse. Baarne, p. 118,
(2)Ostrom, Elinor & Charlotte Hess (2016). Los bienes comunes del conocimiento. Madrid: Traficantes de sueños.
(3)Walter Lotens (2012). Pijnen van een Pachakuti. Bolivia onder Evo Morales. Brussel: ASP.
(4) Ik verwijs hiervoor o.m. naar het onderzoek en het boek ‘Solidariteit in superdiversiteit’ van Schuermans, Vandenabeele, Oosterlynck, Jans en Holemans. In het derde hoofdstuk ‘Tussen integratie en transformatie op de woningmarkt’ bespreken zij enkele kleinschalige projecten van ‘Leeggoed’ in Brussel en ‘Solidair wonen Sint-Niklaas’, die als solidaire woonvormen kunnen worden bestempeld. Uit die beschrijving blijkt onder meer dat deze nieuwe initiatieven voortdurend botsen met de bestaande woonorde, in het bijzonder de sociale wetgeving, de stedenbouwkundige diensten, de Vlaamse wooninspectie, de Brusselse en Vlaamse huisvestingscode, enz. Vandaar dat de auteurs aangeven dat dergelijke projecten pas ten volle kunnen worden gerealiseerd als de bestaande woonorde kan worden getransformeerd. Zij noemen het ‘werkplaatsen en laboratoria voor maatschappelijke verandering en vernieuwing’. Die kleine, alternatieve initiatieven betreden een grijze ruimte; ze maken die zone zichtbaar waardoor het een publieke ruimte wordt, een ruimte die de bestaande orde opnieuw bespreekbaar maakt.

(Visited 14 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 425 Times, 1 Visit today

Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).