Een vrede die sterk lijkt op apartheid

Met de verkiezingen van vorig jaar in Israël was het weer zover. “Met Bibi (Netanyahu) ging het slecht, met de nieuwe premier Ehud Barak ging het terug veel beter worden”. En vooral “zou het ‘vredesproces’ terug op sporen gezet worden”. Het discours hieromtrent in Israël, in Palestina en in het Westen verschilt echter fors. Vooral het Westen lijdt flink aan geheugenverlies. Hebben wij dezelfde slogans niet gehoord op het einde van regeerperiode van toenmalig premier Shamir in de jaren ’80? Ook met premier Barak waren de verwachtingen hoog gespannen maar hij kon hij ze evenmin inlossen. Een nieuwe intifada lijkt niet uitgesloten.

In dit artikel geef ik eerst een korte rudimentaire historische schets. Wat is er overgebleven van dit ‘arbeidersparadijs’ dat de zionisten voorzagen in de jaren ’30 en ’40 ? En liggen daar niet voor een groot deel de roots van de problemen waar Israël/Palestina nu mee zit?

En zijn de zogenaamde ‘Oslo-akkoorden’ wel zoiets als een ‘vredesproces’? En als die Oslo-akkoorden het dan niet zijn, waar moet dan wél naartoe in Palestina/Israël?

 

DE KERN VAN HET CONFLICT: SAMENLEVEN OF APARTHEID ?

De Zionistische Beweging, later de staat Israël, heeft inzake de opbouw van een joodse staat in het voormalige Britse Mandaatgebied Palestina van meet af aan een duidelijke agenda gehad: het verkrijgen van de controle over zoveel mogelijk van het grondgebied en over zo min mogelijk van de oorspronkelijke bevolking – de Palestijnen.

De ideologie van het socialistisch zionisme ontstond in Oost-Europa. Als gevolg van de economische crisis vreesde de tsaar revolutionaire opstanden en probeerde dan ook die opstanden ‘om te buigen’ tot pogroms. Tegenover die dubbele crisis (economisch en anti-semitisme) reageren individuele joden totaal anders. Zeer velen emigreren naar West-Europa en de Verenigde Staten. Andere sluiten zich aan bij revolutionaire en communistische bewegingen. In bijna alle links-radikale bewegingen begin deze eeuw waren de joden sterk vertegenwoordigd.

Een geheel ander antwoord op de crisis gaf het politieke zionisme. Twee ideologen hiervan zijn het waard om even te vernoemen: Aharon David Gordon (1856 – 1922) en Ben Borochov (1881 – 1917). Gordon verwees naar de ‘terugkeer’ naar het land. Het joodse volk moest terug het ‘verwaarloosde’ land bewerken. Borochov was rationeler en ‘marxistisch’ geïnspireerd. Zijn standpunt zou je ongeveer als volgt kunnen samenvatten: de omstandigheden van de joodse diaspora in Europa zullen automatisch leiden tot een migratie van joodse kapitalisten en joodse arbeiders naar Eretz Israël, waar de ontwikkelingen van de productiekrachten in een joodse economie zullen leiden tot een klassenstrijd die uiteindelijk zal leiden tot een joodse socialistische staat.

In West-Europa had het politieke zionisme een andere voedingsbodem dan in Oost-Europa.

In tegenstelling tot Oost-Europa verzamelde de Oostenrijker Theodor Herzl eerder joden uit de midden- en hogere klassen. Het westerse zionisme zocht meer contacten met de wereld van de macht en de diplomatie. Het resultaat van de diplomatieke onderhandelingen was de gekende ‘Balfour’-verklaring van 1917. Hierin verklaart de Britse regering dat zij zich gunstig opstelt tegenover het doel van de zionistische beweging – een joods nationaal tehuis.

De Britse diplomatie deed dit met het oog op de joodse steun voor haar politiek tijdens de Eerste Wereldoorlog maar ook om op langere termijn een betrouwbare bondgenoot te hebben die haar economische en politieke belangen in de regio ter plekke kon bewaren. U merkt het al, vervang de toenmalige grootmacht Groot-Brittannië door de huidige grootmacht Verenigde Staten, en er is niet veel nieuws onder de zon.

Het politiek zionisme haalde het in de jaren ’30 bij een groot deel van de joodse immigranten in Palestina. En dit had zoal zijn gevolgen op het terrein. De eerste immigratiegolven vonden plaats met financiële middelen van bv. de Rothschild-familie. Deze immigranten stichtten op kapitalistische leest geschoeide plantages waarop de Palestijnse boeren werden tewerkgesteld.

De tweede golf bestond uit aanhangers van het socialistisch zionisme die het principe van de ‘joodse arbeid’ vooropstelden.

De goedkope Palestijnse arbeidskracht stond op termijn de doelstelling van het zionisme, nl de joodse staat, in de weg. Dus moest ze weg en de Palestijnse boeren moesten de wijk nemen naar sloppenwijken rondom steden als Haifa. De Palestijnse economie werd gewoon weggedrukt. En hierin speelden de Histadroet en de kibboets een voorname rol. Van binnenuit is het enigszins mogelijk om de kibboets als een verwerkelijking te zien van de idealen van de socialistische ideologen, maar van buitenaf blijft hier niet veel meer van over. De beslissing om een kibboets uit te bouwen werd centraal genomen en de overwegingen die daarbij een rol speelden hadden vooral te maken met de practische vereisten van een kolonisatie in een vijandige omgeving. De kibboets speelden in de jaren ’30 dus een zelfde rol als de nederzettingen in bv. Oost-Jerusalem en de Westelijke Jordaanoever nu anno 2000: zoveel mogelijk land veroveren en de plaatselijke Palestijnse bevolking van hun land verjagen.

