Een onpersoonlijke autobiografie

Zoals dat wel vaker gebeurt krijgen sommige boeken pas met vertraging de aandacht die ze verdienen. Dat gebeurt nu ook met de Franse auteur Annie Ernaux die in 2008 ‘Les années’ schreef. De – uitstekende – Nederlandse vertaling van Rokus Hofstede kwam slechts in 2020 tot stand en daardoor stond nu pas ‘De jaren’ bij critici en stevige lezers helemaal bovenaan hun lijst van best of the year. En daar zijn goede redenen voor.
Individuele en maatschappelijke tijd
Annie Ernaux, geboren in Normandië in 1940, schreef dit merkwaardige boek toen ze achtenzestig werd en het is veel meer geworden dan een traditioneel coming of age verhaal. Ja, het is een oefening geworden in terugblikken, maar dan niet zozeer in de levenstijd van een individu, namelijk een vrouw met linkse sympathieën, maar over de maatschappelijke tijd van een hele generatie opgegroeid tijdens of kort na de Tweede Wereldoorlog. Daarmee komt ze dicht in de buurt van het werk van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en van Hans Blumenberg die in zijn ‘Werelden van tijd’ onderscheid maakt tussen ‘levenstijd’ en wereldtijd’. Het gaat volgens deze Duitse filosoof om de manier waarop mensen in het verleden altijd hun eigen tijdelijkheid hebben beleefd in verhouding tot een meer omvattend, maatschappelijk gedragen tijdsbegrip.
De maatschappelijk gedragen tijd primeert en binnen dat kader wil Ernaux als persoon als het ware verdwijnen ergens tussen haar generatiegenoten. De grote verdwijntruc van het individu en alleen de tijdgeest overhouden, dat is wat Annie Ernaux in ‘De jaren’ probeert. Aan die ambitieuze en ongewone onderneming waarin zij haar individuele levenstijd wil laten opgaan in die maatschappelijk gedragen levenstijd begint zij echter met heel twijfels en aarzelingen. Je zou voor minder. Hoe begin je immers aan een verhaal van één bijzonder iemand, maar dan opgenomen binnen de beweging van een generatie? Zij vraagt zich af: ‘Hoe verbeeld je tegelijkertijd het verstrijken van de historische tijd, de verandering van dingen, ideeën en zeden, en het strikt persoonlijke van die vrouw, hoe laat je het fresco van vijfenveertig jaar samenvallen met de zoektocht van een ‘ik’ buiten de Geschiedenis.’ (p.168) Jawel, wat zij wil proberen is het schrijven van een onpersoonlijke biografie. Hoe kan dat nou? Wie ‘De jaren’ leest zal het begrijpen.

Afstand van ‘ik’

Haar uitgangspunt is eenvoudig: zij vertrekt van een aantal vergeelde foto’s uit de oude doos. Die zwart-wit foto’s van haar opgroeien worden door Ernaux minutieus beschreven maar niet getoond in het boek, waardoor ze een zeker abstract karakter behouden en dat doet ze natuurlijk niet zomaar. Zo kan ze immers, vertrekkende van zichzelf, toch afstand blijven nemen van haar ‘ik’. Haar boek wordt dus een onderdompeling in herinneringsbeelden om te kunnen boekstaven wat de specifieke tekenen des tijds zijn. Om dat te kunnen bereiken moet ze zich ook stilistisch behoorlijk wapenen. Nergens in het boek komt ‘ik’, dat soms opdringerige persoonlijk voornaamwoord voor. Alleen ‘je’, ‘wij’, zij’ en ‘men’ zijn de voornaamwoorden die ze hanteert waardoor ze zich verbindt met andere levens en waardoor ook de contouren van die onpersoonlijke autobiografie oprijzen, waarin een deel van een generatie zich zal kunnen herkennen. Ik zeg uitdrukkelijk ‘een deel’ want uit alles blijkt dat het onpersoonlijke ‘ik’ een mens- en wereldbeeld ontwikkelt dat zich ter linkerzijde situeert. Dat zal haar kijk op de wereld en haar herinnering zeker inkleuren. Zij vertrekt uiteraard van Franse toestanden, maar voor haar generatie waartoe ook ik behoor, maken die deel uit van het collectieve geheugen van West-Europese linksdenkende mensen die in dezelfde periode opgroeiden.

