Een vertekend beeld

Jan HENDRICKX, Vlaanderen en zijn buitenlandse betrekkingen. Historiek van een staatsvormende tocht,Leuven, Lannoo Campus, 2009.

“Tijdens een diner vroeg mijn tafelgenoot, een Chinese minister, mij…”.

“Toen ik minister-president Leterme met die vraag confronteerde…”.

“Als kabinetschef had ik ervaren dat…”.

Zoveel is duidelijk: hier is niet zomaar een Jan-met-de-pet aan het woord, maar iemand voor wie de omgang met macht en machtigen geen geheimen heeft. Of liever: had. Want ‘ere-ambassadeur’ Jan Hendrickx (88) is al bijna een kwart eeuw uit actieve dienst. Het siert hem ongetwijfeld dat hij ook nadien nog levendige belangstelling heeft betoond voor de moeizame evolutie van het koninkrijk België tot een min of meer federale staat, en met name voor de ontwikkeling van een eigen buitenlands beleid door de prille deelstaten.

Dat hij zijn ideeën daarover wàt graag wereldkundig maakt is al eerder gebleken. In 2004 publiceerde hij bij het Davidsfonds een boekje over “Vlaanderen en zijn buitenland. Praktijken en kansen” dat uitdrukkelijk veeleer een bijdrage tot het debat wilde zijn dan een systematische status quaestionis.

Aan zo’n uitvoeriger schets van historische achtergronden en ontwikkeling van de buitenlandse betrekkingen van Vlaanderen, aan de manier waarop dat eigen buitenlandbeleid sinds een tiental jaren concreet gestalte krijgt, én aan wat daarop aan te merken valt, is nu een nieuw boek gewijd.

Dat opzet is loffelijk. Sinds de grondige staatshervorming van 1993 (die uitdrukkelijk vooropstelde dat het koninkrijk België een “federale staat is, samengesteld uit gemeenschappen en gewesten”) hebben die gemeenschappen en gewesten (hierna G&G) het recht ook een eigen buitenlandbeleid te voeren op de beleidsdomeinen waarvoor zij binnenlands bevoegd zijn. In het internationaal-rechtelijk jargon heet dat met een fraaie Latijnse formule in foro interno, in foro externo.

Onbekend terrein

Voor zo ver beleidsdomeinen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnenlands klaar en duidelijk zijn verdeeld, hoeft deze regeling ook in het buitenlands optreden geen onterechte aanspraken of bevoegdheidsconflicten met zich te brengen. En is het theoretisch perfect denkbaar dat het Belgische diplomatieke apparaat nu eens opdrachten krijgt van het federale ministerie van Buitenlandse Zaken, dan weer van één (of meer) van de G&G die dit land rijk is.

Alleen zijn ‘homogene bevoegdheidspakketten’ precies waar het het Belgische federale systeem nog aan ontbreekt, en blinkt het Belgische diplomatieke apparaat niet bepaald uit door zijn ijver om dat federale systeem bekend te maken en in de praktijk te respecteren.

Het verbaast dan ook niet dat niet alleen de Vlaamse regering maar ook de regeringen van het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap er alras de voorkeur aan gaven naar bepaalde landen eigen diplomatieke vertegenwoordigers te sturen. Het verbaast allicht evenmin, dat de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest, niet gehinderd door budgettaire omzichtigheid, de zaak van meetaf veel grootscheepser aanpakten dan de Vlaamse bewindvoerders.

Of het uitbouwen van een eigen netwerk van regionale diplomaten nu vooral voortvloeide uit de slechte ervaringen met de federale diplomatie, dan wel een uiting was van ‘proto-staatsvorming’ (of van wensdenken, voor wie dat liever hoort) kan een open vraag blijven. Feit is alleszins dat een autonoom optreden naar buiten een niet te onderschatten hefboom kan zijn bij het behartigen van de belangen van een gewest of gemeenschap. En toch blijkt dit alles weinig bekend bij het grote publiek. Een boek dat de kennis van zaken én de belangstelling daarvoor wil aanwakkeren, is dus zeker wenselijk.

Hendrickx’ boek werd in februari jl. met enige pomp and circumstance voorgesteld, met onder meer toespraken door minister-president Peeters en oud-MP Van den Brande. Uitgever Lannoo Campus zag het boek reeds als “klassieker” voor wie over dit boeiende thema meer wil weten.

