Een nieuw EU-verdrag! En nu?

De laatste Europese top heeft voor een vreemd verschijnsel gezorgd. Vriend en vijand zijn het over één ding eens: de nieuwe tekst voor het ontwerpverdrag dat in de plaats komt van het ontwerpgrondwettelijk verdrag is een wangedrocht. Onleesbaar, onbegrijpelijk, ontoegankelijk. Voorwaar geen tekst waarmee de instellingen dichter bij de burgers worden gebracht.

De progressieve linkerzijde die tegen het grondwettelijk verdrag was, moet bovendien nog een tweede harde noot kraken. Dit nieuwe ontwerp zet geen enkel stapje in de richting van hun eisen, integendeel. Dit nieuwe verdrag wordt nog slechter dan het ontwerpgrondwettelijk verdrag al was. Polen kreeg tien jaar uitstel voor de evenwichtigere stemmenverhouding in de Raad. Het Handvest van grondrechten verdwijnt uit het verdrag en in het Verenigd Koninkrijk is het niet van toepassing. Frankrijk en Nederland verkregen meer zeggenschap voor hun nationale parlementen. Alle regeringsleiders zegden geen nieuw referendum te willen. Kortom, het nieuwe verdrag leidt tot minder Europa, minder sociaal beleid, minder democratie.

Welke lessen kunnen we trekken uit dit Europese avontuur?

Eens te meer is de progressieve linkerzijde met haar verzet achterop blijven hinken. Ook ondergetekende heeft mee actie gevoerd tegen het grondwettelijk verdrag, met de hoop dat een ernstig, ruim debat zou kunnen gevoerd worden over hoe een Europese Unie in tijden van mondialisering er zou kunnen en moeten uitzien, hoe burgers bescherming kan geboden worden zonder populistische, demagogische of extreemrechtse oplossingen. Het heeft niet mogen zijn. Ik zie daarvoor drie redenen.

Ten eerste werd veel te laat met acties begonnen. Toen Attac Vlaanderen tijdens het proces van de Europese Conventie herhaaldelijk pleitte voor een campagne voor een referendum, was hiervoor geen enkele belangstelling. Pas na het succes van ‘neen’ in Frankrijk is men wakker geschoten en te midden van het ratificatieproces in België alsnog begonnen met een tegencampagne. Het was een illusie te denken dat dit nog enige invloed kon hebben.

Ten tweede werd geen enkele ernstige poging gedaan om een haalbaar alternatief voor te stellen. Pleiten voor een ‘Europa van onderop’ klinkt sympathiek maar het is weinig concreet. