Een regering van de rijken voor de rijken

"Een regering van de rijken voor de rijken". Dat titelden de officiële media in Singapore toen George W. Bush met zijn ploeg aantrad als president van de Verenigde Staten. Zelden was de top van het Amerikaans bedrijfsleven zo aanwezig in het Witte Huis.

Bewindslieden die niet uit een groot bedrijf komen, vormen er een kleine minderheid. Nu dat extreem-rechtse kabinet aanstuurt op een agressie-oorlog tegen Irak, loont het zeker de moeite er nog even de figuren van te belichten.

Olie- en wapenindustrie zijn prominent aanwezig, maar de financiële, chemische, biotechnische, automobiel- en elektronica-sectoren werden niet vergeten. Via hun spreekbuizen in de regering richten ze het Amerikaans beleid meer op de belangen van hun aandeelhouders dan op die van het publiek. Dat bleek overduidelijk bij de opstelling van de Amerikaanse energiepolitiek, waar de regering haar vrienden in de energiesector zonder schroom geriefde, ten nadele van consumenten en milieuverdedigers. En nu kan de "Bende van Bush" ook persoonlijk munt te slaan uit een aanvalsoorlog tegen het olierijke Irak. Wie zijn de belangrijkste leden en waar liggen hun bedrijfsconnecrties?

1) President George W. Bush,

Zoon van gelijknamige vader die ambassadeur bij de Verenigde Naties, baas van de CIA en vice-president was voordat hij president werd. Vader Bush organiseerde in 1991 met Dick Cheney als minister van Defensie (nu vice-president bij zoonlief) de eerste Golfoorlog tegen Irak .

Zoon Bush, sluwe maar niet zo verstandige telg uit een Amerikaanse politieke dynastie, lijkt in het Witte Huis veeleer de clown te zijn van zijn machtige medewerkers. De olieman uit Texas gold als student in Yale als overtuigd feestneus en drinkebroer. Dat hij ooit drugs gebruikte, heeft hij nooit echt ontkend.

Maar in 1986 rond zijn 40ste verjaardag zag Bush het Licht en werd hij overvallen door religieuze gedrevenheid. De herboren christen ging nu een politieke carrière nastreven. Twee jaar nadat vader-Bush het Witte Huis verliet, werd Bush gouverneur van Texas. In die functie ontpopte hij zich tot recordhouder doodsvonnissen. In 2000 werd hij op twijfelachtige manier tot president van de VS verkozen. In januari 2001 betrad hij het Witte Huis, waar hij de politiek ging doorspekken met religieuze termen die geplukt lijken uit het ,"gedachtegoed" van zijn christelijk-reactionaire achterban in het Amerikaanse zuiden.

Voordat hij de politiek inging was Bush jr. een niet al te succesvol ondernemer in de oliesector. Zijn bedrijf Arbusto stond op de rand van het failliet toen het in 1984 fuseerde met Spectrum, dat op zijn beurt in 1986 werd opgekocht door Harken Energy. In dat oliebedrijf uit Dallas kreeg Bush vier hoge functies.

In 1989 werd Bush verdacht van medeplichtigheid aan de frauduleuze boekhouding (fictieve verkoop van een filiaal aan het hoofdbedrijf om het zeer negatieve bedrijfsresultaat te verhullen) bij Harken. In 1990, toen Harken op de rand van het failliet stond, werd Bush verdacht van handelen met voorkennis (insider trading), toen hij aandelen van het bedrijf verkocht aan 4 dollar per stuk kort voordat de onderneming een groot verlies zou bekendmaken. Na die bekendmaking daalde het aandeel eerst tot drie, later tot één dollar. Amerikaanse autoriteiten onderzoeken of Bush zich schuldig maakte aan het soort fraude en bedrog dat hij als president beloofde uit te roeien toen het schandaal van de energiereus Enron uitbarstte. Harken werd financieel gered door Harvard University. Bush verliet Harken in 1993.

2) Vice-president Dick Cheney

Als minister van Defensie onder vader Bush was Cheney een toparchitect van de eerste Golfoorlog tegen Irak in 1991. In 1995 werd hij leider van Halliburton, ‘s werelds grootste dienstenbedrijf in de oliesector, met zetel in Texas. Cheney is een van de architecten van de sancties waarmee de VN Irak wurgt. Maar dat weerhield zijn bedrijf Halliburton er niet van om na de Golfoorlog via gefuseerde bedrijven (o.m. Dresser Industries) die sancties te schenden door verkoop van onderdelen aan de Iraakse olie-industrie.