Ook in die jaren waren er verwoede debatten tussen ‘links’ en ‘rechts’, tussen de socialisten van Ben Goerion en de Revisionisten van Vladimir Jabotinsky. Maar de verschillen lagen niet op het niveau van de doelstellingen, maar eerder op dat van de middelen. De enen wilden al wat sneller gaan dan de anderen. Er was discussie over de houding tegenover Engeland. De socialisten wilden de koloniale grootmacht ‘gebruiken’ terwijl de revisionisten opriepen voor een onmiddellijke gewapende strijd tegen de Britten. Ook nu zijn er op het terrein niet zo veel verschillen tussen de Arbeiderspartij en de Likoed. Als er nog enkelen illussies hebben over permier Barak moeten ze de maar de cijfers lezen die verder in het artikel staan vermeld.

Na het uitroepen van de Staat Israël bleven instituties als de Histadroet en het Joods Agentschap gewoon bestaan. En zij vomden een enorme economische én politieke macht. Maar de Israëlische bevolking veranderde van uitzicht, meer en meer Arabische, orientaalse joden, bv. uit Marokko, kwamen in Israël wonen en deze konden zich helemaal niet identificeren met het socialistische zionisme en met de partijen die dit voorstonden. Daarom gingen deze nieuwe Israëli’s meer en meer kiezen voor de Herut – later Likoed – van Menachem Begin en Yitzhak Shamir. Later is er nog Shas, de religieuze partij van de orientaalse joden, bijgekomen. En dan praten we nog niet over de ongeveer 17 % procent Palestijnen die Israëlische nationaliteit verwierven en die zich helemaal niet konden identificeren met de ‘macht’, nl de Arbeiderspartij.

Dit allemaal zorgde voor een enorme crisis bij de Arbeiderspartij.

Het is bijna onmogelijk om verkiezingsuitslagen te vergelijken, want elke verkiezing zijn er andere coalities, partijen die komen en gaan. In 1984 haalde de Maarakh (een coalitie rond de Arbeiderspartij) nog 44 zetels maar in 1999 haalde Barak met zijn nieuwe coalitie ‘Israël één’ nog slechts 26 zetels. Het religieuze Shas, in 1984 goed voor amper 4 zetels, haalde in 1999 17 zetels!

Uit dit heel korte overzicht van de geschiedenis kan men duidelijk aflijnen dat men de facto in de jaren ’30 gelijklopende debatten voerde als nu, anno 2000. In de praktijk stonden zionisme en socialisme tegenover mekaar en koos de elite principieel voor zionisme, voor een exclusief joodse kolonisatie en joodse staat. In plaats van proberen samen te leven met de plaatselijke bevolking en samen een socialistische koers te bepalen koos men voor een racistische politiek van ‘eigen volk eerst’ , en daar is sinds de jaren ’30 niet veel verandering in gekomen.

Binnen de zionistische beweging is er wel debat tussen ‘links’ en ‘rechts’ maar dit had haast exclusief betrekking op tactische en strategische kwesties, niet op de doelstellingen.

De nederzettingspolitiek en retoriek na de bezetting van 1967 is slechts een kopie van wat er zich in de jaren ’30 afspeelde. Steeds wordt er verwezen naar ‘veiligheidsoverwegingen’, nadien vallen woorden als ‘pioniers’, ‘annexatie’,… Het grote probleem blijft dan steeds de Palestijnse bevolking.

De ‘demografen’ keren zich tegen de inlijving van de bezette gebieden, in het bijzonder de bevolkingsrijke delen. De ‘territorialisten’ kiezen voor kolonisatie en annexatie van zoveel mogelijk land. Dit houdt natuurlijk in: ofwel de Palestijnen van hun land verjagen (1948) ofwel de permanente onderdrukking van de Palestijnse bevolking (na 1967).

Na de val van de Berlijnse muur, na de Irak-crisis waren de kaarten anders geschikt. Hoe moest dit dilemma nu opgelost worden ?

 

OSLO : ‘VREDESPROCES’ OF DE VOORLOPIG LAATSTE STAP IN DE KOLONISATIE VAN PALESTINA ?

Wie herinnert zich niet het akkoord van Oslo (30 maart 1993) en de historische handdruk op 13 september 1993 in Washington van Yasser Arafat en Itzhak Rabin? Vele vredesmilitanten in Europa en in Israël waren euforisch. ‘Het begin van een nieuw tijdperk’, ‘Eindelijk vrede in het Midden-Oosten’,… Het ging niet gemakkelijk gaan, ‘maar het was tenminste al een eerste stap’. Bij de Vlaamse politici, NGO’s eveneens optimisme alom. Maar vele Palestijnen – toen ze het akkoord grondig lazen – begrepen er niets meer van. ‘Hebben we hiervoor zovele jaren gevochten?’ kon je bij veel Palestijnse militanten horen. Een jaar later durfden de NGO’s de akkoorden nog niet te verwerpen maar het optimisme was toch al enigszins gekoeld. Magda Aelvoet bv. sprak van ‘een slecht akkoord, maar het enig mogelijke’.