Een tijdsbeeld

De namen en gebeurtenissen die in de loop van het verhaal vermeld worden staan diep in het geheugen gegrift van haar generatiegenoten. Cultfilms als Á bout de souffle van Jean-Luc Godard met Jean-Paul Belmondo en Joan Seberg, ‘Last tango in Paris’ van Bertolucci met Marlon Brando en Maria Schneider, maar ook Jonas qui aura 25 ans en l’an 2000 van Alain Tanner, tijdschriften als Le canard enchainé, Charlie Hebdo, De Gaulle, Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir, Bourdieu, Lacan, Chomsky, Baudrillard, Wilhelm Reich, Ivan Illich, Salvador Allende, Mai ’68, De Baader-Meinhof-groep, Lech Walesa, de Sex Pistols, Pink Floyd, Coluche en ga zo maar door zijn namen die het mondialer wordende tijdsbeeld ingekleurd hebben.

Worsteling met de tijd

Die intellectuele oefening is niet eenvoudig. Het is een gevecht met de tijd, maar vooral met le temps perdu. Wanneer ze naar een zwart-wit baby fotootje van haar kijkt, schrijft ze: ‘Je zag jezelf niet terug in het baby’tje van onduidelijk geslacht dat halfnaakt op een kussen zat, maar iemand anders, een schepsel uit andere, zwijgende, ontoegankelijke tijd.’ (p. 26) Zij is geen literaire herinneringsspecialist zoals Marcel Proust die in zijn ‘Á la recherche du temps perdu’ momenten van pure terugkeer naar zijn verleden weet op te roepen. Met de herinnering aan de smaak van de in thee gedoopte madeleine staat Proust plotseling weer een allang voorbije toestand uit zijn kindertijd voor de geest, niet als herinnering maar precies zoals het oorspronkelijk was.
Die madeleine-herinneringen zijn aan haar niet besteed. Annie Ernaux worstelt vooral met ‘een tijd waarin heden en verleden overlappen zonder in elkaar op te gaan, waarin het wel lijkt alsof ze vluchtig opnieuw alle gedaanten aanneemt van de persoon die ze is geweest’. Om dat aan te geven gebruikt ze het beeld van een palimpsest, van een stuk perkament (of papyrus) dat is hergebruikt. De oorspronkelijke tekst werd ooit van het perkament geschraapt zodat er een nieuwe tekst op geschreven kon worden. Ze noemt dat haar palimpsestgevoel, het gevoel dat ze zich vermenigvuldigt en fysiek bestaat op verschillende plekken waar ze heeft geleefd, dat ze toetreedt tot een palimpsesttijd. Ze loopt ook verloren in haar eigen levenstijd. ‘Wordt zij ouder?’ vraagt ze zich af als ze in de spiegel kijkt. Ziet ze nieuwe tekens van veroudering? ‘Tekens waar ze niet aan denkt, omdat ze doorgaans leeft in de algehele ontkenning, niet van leeftijd, zesenzestig jaar, maar van wat die leeftijd voor jongere mensen betekent, en zonder dat ze zich anders voelt dan vrouwen van vijfenveertig, vijftig – een illusie die diezelfde vrouwen, zonder dat onvriendelijk te bedoelen, vernietigen door haar in een gesprek terloops duidelijk te maken dat ze niet tot hun generatie behoort.’ (p. 220)

Een boeiende en ‘glijdende’ vertelling

Het resultaat van die worsteling met de tijd – zowel individueel als maatschappelijk – is alleszins dat ‘De jaren’ een uiterst boeiende, ‘glijdende’ vertelling is geworden, geschreven in een dwingend, doorlopend imperfectum, een onvoltooid verleden tijd die gaandeweg het heden opslokt tot aan het laatste beeld van een leven, maar die in één beweging het passerende maatschappelijke leven van een hele generatie in Frankrijk, verruimend in West-Europa, in kaart heeft gebracht.
‘De jaren’ is een krachtproef. Il faut le faire.

De jaren
Annie Ernaux
De Arbeiderspers, Amsterdam
2020
229 blz.
9789029540650
(Visited 124 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).