Oei. De tweede helft van bovenstaande zin zou door uitgeversmarketing al kunnen geciteerd worden als lof. De werkelijkheid ziet er helaas minder fraai uit: wie iets over dit thema wil vernemen en niet zélf tientallen documenten en webstekken wil doorploegen moet het voorlopig hiermee doen, in afwachting van een meer betrouwbaar werk.

Laten we wel wezen: natuurlijk hoef je niet noodzakelijk academicus te zijn om een boek te schrijven over historiek en concrete vormgeving van het buitenlands beleid van de deelstaat Vlaanderen. Zeker niet. De kritische blik van iemand die met het terrein vertrouwd is, kan zelfs nuttiger lectuur opleveren.

Maar er dient dan wél voor gezorgd dat de informatie die wordt verstrekt correct, volledig en evenwichtig is. Er dient alles aan gedaan om een goed gestructureerde uiteenzetting op te bouwen, waarin hoofdzaken duidelijk zwaarder wegen dan bijzaken, en individuele of politieke (res)sentimenten het beeld niet scheeftrekken. En tenslotte dient de lezer gewaarschuwd dat het werk geen wetenschappelijke ambitie heeft.

Dat laatste doet Jan Hendrickx plichtsbewust op p. 243 van zijn 244 pagina’s tellend werkstuk. Gelukkig maar. Want aan de andere eisen voldoet hij niet altijd even goed – en dat is dan (c’est le cas de le dire) diplomatiek geformuleerd.

Het boek bestaat uit drie delen: een historische terugblik op ‘groei en wording’; een overzicht van wat momenteel bestaat aan beleidsopties en instrumenten om aan een eigen buitenlandbeleid gestalte te geven, en van dat beleid zoals het er op de diverse bevoegdheidsterreinen concreet uitziet; en tenslotte een flinke brok “commentaar, analyse en suggesties”.

De auteur heeft “bergen nota’s en documenten” doorgenomen en als krasse knar ook eigentijdse webstekken bezocht; dat is duidelijk en wordt door hem ook behoorlijk in de verf gezet. Aan zijn vlijt kan niet worden getwijfeld. Maar, zoals een eminent hoogleraar ooit zei “hard werken kan een ezel ook”. Zo vernietigend wil ik niet worden. Maar ik vind het wél bijzonder jammer dat een boek dat zo nodig is en zo belangrijk zou kunnen zijn, uiteindelijk niet voldoet aan de verwachtingen die het wekt.

Omdat het beeld niet volledig is en niet evenwichtig, te vaak door de likes and dislikes van de auteur wordt vertekend, en teveel fouten en foutjes vertoont (én enkele heuse flaters) die door een aandachtige en competente lector hadden kunnen vermeden worden.

Verkenner met oogkleppen

Zowel het historische als het beschrijvende gedeelte (dat terecht het meest omvangrijke is) vertoont nogal wat knip-en-plakwerk, vooral dan uit de vele nota’s en documenten waarop de auteur zich baseert. Daar is in principe niets mis mee. Uitvoerige citaten zijn zeker nuttig om de lezer vertrouwd te maken met een weinig bekend terrein; bovendien zijn ze (relatief) makkelijk controleerbaar, en geven de tekst dus een imago van degelijkheid en objectiviteit. Alleen wie wél ietwat met de historiek en de praktijk vertrouwd is, gaat zich al gauw afvragen waarom in het ene geval wél en in het andere niét uitvoerig wordt geciteerd. De vraag rijst dan of de selectie niet teveel werd bepaald door wat toevallig aan documenten voorhanden was, of – erger – door wat past in het beeld dat de auteur wil schetsen.

Het is een uitstekend idee een onderscheid te maken tussen een objectief overzicht enerzijds, en kritiek en suggesties anderzijds. Maar dan moet je er als auteur ook over waken dat het beschrijvende gedeelte de status quaestionis correct, volledig en evenwichtig – kortom: zo objectief mogelijk – weergeeft.

In het andere deel kan je dan naar hartelust je eigen opvattingen ventileren, en liefst ook met steekhoudende argumenten onderbouwen. Helaas voldoet Hendrickx’ boek onvoldoende aan beide eisen.