Nu is het duidelijk dat het Oslo-akkoord een slecht akkoord was, en geen basis vormt van echte vrede en rechtvaardigheid in het Midden-Oosten. De princiepsverklaring van Oslo bevat een mengeling van moeilijke compromissen, van oude Amerikaanse ideeën, voorstellen van Palestijnse of Israëlische onderhandelaars, suggesties van de Noorse gespreksleiders… De Oslo-akoorden zitten eigenlijk vol valkuilen, onduidelijkheden, waar de Israëli’s gemakkelijk gebruik van hebben kunnen maken om essentiële elementen op de lange baan te schuiven.

Dat het slecht ging met de ‘Oslo-akkoorden’ werd na de verkiezing van Netanyahu snel op de schuld van Likoed geschoven. Maar de vraag blijft of het met Barak er op het terrein zoveel anders aan toe ging dan met Netanyahu. Daarom eerst enkele cijfers.

 

VEELZEGGENDE CIJFERS

* Tussen 1994 (het eerste kalenderjaar na het van start gaan van ‘Oslo’) en 1999 steeg het aantal joodse kolonisten van rond 140.000 tot 200.000 – een toename met 43 procent (cijfers van Geoffrey Aronson van de Foundation for Middle East Peace in Washington). In Oost-Jeruzalem nam het aantal kolonisten tussen 1994 en 1999 met tenminste 40.000 toe (een stijging met rond 25 procent). Opmerkelijk detail: Volgens de Israëlische beweging Vrede Nu steeg in 1998 de bouw van woonhuizen in de nederzettingen met 105 procent, terwijl er binnen de Groene Lijn (Israël) sprake was van een daling met 20 procent (Financial Times van 15 april 1999).

* Nadat de toenmalige premier van Israël, Netanyahu, in november 1998 het Wye River-I Akkoord had ondertekend, riep zijn minister van Nationale Infrastructuur, Ariel Sharon, radicale kolonisten op om zo snel mogelijk en zoveel mogelijk, niet door Palestijnen bewoonde heuveltoppen op de Westelijke Jordaanoever in bezit te nemen. Bij het aantreden, begin juli 1999, van Netanyahu’s opvolger, Barak, bleken 42 nieuwe nederzettingen tot stand gekomen te zijn (toegegeven, vaak niet meer dan enkele caravans met een waterreservoir, maar zo zijn alle nederzettingen ooit ontstaan). Veelzeggend is evenwel dat Barak, na overleg met de leiders van de beweging van de kolonisten, er uiteindelijk slechts 12 liet ontruimen.

* Als demissionair premier liet Netanyahu, ten behoeve van de uitbreiding van de nederzetting Ma’ale Adumim (nabij Jeruzalem), eind mei 1999 nog snel 1.243 ha Palestijnse grond onteigenen (Daily Telegraph van 29 mei 1999). Opnieuw veelzeggend is dat door zijn opvolger Barak dit hoogst twijfelachtige besluit niet is teruggedraaid. Zijn verkiezing tot premier was nochtans gepresenteerd als een overwinning van ‘het vredeskamp’ binnen de Israëlische politiek.

* Begin december 1999 maakte Vrede Nu bekend, dat sinds het aantreden van de regering-Barak in juli van dat jaar, vergunning was verleend voor de bouw van 3.196 woonhuizen in joodse nederzettingen, hetgeen meer was de ongeveer 3.000 vergunningen die zijn voorganger Netanyahu het jaar daarvoor had gegeven (International Herald Tribune van 7 december 1999).

* Onder druk van de Verenigde Staten kondigde Barak rond diezelfde tijd een moratorium van enkele maanden (nota bene: géén bouwstop) af, inzake de bouw van woonhuizen in de nederzettingen. Dat zou de sfeer tijdens de final status-onderhandelingen met de Palestijnen ten goede komen (The Times van 8 december 1999).

* Hoewel de plannen daarvoor al sinds 1982 klaar lagen, is na 1993 grote prioriteit gegeven aan de aanleg van inmiddels honderden kilometers bypass roads, inclusief bypass tunnels (aldus de sociaal-geograaf Jan de Jong). De omvangrijke investeringen die daarmee gemoeid zijn geweest, zijn vanzelfsprekend niet gedaan om dit wegennet vervolgens in het kader van ‘Oslo’ aan de Palestijnen over te dragen.

* Tussen 1993 en 1999 is naar schatting 400 km2 grond van de Westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza door Israël onteigend, bovenop de rond 2.700 km2 (d.w.z. bijna de helft van het totale grondgebied van de Bezette Gebieden) die tussen 1967 en 1993 al was onteigend (een toename met 15 procent). De ene helft was bestemd voor de uitbreiding van nederzettingen, de andere voor de aanleg van bypass roads (Palestine Report van 13 december 1997 en het jaarrapport van de Palestijnse mensenrechtenorganisatie LAW over 1999).

* Volgens de Palestijnse minister van Milieuzaken zijn sinds 1967 door Israël rond de 300.000 (fruit)bomen gerooid (volgens sommigen een conservatieve schatting). Daarvan 50.000 op de Westelijke Jordaanoever sinds 1993 (Paldev-Digest van 8 december 1999 en Ha’aretz van 23 januari 2000).

* Sinds 1987 zijn door de Israëlische autoriteiten op de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem, 2.650 ‘illegaal gebouwde’ Palestijnse woonhuizen met de grond gelijk gemaakt. Na 1993 is het gemiddeld jaarcijfer zelfs iets opgelopen (tot 226), hoewel nadien nog slechts één achtste van de daar woonachtige Palestijnen onder Israëlisch bestuur viel (Ha’aretz van 8 december 1999).