Geld verdienen is altijd de grootste drijfveer van Cheney geweest. Hij peuterde leningen van de Amerikaanse federale overheid los om Halliburton , "concurentiëler" te maken bij contracten in Algerije, Bangladesj, Rusland en Angola (met het Chevron van Bush’ nationale veiligheidsadviseur Condoleezza Rice).

Tegelijk leverden contracten met het Amerikaanse leger (o.m. voor werken in crisiszones als Bosnië, Albanië en Haïti) Halliburton grote winsten op. Dat kon, omdat Cheney in 1992 als minister van Defensie een hele reeks logistieke operaties van het Amerikaanse legergeroperaties liet "privatiseren" _ ten gunste van firma’s als Brown & Root Services (BRS), eigendom van Halliburton. Van 1992 tot 1999 heeft het Pentagon BRS meer dan 1,2 miljard dollar betaald voor werk in crisiszones.

In 1996 trok BRS naar Hongarije om er diensten te verkopen aan de Amerikaanse troepen in ex-Joegoslavië. Net als elk privé-bedrijf moest BRS belasting betalen, zei Hongarije. Maar het Pentagon zei dat het bedrijf deel uitmaakte van de Amerikaanse strijdkrachten en dus vrijgesteld was van belasting. Uiteindelijk betaalde BRS de Hongaarse regering 18 miljoen dollar belasting, maar kreeg het dat geld terug van de Amerikaanse regering (belastingbetaler).

Brown & Root heeft ook zijn operaties in Colombia sterk uitgebreid. Dat hangt samen met de verwachting dat de Amerikaanse rol in het Colombiaans conflict groter en actiever wordt.

Halliburton kreeg contracten om cellen voor vermeende leden van Al-Qaeda te bouwen in Guantanamo, de VS-basis op Cuba, en om voedsel te leveren voor de duizenden Amerikaanse militairen in Oezbekistan.

Cheney’s vertrouweling Joe Lopez is de belangrijkste lobbyist van Halliburton in Washington. Lopez (nu admiraal met rust) kwam in 1999 bij Halliburton. Zijn eerste job daar was een contract van 100 miljoen dollar voor de beveiliging van 150 gebouwen van Amerikaanse ambassades en consulaten in de wereld tegen "terroristische" aanvallen. Cheney, zeggen zijn critici, werkte in de eerste plaats voor zichzelf en Halliburton. "We hebben het hier over nepotisme op het hoogste niveau en over profiteren op de kap van de Amerikaanse belastingbetaler", sneert Pratap Chatterjee, een journalist die het wel en wee van Halliburton jaren heeft gevolgd.

In 2000 verliet Cheney Halliburton. Hij verkocht zijn aandelen voor een bedrag van 23,6 miljoen dollar. De autoriteiten onderzoeken of de waarde van de aandelen toen niet was opgeblazen door een boekhouding die de bedrijfsresultaten roziger voorstelde dan ze waren.

3) Minister van Defensie Donald Rumsfeld

Rumsfeld was al eens minister van Defensie, van 1975 tot 1977 onder president Gerald Ford, toen Dick Cheney onder hem werkte. In 1977 ging hij het bedrijfsleven in als PDG van Searle, nu een filiaal van Pharmacia. Hij was ook de grote baas van General Instrument, later opgekocht door Motorola. Rumsfeld zat ook in de bestuursraden van het biotechnologisch bedrijf Gilead Sciences, van het mediabedrijf Tribune Company (eigenaar van de gezaghebbende kranten Los Angeles Times en Chicago Tribune), van Asea Brown Boveri, en van reuzen als Kellog, Sears en Alstate. Rumsfeld vermeed rechtstreeks het bezit van aandelen of directieposten in defensiebedrijven om het verwijt van belangenvermenging te voorkomen als men hem de portefeuille van Defensie zou toevertrouwen. Hij verkocht zijn aandelen in Gulfstream Aerospace (gespecialiseerd in jets voor de rijken en voor regeringen) toen dit bedrijf in 1999 werd opgekocht door defensiegigant General Dynamics.

4) Minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell

Werd als 1989 de jongste voorzitter van de gezamenlijke chefs van staven en was een hoofdarchitect van de eerste Golfoorlog tegen Irak in 1991. Powell speelde in 1983 een sleutelrol bij de Amerikaanse invasie op het Caribische Grenada en bij de Amerikaanse bombardementen op Libië in 1986. Een jaar later vroeg president Ronald Reagan hem als nationaal veiligheidsadviseur.

Bij de verkiezingen in 2000 moest Powell, als Amerikaan van Jamaïcaanse afkomst, de kansen van de door blanke beheerste Republikeinen vergroten.

Powell zetelde in de bestuursraden van Gulfstream Aerospace en van America Online, en deed een goede zaak aan de fusie van dit laatste bedrijf met Time Warner. Het Amerikaanse "Center for Responsive Politics" meldt dat Powells zoon Michael het enige lid was van de federale commissie voor communicatie dat ervoor pleitte om de fusie zonder onderzoek te laten gebeuren.

5) Minister van Justitie John Ashcroft

Deze christelijke fundamentalist heeft voor zijn verkiezing als senator in Missouri (1995) gulle bijdragen gekregen van bedrijven als Rent-a-Car en Monsanto. Ook Shering-Plough betaalde hem voor zijn poging om het patent van een winstgevende pil tegen allergie te verlengen, ook al mislukte die poging. Ook AT&T en Microsoft hebben financiële steun gegeven aan Ashcroft. Microsoft hoopte volgens het Center for Responsive Politics dat Ashcroft op Justitie de antitrust-klacht van het ministerie tegen het bedrijf zou laten vallen.

Ashcroft, voormalig gouverneur van Missouri, is een ultra-conservatief. Volgens burgerrechtenorganisaties een onomwonden "extremist". Hij wekte verbijstering toen hij gelastte de blote borsten van beelden van Vrouwe Justitia in het ministerie te bedekken. Vooral stelde hij zich bloot aan beschuldigingen van seksisme en racisme. Hij verzette zich in Missouri tegen vrijwillige desegregatie in scholen, verzette zich tegen de benoeming van een zwarte rechter in zijn thuisstaat en prees zuidelijke – pro-slavernij – helden van de Amerikaanse burgeroorlog.

Ashcroft is een verbeten tegenstander van abortus, maar heeft als pleitbezorger van de doodstraf minder last met het uitschakelen van leven dat al geboren is. Homo’s zijn voor hem des duivels, net als controle op wapenbezit.

De minister heeft de Amerikanen geregeld de angst op het lijf gejaagd met waarschuwingen over vermeende terroristische aanslagen. Zo slaagde hij erin in de aandacht te komen, de agenda van het nieuws te bepalen, en de regering-Bush te helpen bij het inperken van de vrijheden in naam van de "strijd tegen terrorisme".

6) Nationale veiligheidsadviseur Condoleezza Rice

Rice zetelde in de directie van de oliegigant Chevron, de makelaar Charles Schwab, de Hewlett Foundation en de verzekeraar Transamerica Corporation. Ook zit ze in de internationale adviesraad van de bank J.P. Morgan.

Rice heeft de directie van Chevron zo gecharmeerd, dat die een tanker van 130.000 ton naar haar hebben genoemd. Rice begon haar politieke loopbaan bij de Democraten, maar veranderde in 1982 van kamp, naar de Republikeinen. President Bush noemde haar iemand "die mij zaken van internationale politiek kan uitleggen op een manier die ik kan begrijpen". Onder vader-Bush zat Rice in de Nationale Veiligheidsraad als specialiste voor de Sovjet-Unie en Oost-Europa.

7) Onderminister van Defensie Paul Wolfowitz

Deze superhavik heeft gezegd dat de Amerikaanse regering niet alleen terroristen zal achternazitten, maar "een einde maken" aan staten die militanten sponsoren of huisvesten. Hij is een van de belangrijkste breinen achter de doctrine voor wereldbeheersing van de Amerikaanse regering, vervat in de ,,National Security Strategy of the USA’’. Wolfowitz is de belangrijkste pleitbezorger en planner voor een nieuwe oorlog tegen Irak. Die oorlog zal duizenden doden maken, en dat maakt Wolfowitz volgens oorlogstegenstanders tot een "oorlogsmisdadiger in spe".

Als felle anti-communist (,,communist’’ is in zijn mond een term die gericht is tegen al wie een bedreiging kan vormen voor de belangen van Amerikaanse multinationals) toonde Wolfowitz zich zeer tegemoetkomend voor (pro-westerse) dictators als Soeharto in Indonesië, Chun Doo-hwan in Zuid-Korea, en Ferdinand Marcos op de Filippijnen.

Wolfowitz is altijd goede maatjes geweest met de militairen in Indonesië die in 1965 meer dan een half miljoen mensen (,,communisten’’) om het leven brachten, en met zakenbonzen en Amerikaanse investeerders in dat land. Zelf zat hij in verscheidene bedrijven, onder meer Hasbro, een belangrijk investeerder in Aziatische speelgoedfabrieken. China, dat vroeger door Washington werd beschouwd als een strategische partner, is voor Wolfowitz niet langer zo’n partner, maar een "strategisch concurrent en potentiële bedreiging voor de VS". In zijn logica zou dit uitmonden in pleidooien voor een "preventieve oorlog" tegen China.