De ‘fotografische weergave’ die het beschrijvende deel wil brengen, blijkt in werkelijkheid onscherp, vertoont blinde vlekken, en lijdt soms aan onder-, soms aan overbelichting. En ze wordt her en der flink vertekend door de onderliggende – maar onuitgesproken – opvatting van de auteur over de verhouding tussen federale diplomatie en die van de deelstaten.

Die opvatting kan je grosso modo samenvatten als “dat van dat eigen buitenlandbeleid van de deelstaten is allemaal wel mooi, maar het mag vooral niet te ver gaan”. Een opvatting die ongetwijfeld ook (nog) wordt gehuldigd door vele andere Vlamingen/Belgen, en die op zich even eerbaar is als andere. Maar het zou van intellectuele eerlijkheid hebben getuigd indien die onderliggende opvatting ook duidelijk werd uitgesproken. Nu vertekent ze (onbewust ?) het beeld, terwijl ze anderzijds ook in het subjectieve derde deel niet duidelijk wordt geuit, laat staan expliciet en systematisch verdedigd. Indien de auteur klare wijn had geschonken, had hij daarmee zeker de geloofwaardigheid van het geheel versterkt.

Struikelstenen

Nu, het nog jonge buitenlandbeleid van de deelstaten is – bijna per definitie – een terrein dat nog behoorlijk in beweging is, en dus kan de momentopname ten tijde van het schrijven verschillen van de werkelijkheid zoals die er uitziet wanneer het boek uiteindelijk het licht ziet. Maar je kan moeilijk hier en daar uitdrukkelijk vermelden dat je de toestand weergeeft zoals die bestond in het voorjaar van 2009 (een jaar vóór publicatie) en elders zonder dergelijke waarschuwing dingen schrijven die al in 2008 achterhaald waren.

Dat het uit elkaar halen van beschrijving en kritiek voor flink wat herhalingen zorgt, zou je nog kunnen beschouwen als de prijs die moet worden betaald voor een op zichzelf lovenswaardige aanpak. Anders is het gesteld met herhalingen – zoals deze over de animositeit tussen De Gucht en Bourgeois (een tijd lang respectievelijk federaal en Vlaams minister van BZ) – die alleen maar door ziekelijke afkeer kunnen worden verklaard. In welke richting die afkeer gaat, wordt dan weer onmiskenbaar duidelijk gemaakt door de bladzijden waarin Hendrickx (even vurig als De Gucht) de primauteit van ‘economische diplomatie’ bepleit, en deze in één adem wil verwezenlijkt zien via samenwerking van de diverse gewestelijke diensten, keurig ‘gecoördineerd’ door het federale apparaat.

Economische diplomatie (een sjiek woord voor bevorderen van export en aantrekken van investeerders) is meer dan ooit van primordiaal belang; dat staat buiten kijf. Of ze slechts optimaal kan functioneren indien ze weer onder Belgische vlag gaat varen, is daarentegen allesbehalve bewezen, onder meer gezien het dubieuze verleden van de Belgische Dienst voor Buitenlandse Handel. Dat belet het federale ministerie van Buitenlandse Zaken (én Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) niet om die stelling ijverig te verkondigen. En het belet Hendrickx niet om ze – ook in het beschrijvende deel van zijn werk – als vaststaand feit voor te stellen. Ietwat venijnig zou je kunnen stellen: een Vlaams buitenlands beleid dat dergelijke vrienden heeft, heeft verder geen vijanden meer nodig – die zijn er hoe dan ook al overvloedig voorhanden.

Dat je door samen te werken doorgaans meer kan bereiken dan door elkaar constant vliegen af te vangen, zal door niemand worden ontkend. Maar hier laat de auteur – ook in het zg. beschrijvende gedeelte – toch wel blijken dat hij van de realiteit bitter weinig meer afweet. Aan voorbeelden van goede en productieve samenwerking – tussen ‘regionale’ en federale diplomaten én tussen vertegenwoordigers van G&G onderling ! – ontbreekt het in de praktijk immers niet. En het moet maar eens gezegd: voorzover die samenwerking niet tot stand komt is dat niét te wijten aan obsessionele splitsingsdrang van de gemeenschappen en gewesten, maar veeleer aan de onwil van het federale apparaat om terrein af te staan en de grondwettelijk vastgelegde nieuwe verhoudingen ook loyaal te erkennen en respecteren.