* In het kader van het Oslo-II Akkoord komt 56,6 procent van het water van de Westelijke Jordaanoever aan Israël toe, 23,8 procent aan de 200.000 joodse kolonisten, en 19,6 procent (!) aan de 1,2 miljoen daar woonachtige Palestijnen (Report on Israëli Settlement in the Occupied Territories van november-december 1998; een uitgave van de eerdergenoemde Foundation for Middle East Peace).

ENKELE ELEMENTEN VAN EEN ANALYSE

Israël kende in het midden van de jaren ’80 een zware economische crisis. Een van de middelen om uit die crisis te geraken was een afzetmarkt creëren in de Arabische landen. Hiervoor waren vredesakkoorden met de Arabische buren essentieel. Israël kan dan zijn herwonnen economische sterkte gebruiken om zijn sleutelpositie in de Pax Americana in het Midden-Oosten te behouden.

Tot in de jaren ’80 was de Israëlische economie vooral gebaseerd op een nauwe band tussen enkele grote bedrijven en de staat. De winst van de grote bedrijven werd ondersteund door een systeem van hoge militaire uitgaven en een snelle inflatie. Het industriële complex in Israël is altijd nauw verbonden geweest met het militaire complex. Het Israëlisch aandeel in de internationale wapenhandel kreeg zware klappen. Volgens het SIPRI daalde het Israëlische aandeel in de internationale wapenhandel van 408 miljoen dollar in 1987 tot 66 miljoen dollar in 1992. De waarde van de militaire contracten voor Israëlische firma’s in het BBP viel van 5,7 % einde jaren ’80 tot 3,9 % in 1993. Gevolg was dat heel wat van deze bedrijven zwaar in moeilijkheden kwamen.

Aan de winsten van deze grote industriële complexen werd ook sterk geknaagd door een enorme inflatie (in 1985 400 %). Duidelijk was dat ook de Israëlische binnenlandse markt veel te klein geworden was voor deze bedrijven. Anderzijds werd Israël op het einde van de jaren ’80 geconfronteerd met de intifada. Israël slaagde er niet in met militaire middelen deze volksopstand te onderdrukken, wat het dan ook veel geld kostte en waardoor zijn zelfvertrouwen verdween.

Wat moest Israël doen? Een alternatieve weg werd aanbevolen door het IMF en gevolgd door de Israëlische elite. Op nationaal niveau moest Israël evolueren van een monopolie-oorlogseconomie naar een open vredeseconomie. Internationaal betekende dit regionale verzoening en integratie in het economisch systeem van de Arabische wereld. Regionale stabiliteit en het opheffen van de boycot door de Arabische landen zou vooral de Israëlische economie ten goede komen.

Israël voert al jaren een privatiseringspolitiek en een commerciële en financiële liberalisering.

Op dit ogenblik is de inkomensverdeling in Israël meer ongelijk dan in welk land van de OESO-groep, met alle gevolgen vandien. De privatisering en de afbraak van de sociale voorzieningen maken de zeer rijken nog rijker en verarmen een heleboel mensen binnen de Israëlische en Palestijnse gemeenschap.

Tegen deze achtergrond is Israël het vredesproces met de Palestijnen en de Arabische wereld begonnen. Dit had weinig te maken met een plots opkomend gevoel voor rechtvaardigheid bij de Israëlische regering, maar vooral met de noodzaak een economie in zware moeilijkheden te saneren. Dit wordt goed samengevat door Yoav Peled in een artikel ‘From zionism to capitalism. The political economy of Israël’s decolonisation of the occupied territories ‘. Hierin schrijft hij : ‘De steun van de Israëlische zakenwereld voor het vredesproces is gemotiveerd door haar belang in het reduceren van de omvang van de staat en haar verlangen Israël te integreren in de internationale economie. De economische voordelen van de bezetting van de Westbank en de Gazastrook – goedkope en betrouwbare arbeidskrachten en een afzetmarkt – waren sterk verminderd door de intifada. Een overeenkomst met de PLO bereiken werd een economische noodzaak.’ Niet om de Palestijnen te plezieren maar om de Arabische markt te veroveren.

Oslo had als bedoeling Israël uit het isolement te halen. Het is daar bijzonder goed in geslaagd. Economische relaties tussen Israël en de Arabische landen zijn schering en inslag. De boycot van Israël werd virtueel opgeheven. Dit is een goed voorbeeld van wat globalisering betekent in het Midden-Oosten.

Het Midden-Oosten blijft voor de VS een strategisch belangrijk gebied. Israël is nog steeds de belangrijkste partner voor de VS in het Midden-Oosten.

Israël maakte steeds gemakkelijk gebruik van de westerse angst voor het communisme en de nationalistische bewegingen in bv. het Egypte van Nasser.. en later tegen het Palestijns nationalisme van de PLO.

In 1948 wordt de zionistische staat Israël onafhankelijk. Israël houdt de relaties met de Sovjet-Unie en enkele derde wereldlanden levendig maar al snel wordt duidelijk dat Israël enkel politiek en economisch kan overleven met steun van het westen, en vooral van de VS. Vanaf de jaren ’60 speelt Israël volop de kaart van politie-agent voor het Westen in het olierijke en onstabiele gebied van het Midden-Oosten. Daar is weinig verandering in gekomen, ook niet na het wegvallen van de Sovjetunie. Voor de VS blijft Israël een sleutel-partner in het Midden-Oosten met als gevolg massale financiële en militaire steun aan Israël.