8) Ambassadeur bij de VN John Negroponte

Negroponte heeft in de jaren 1980 een sleutelrol gespeeld in de contra-oorlog tegen Nicaragua. Wegens die oorlog, die wegen, scholen, havens en vele burgers trof, zijn de VS in 1986 door het Internationaal Gerechtshof in Den Haag veroordeeld wegens terrorisme. Negroponte organiseerde dit met drugsgeld gefinancierd terrorisme vanuit Honduras, waar hij van 1981 tot 1985 ambassadeur was. Tegelijk stuurde hij Washington doelbewust valse berichten over de mensenrechtentoestand in Honduras, dat toen de thuishaven was van de contra’s en hun Amerikaanse mentoren. Negroponte verborg voor het Amerikaanse parlement de moorden, folteringen en ontvoeringen van het Hondurese Bataljon 3-16, een doodseskader dat door de CIA was uitgerust en opgeleid, en dat ook Amerikaanse missionarissen om het leven bracht. Negroponte kende de activiteit van dit doodseskader, als hij er al niet zelf leiding aan hielp geven. Nu zit hij in de VN als ambassadeur van de Amerikaanse regering, om op oorlog tegen Irak aan te dringen en daar de "afschuwelijke dictator" te vervangen door "een democratisch regime".

Naast Negroponte heeft Bush nog een organisator van het terrorisme tegen Nicaragua op een hoge post benoemd. Het is Elliott Abrams, die in december werd benoemd tot verantwoordelijke voor het Nabije Oosten in de Nationale Veiligheidsraad.

Eerder benoemde Bush hem tot directeur van de Nationale Veiligheidsraad voor Democratie, Mensenrechten en Internationale Operaties. Abrams is een spilfiguur in het Iran-contraschandaal in de jaren 1980. Hij pleitte schuldig aan het voorliegen van het parlement over de bewapening van de contra’s, maar kreeg pardon van vader-Bush.

9) Onderminister Wapencontrole, Internationale Veiligheid John Bolton.

Bolton, een goede vriend van de uiterst-rechtse senator Jesse Helms, is een andere onfrisse figuur die eenzijdige Amerikaanse wereldoverheersing bepleit en de Verenigde Naties veracht. De voorman van het American Enterprise Institute wordt niet alleen gedreven door zijn extreem-rechtse ideologie, maar stond ook op de betaalrol van Taiwan. Hij wil de VS afbrengen van de "één-China"-politiek die Peking erkent als enige vertegenwoordiger van China, en wil dat Taiwan wordt erkend als onafhankelijke staat met een zetel in de VN. In "Achter de As van het Kwade", een rede die hij in mei 2002 uitsprak voor de ultraconservatieve Heritage Foundation, beweert Bolton dat Cuba biologische wapens produceert – zonder daar enig gegeven voor aan te brengen.

Bolton is gekant tegen Amerikaanse betalingen (de VS hebben een grote achterstand) aan de VN. In 1994 zei hij dat er "niet zoiets bestaat als de Verenigde Naties". De jurist-politicus ziet geen heil in de oprichting van een Internationaal Strafhof voor oorlogsmisdaden – zeker nu de geplande agressie-oorlog tegen Irak de kans doet toenemen op Amerikaanse oorlogsmisdaden zoals die gepleegd werden met tapijtbombardementen op steden in Vietnam en de inzet van chemische wapens in dat Aziatische land.

10) Onderminister voor het Westelijk Halfrond Otto Reich

Reich is misschien de meest extremistische figuur in het kabinet van Bush. Hij is een gekend lobbyist voor de extreem-rechtse Cubanen in Miami, en voor grote bedrijven als Bacardi, British American Tobacco en Lockheed Martin. Reich is mede-architect van de wet-Helms-Burton, die het Amerikaanse embargo tegen Cuba wil uitbreiden tot niet-Amerikaanse bedrijven.

Reich leidde onder president Reagan een propagandabureau in het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat bureau moest de Amerikaanse opinie misleiden met valse informatie. Het moest ook journalisten discrediteren die volgens de regering-Reagan te kritisch waren. Onderzoek van het parlement leidde tot sluiting van Reichs propagandabureau.

Toen Reich van 1986 tot 1989 ambassadeur was in Venezuela (dat land probeerde vruchteloos die benoeming te verhinderen), hielp hij de vrijlating bewerken van de anti-castristische terrorist Orlando Bosch. Bosch was opgesloten als brein achter de aanslag in 1976 op een Cubaans lijnvliegtuig in volle vlucht – geen overlevenden.

(Uitpers, nr. 39, 4de jg., maart 2003)

Visited 4 Times, 1 Visit today

Tags :