Hendrickx’ blindheid voor tekortkomingen van federale zijde doet hier wel bevreemdend aan: niet zozeer omdat hij zich graag als ‘vlaamsbewust’ voordoet, maar wel omdat hij – zonder dat hij het zelf beseft ? – juist aantoont hoe G&G onderling precies nà een duidelijke afbakening van bevoegdheden en verantwoordelijkheden (om hier het gewraakte woord ‘splitsing’ te vermijden) minder verkrampt en dus zoveel beter kunnen samenwerken. En waar hij suggereert dat België kroonjuwelen uit de energiesector of de bankenwereld kwijtspeelt (om van Opel of DHL te zwijgen) omdat er inzake ‘economische diplomatie’ onvoldoende samenwerking is tussen G&G en het federale niveau, tja…daar zet hij natuurlijk zélf zijn geloofwaardigheid als ernstig waarnemer totaal op de helling.

Je kan een beeld overigens niet alleen vertekenen door selectieve blindheid, maar evenzeer door selectieve zwijgzaamheid: door elementen van de werkelijkheid te negeren die nochtans noodzakelijk zijn om een correct en volledig beeld tot stand te brengen. Gebeurt dat bewust of onbewust ? Wanneer je ondanks de “stapels papier” niet of niet meer op de hoogte blijkt van de juiste informatie met betrekking tot standplaatsen, titulatuur of ambtstermijn van Vlaamse diplomatieke vertegenwoordigers? Wanneer je wàt graag wijst op de kloof tussen indrukwekkende verklaringen en schrale werkelijkheid, maar die kritische zin laat verstommen t.a.v. bedrijfsleven of de federale diplomatie? Wanneer je de Vlaamse regering bekrompenheid verwijt omdat zij het zg. ‘minderhedenverdrag’ (voluit: ‘kaderconventie voor de bescherming van de nationale minderheden’) van de Raad van Europa weigert te ratificeren, maar verzuimt te vermelden dat die andere stichter-lidstaat van de EU, Frankrijk, dat evenzeer vertikt?

“Opinies zijn vrij, feiten zijn heilig” is een oeroude stelregel die niet alleen voor journalisten maar evenzeer voor diplomaten geldt. Men kan dus alleen maar betreuren dat Hendrickx die stelregel onvoldoende ter harte heeft genomen.

En zelfs wie aanneemt dat dit boek met de beste bedoelingen werd geschreven, kan zich alleen maar ergeren aan de vele kleine en grote tekortkomingen. Er zijn teveel herhalingen, incoherenties en lacunes die niet worden gerechtvaardigd door de scheiding tussen ‘fotografische weergave’ en analyse, teveel fouten die (in de gunstigste veronderstelling) voortvloeien uit onvolledige of onjuiste informatie. De fouten wekken het vermoeden dat de auteur geen voldoende voeling meer had met het feitelijke reilen en zeilen van diplomatie en politiek; de ‘weetjes’ waarmee hij her en der uitpakt om zich als insider te laten gelden, wegen daar niet tegen op.

Een ‘klassieker’ mag dit boek werkelijk niet worden. Maar wanneer ooit zo’n klassieker het licht ziet, zal daarin allicht naar Hendrickx’ werk worden verwezen als “een eerste, en daarom – ondanks alle onvolmaaktheden – verdienstelijke poging”.

 

PS. Wie van anderen klare wijn eist, moet die ook zelf schenken. Ik was inderdaad acht jaar lang aan de slag als diplomatiek vertegenwoordiger van de Vlaamse regering. Betekent zoiets dat bovenstaande recensie per definitie niet objectief kan zijn ? Geenszins, denk ik. Ik heb de lezer daarmee niet willen vervelen, maar voor elk van mijn kritische bedenkingen bij het boek van Hendrickx heb ik een lijstje ‘bewijsplaatsen’ genoteerd. Ik geef graag toe dat de concrete ervaring mijn scepsis tegenover de ‘federale loyauteit’ van het Belgische diplomatieke apparaat groter heeft gemaakt dan ze aanvankelijk was; maar ik beweer ook dat die ervaring (en die van mijn collega’s) reëler én recenter is dan wat Jan Hendrickx zijn lezers voorschotelt.

De kritiek dat de Vlamingen hoegenaamd niét per definitie “beter doen wat we zelf doen” onderschrijf ik daarentegen volmondig.

(Uitpers nr. 119, 11de jg., april 2010)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=935913&refsource=uitpers

(Visited 8 times, 1 visits today)
Deel dit artikel