In een speech voor de AIPAC (een pro-Israëlische lobby-organisatie in de VS) geeft president Clinton in mei 1995 een goed overzicht van de militaire steun aan Israël :’We keurden de aankoop van F-151 vliegtuigen (het beste lange afstandsvliegtuig ter wereld) door de Israëlische luchtmacht goed… De overdracht van 200 gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters

begonnen na de Golf-oorlog werd verder gezet. Wij engageerden ons voor 350 miljoen dollar in het project van Arrow-raketten, het grootste deel van de kosten voor de ontwikkeling. Wij keurden de verkoop van supercomputers goed en voor de eerste keer kreeg Israël toegang tot de VS-markt voor ruimte lanceringen… Dit jaar hadden we de grootste gemeenschappelijke militaire manoeuvres ooit met het Israëlische leger. Wij stockeerden nog meer militair materieel in Israël. Het Pentagon tekende contracten ter waarde van 3 miljard dollar om hoog-kwalitatieve militaire producten van Israëlische firma’s te kopen’.

 

De Palestijnse ekonomie wordt volledig afhankelijk van de Israëlische. De apartheidspolitiek gaat gewoon door.

De Wereldbank herhaalt steeds dat een van de problemen is dat er geen Palestijnse economie is. Er wordt echter niet bijgezegd dat dit in hoofdzaak valt te verklaren door jaren bezetting. Edward Saïd schrijft in ‘Le Monde Diplomatique’ van november 1994 : ‘Wat helemaal in stilte gepasseerd is in deze vredesakkoorden, zijn de gevolgen van 27 jaar militaire bezetting, de vernietiging door Israël van de infrastructuur en lokale instellingen. De weigering van Israël te erkennen dat het een bezettende macht was – en nog steeds is – die herstelbetalingen moet doen aan de Palestijnen in overeenstemming met de internationale conventies (en zoals Irak het heeft moeten doen voor zijn onwettelijke bezetting van Koeweit)…’.

Zoals reeds gezegd was het vooral het Israëlisch patronaat dat vroeg om een toenadering tot de PLO. Het was al lang tot de conclusie gekomen dat de verovering van de Arabische afzetmarkten loopt via de PLO. Premier Peres sprak al vrij vlug dat Israël het Singapore van het Midden-Oosten moest worden. Wat later herhaalde Arafat dat niet Israël maar Palestina het Singapore van het Midden-Oosten moest worden. Arafat is echter wel aan het dagdromen :

– het Bruto Nationaal Product per persoon bedroeg in 1992 in Israël 13.230 dollar, in de bezette gebieden 1.715 dollar.

– Het Globaal Bruto Nationaal Product in Israël bedroeg 67,6 miljard dollar, in de Palestijnse gebieden 2,9 miljard dollar.

– 4 % van de actieve bevolking in Israël werkt in de landbouw tegenover 47 % in de bezette gebieden.

Meer details vindt men in de brochure van Julie Roblet die onlangs verscheen.

Het akkoord van Oslo vroeg een bevriezing van de kolonies in de bezette gebieden. Rabin, Peres en nu Barak gingen er gewoon mee door. Rabin en Peres voerden de scheiding van Israëli’s en Palestijnen verder door. Gevolg is dat Palestijnen uit de Gazastrook niet meer familie op de Westelijke Jordaanoever kunnen bezoeken, dat Palestijnen uit de Westbank Jerusalem niet meer binnen mogen, maar vooral dat bijna geen Palestijnen in Israël kunnen werken. Dit terwijl Israël massaal nog goedkopere arbeidskrachten uit Roemenië, Thailand en China invoert.

 

Fundamentele thema’s werden nog steeds niet aangekaart, bv. het recht op terugkeer voor de Palestijnse vluchtelingen.

Het Oslo-akkoord verschoof de discussie over de fundamentele thema’s (vluchtelingen, Jerusalem, nederzettingen, land, water..) naar een latere datum waardoor Israël tijd krijgt om genoeg feiten op het terrein te realiseren om zijn controle op Palestijns gebied te verzekeren.

‘Oslo’ legitimeert de facto de Israëlische controle op de Westbank en de Gazastrook. In plaats dat de bezetting illegaal wordt genoemd wordt de ontruiming als een ‘consessie’ verkocht.

Het Palestijnse volk werd verder gereduceerd tot de Palestijnen in de Westbank en de Gazastrook. Er wordt niet meer gesproken over de miljoen Palestijnen in Israël en de meer dan 4,5 miljoen vluchtelingen buiten Palestina.

Daarom werd in maart ’99 werd in het Europees Parlement de internationale campagne opgestart die het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen terug op de politieke agenda moet brengen. Waarom deze campagne ? Om het politieke programma van de zionistische beweging te kunnen uitvoeren en een zuiver joodse staat te kunnen stichten op het grondgebied van Palestina, was de verdrijving van de plaatselijke bevolking noodzakelijk. In twee golven 1947-’48 en 1967 werden honderdduizenden Palestijnen op de vlucht gedreven. Ze zochten een onderkomen in de buurlanden en kwamen terecht in vluchtelingenkampen. Het zijn mensen die de herinnering aan het ouderlijk huis levendig hebben gehouden en die hun recht op terugkeer opeisen. Het recht op terugkeer of op schadeloosstelling voor geleden verlies wordt door VN-resolutie 194 uit 1948 officieel erkend.

De dimensie van het vluchtelingenprobleem wordt onderstreept door het feit dat na 50 jaar 70 % van de Palestijnen nog steeds vluchteling is. Een meerderheid van hen leeft – vaak in erbarmelijke omstandigheden – in 59 vluchtelingenkampen op de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en in de buurlanden Libanon, Jordanië en Syrië. Door de Oslo-akkoorden heeft de vluchtelingenkwestie elke prioriteit verloren. De regeling van het vluchtelingenprobleem werd uitgesteld tot de onderhandelingen over de slotfase. De euforie rond de vredesakkoorden en de illusie dat de Palestijnse kwestie zou opgelost zijn, leidde tot een vermindering van de financiële middelen van het UNRWA, het speciale VN-agentschap voor de Palestijnse vluchtelingen. De dagelijkse levensomstandigheden zijn daardoor nog slechter geworden. In de bezette gebieden leeft 35 % van de vluchtelingen onder de armoedegrens, in Libanon is dat 60 %.

In Israël zeggen bijna alle politiek partijen zeer duidelijk neen tegen een terugkeer van de in 1948 en 1967 verdreven Palestijnen. Huidig premier Ehud Barak geeft zichzelf nog ruim een jaar de tijd alvorens met de Palestijnen een definitieve vredesregeling te sluiten. Ook al hebben de Palestijnse vluchtelingen het internationaal recht aan hun kant, ze zullen grote inspanningen moeten leveren om hun recht op terugkeer op de politieke agenda te krijgen van de beleidsmakers in het Westen.

BADIL, het Palestijns onderzoekscentrum voor de rechten van vluchtelingen en partner van Oxfam-Solidariteit is daarom gestart met een internationale petitiecampagne voor het recht op terugkeer en schadeloosstelling van de Palestijnse vluchtelingen. Met deze wereldwijde petitiecampagne wil BADIL de internationale publieke opinie wijzen op het fundamentele recht van de Palestijnse vluchtelingen op terugkeer. BADIL stelt de oprichting voor van een ‘Palestinian Land Society’, een onafhankelijke, niet-gouvernementele organisatie, die een dubbel doel nastreeft. Op de eerste plaats wil de ‘Palestinian Land Society’ een kadaster aanmaken, waar de Palestijnse vluchtelingen alle mogelijke informatie kunnen vinden over de bezittingen die zij en hun gezinnen in 1948, 1967 en later zijn verloren. Ten tweede wil de ‘Land Society’ een breed netwerk vormen dat contacten onderhoudt met alle leden van de Palestijnse diaspora: vluchtelingenkampen, maar ook individuele vluchtelingen, die zo wat overal ter wereld verspreid leven. Dit netwerk moet in de toekomst in staat zijn efficiënt lobbywerk te verrichten voor de Palestijnse vluchtelingenrechten.

De campagne voor het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen moet de wereldopinie ook duidelijk maken dat het hier niet alleen om een principekwestie van internationaal recht gaat, maar ook om een praktisch realiseerbare eis. Het veelgebruikte argument van Israël namelijk dat de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen ‘onuitvoerbaar’ is doordat de ruimte die zij innamen niet langer beschikbaar is, wordt door BADIL weerlegd. Uit de resultaten van een grootschalig onderzoek blijkt dat de meeste joden (78 %) geconcentreerd zijn op 15 % van het Israëlisch grondgebied, terwijl de rest van het land, dat vroeger aan de Palestijnse vluchtelingen toebehoorde, wordt bevolkt door slechts 154.000 joden.

Tussen 1989 en 1997 vestigden zich tevens 800.000 joods eimigranten uit de voormalige Sovjet-Unie en Ethiopië in Israël. 27 % van de Russische immigranten is niet-joods, wat de blijvende uitsluiting van de Palestijnen nog meer onverdedigbaar maakt. Het Israëlisch argument dat de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen onmogelijk is omdat Israël over te weinig ruimte beschikt, slaat dus nergens op, aldus BADIL.

 

Met ‘Oslo’ werd de tweestatenoplossing overboord gegooid

De politiek optie van de PLO sinds de jaren ’80 was een onafhankelijke Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Oost-Jerusalem. Dankzij ‘Oslo’ kreeg Israël echter nog meer controle over het ganse land. Door de kolonies te behouden en de grenzen te bewaken (land, zee, lucht) hebben de Palestijnen de kans op een leefbare mini-staat verknoeid. Daarom grijpen meer en meer Palestijnen – én een beperkte groep progressieve Israëli’s – terug naar het oorspronkelijke politieke optie van de PLO, nl. het idee dat enkel een staat over gans het grondgebied haalbaar is, een staat waarin joden, christenen en moslims dezelfde rechten hebben.

‘OSLO’ VOLGENS ISRAËL (1)

Bovengenoemde feiten laten zich moeilijk met een vredesproces rijmen. Zij zijn daarentegen wèl in lijn met het uitgangspunt van de politiek van de staat Israël: het verkrijgen van de controle over zoveel mogelijk van het grondgebied en over zo min mogelijk van de oorspronkelijke bevolking.

Aangezien in onze dagen massale verdrijving politiek geen reële optie meer vormt, is – toen de kwestie zich door de veroveringen in de Juni-Oorlog van 1967 opdrong – de politiek van Israël er aanvankelijk op gericht geweest om het grondgebied met de grootste concentratie Palestijnen in een staatsverband met Jordanië onder te brengen (het Allon Plan van 1967), later om dit over te dragen aan een Palestijns leiderschap dat over beperkt zelfbestuur zou gaan beschikken (het Allon-Plus Plan van midden jaren negentig). Beide varianten gingen uit van annexatie door Israël van het grootste deel van het grondgebied (en het water) van de Westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza en van vestiging daar van joden.

Onder de vlag van ‘het vredesproces’ is dit Allon-Plus Plan inmiddels grotendeels geïmplementeerd. Hoewel het hier welbeschouwd gaat om de voortzetting van de oorlog met (deels) andere middelen, is deze politiek met succes als een vredespolitiek aan een westers publiek verkocht.

Daarin kon Israël slagen, omdat voor Palestijnse leiders die over een omvangrijke achterban beschikken, een plaats aan de onderhandelingstafel van ‘Oslo’ was ingeruimd. Dit nadat ze – verzwakt na een reeks nederlagen – de verwezenlijking van de nationale aspiraties van het Palestijnse volk – lees: het verkrijgen van zeggenschap over het eigen bestaan en de eigen toekomst – hadden opgeven.

Wat is in de nadagen van ‘Oslo’ (en aan de vooravond van ‘post-Oslo’) de politieke en economische configuratie die in de Bezette Gebieden is ontstaan? De contouren daarvan beginnen zich af te tekenen en komen in het kort op het volgende neer: Israël hergroepeert zich in de Bezette Gebieden (note bene: er is geen sprake van terugtrekking uit die gebieden, waartoe het internationaal recht Israël verplicht); daarbij gaat het vooral om de grote Palestijnse bevolkingsconcentraties (steden en hun directe omgeving); het burgerlijk en militair bestuur wordt overgedragen aan het eerdergenoemde Palestijnse leiderschap, dat zich het Palestijns Nationaal Gezag (PNA) is gaan noemen; in nog andere delen van de Bezette Gebieden deelt de PNA het bestuur met Israël, d.w.z. het burgerlijk bestuur ligt in handen van de PNA, het militair bestuur in handen van Israël; naar verwachting zal uiteindelijk rond 50 procent van de Bezette Gebieden op deze wijze aan de PNA overgedragen worden; dit door de PNA bestuurde territorium – de zogeheten Palestijnse Autonome Gebieden, binnenkort wellicht aangeduid als ‘de Staat Palestina’ – is geen aaneengesloten gebied, maar bestaat uit drie enclaves (Nabloes-Ramallah, Jericho-Hebron en de Strook van Gaza); Israël heeft de achterliggende jaren ‘om veiligheidsredenen’ aan de Palestijnen grote restricties opgelegd voor wat betreft het personen- en goederenverkeer tussen deze enclaves (anders gezegd: ‘Oslo’ heeft de mobiliteit van de Palestijnen in de Bezette Gebieden ernstig aangetast); er is geen reden te veronderstellen dat hierin in de komende jaren verandering zal komen; aan de PNA mag dan het bestuur in delen van de Bezette Gebieden overgedragen zijn, van soevereiniteit is geen sprake, aangezien de PNA de besluitvorming op belangrijke terreinen als defensie, buitenlandse betrekkingen en economie met Israël dient te ‘coördineren’ (lees: Israël heeft daarbij het laatste woord). Het is niet voor niets dat in dit verband vergelijkingen zijn getrokken met de Bantoestans ten tijde van het Apartheidsregime in Zuid-Afrika.

Al met al kan zonder overdrijving gesteld worden, dat Israël op basis van ‘Oslo’ de bezetting in een nieuwe vorm zal continueren.

Voor Israël zijn de voordelen van ‘Oslo’ evident. Zo’n 50 procent van de Bezette Gebieden mag dan aan de PNA overgedragen worden, met stilzwijgende instemming van het Westen is Israël voornemens de rest (d.w.z. 50 procent, waar zich de meeste nederzettingen bevinden) te annexeren. Dat geeft Israël nieuwe expansie-mogelijkheden en voorts greep op een uiterst belangrijke natuurlijk hulpbron als water.

 

ROL VAN DE PALESTIJNSE NATIONALE AUTORITEIT

Voor Israël niets anders dan voordelen, voor de PNA de kruimels van een rijkgedekte Israëlische tafel, zoals VIP-faciliteiten en wat profijt van de sinds ‘Oslo’ sterk toegenomen Westerse hulp aan de Palestijnse Autonome Gebieden.

Het manipulatieve van de ‘Oslo’-constructie is dat deze veel Palestijnen in de Bezette Gebieden aanvankelijk enige verlichting heeft geboden, die belangrijk was om de zaak op de rails te houden: Israëlische soldaten verder weg uit het dagelijks leven, voor het eerst eigen verkiezingen voor een president en een parlement, de opbouw van eigen instituties (laat niemand de effecten daarvan op een langdurig en zwaar onderdrukt volk als het Palestijnse onderschatten!). Echter, op de middellange en lange termijn zal ‘Oslo’ voor het overgrote deel van de Palestijnen uiterst negatief uitpakken. De nu al 3 miljoen Palestijnen zullen worden afgescheept met de helft van de Bezette Gebieden (d.w.z. met slechts 10 procent van het voormalige Mandaatgebied Palestina!) en zullen daarmee beschikken over onvoldoende ruimte en verstoken zijn van natuurlijke hulpbronnen als (landbouw)grond en water. De Palestijnse economie zal middels douane-heffingen, import- en export-quota’s, maar ook checkpoints, roadblocs, ‘safe passages‘ en bureaucratische obstructie, volledig onder Israëlische controle blijven, en ondergeschikt gehouden worden aan de behoeften van Israël. Thans komt een kwart van de begroting van de PNA uit belastingheffing op Palestijnse ‘gastarbeid’ in Israël. Afsluitingen ‘om veiligheidsredenen’ zullen een machtig instrument in handen van Israël blijven. Tenslotte is er het hoge geboortencijfer onder Palestijnen. In 2015 zal hun aantal naar verwachting bijna verdubbeld zijn tot ruim 5 miljoen. Dit zal een grote druk leggen op de toch al schaarse ruimte en er zullen enorme problemen op het gebied van infrastructuur, voorzieningen en werkgelegenheid uit voortvloeien.

Bovendien heeft Israël aan de PNA de controle over de meeste Palestijnse bewoners van de Bezette Gebieden weten te delegeren, die zij zelf gedurende zes jaar Intifada er niet onder heeft weten te krijgen (plus de opgelopen imago-schade door toedoen van ‘breek-ze-de-botten’-televisiebeelden). Anders gezegd: de PNA is gemaneuvreerd (en heeft zich laten maneuvreren) in de rol van sub-contractor ‘veiligheidszaken’ van Israël.

Na de aanvankelijke euforie lijkt een groeiend aantal Palestijnen te gaan inzien, voor welke problemen ‘Oslo’ geen oplossingen aandraagt en daarnaast welke problemen ‘Oslo’ met zich mee zal brengen. Aangezien fundamentele kritiek door de PNA (en Israël) vanzelfsprekend als bedreigend wordt gezien, hebben haar ‘veiligheidsdiensten’ inmiddels een ‘indrukwekkende’ staat van dienst als het gaat om het met harde hand de kop in te drukken van kritische geluiden en andere vormen van oppositie. Doelwit is daarbij niet alleen HAMAS geweest, maar ook onlangs de twintig ondertekenaars van een petitie waarin de noodklok werd geluid. Twintig Palestijnse intellectuelen verspreidden op 27 november 1999 een manifest met als titel ‘Het vaderland roept ons’ (The Homeland Calls Us).

Voor het eerst heeft een belangrijke groep binnen de bezette gebieden het aangedurft om publiek de Palestijnse Autoriteit te beschuldigen van corruptie en van uitverkoop van het land.

Het was het sein om diverse artikels te publiceren. ‘Ik daag de PNA-officials uit om op straat te komen voor slechts één dag, om hun mooie wagens en hun VIP-pasjes thuis te laten om naar de grieven van de mensen te luisteren. Ze zouden versteld zijn dat de taal van het manifest nog zeer beleefd is opgesteld in vergelijking met wat het volk zou zeggen over hun leiders ‘.

De leiders van de PA behoren grotendeels tot de groep van grootgrondbezitters en schatrijke Palestijnse kapitalisten. Zo blijkt dat meer dan de helft van de ministers door Arafat aangesteld of grootgrondbezitters of industriëlen zijn uit de bezette gebieden. Andere ministers, zoals Nabil Shaath en Ahmed Qurei zijn Arafat-loyalisten die op economisch vlak uitgesproken neo-liberale ideëen en anti-syndicale standpunten hebben.

Arafat en de zijnen aanvaarden ook volkomen de dictaten van het IMF en de Wereldbank, die dan ook regelmatig op de thee komen. Arafat blijkt de facto met handen en voeten gebonden aan Israël. Hij is zelfs bereid gevonden om te betalen voor de gevolgen van de Israëlische bezetting. Alle aansprakelijkheden en verantwoordelijkheden tengevolge van daden en verwaarlozingen die zich voordeden tijdens de bezetting dus voor de overdracht aan de Palestijnse Autoriteit moet deze laatste op zich nemen.

ISRAËL GAAT VERDER DE WEG OP VAN APARTHEID

‘Zionisme en Israël kiezen nu voor de vierde weg, nu andere mogelijkheden mislukt zijn: de vernietiging van de ‘natives’ is niet gelukt, hun transfert is van verre van compleet.

Nu Israël zelfverzekerd is van zijn macht, tracht het de politiek van apartheid, dat faalde in Zuid-Afrika, te realiseren.’

Het feit dat de zionisten het land claimen van de Heilige Bijbel vergroot nog hun kans. Dit uitgangspunt leidt ons tot de toekomstige richting van het zionisme: joods messianisme, open en brutaal racisme.

Om het kader van de joodse staat en de zionistische mythologie in stand te kunnen houden vroeg onlangs publicist Dan Margalit de premier om zo snel mogelijk het apartheidsplan van Oslo III te realiseren. Het idee van de scheiding van Palestijnen uit de bezette gebieden en de grenzen van Israël was voor hem de beste manier om het joodse getto te bewaren. Zonder apartheid zou het onmogelijk zijn om de etnische en koloniale demokratie te bewaren.

Tot slot.

Op lange termijn is het onwaarschijnlijk dat het Oslo-proces stabiliteit zal brengen. Binnen enkele jaren leven er ongeveer evenveel joodse Israëlis als Palestijnse Arabieren tussen de Middellandse zee en de Jordaan, in Palestina dus. Voor de helft vrijen en voor de helft slaven. Dit kan niet blijven duren. In een verre toekomst zullen ooit joden, christenen en moslims, samenleven in één staat met dezelfde rechten en plichten. En zal het Oslo-proces worden afgedaan als een van de zovele misstappen op de weg naar een rechtvaardige en duurzame vrede.

(Uitpers, september 2000)

(Dit stuk is een bewerkte versie van een artikel dat eerder verscheen in Samenleving en politiek, jaargang 7, juni 2000)

* Guido Huysmans is medewerker van het Vlaams Palestina Komitee.
Met dank aan Robert Soeterik, Nederlands Palestina Komitee

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 28 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook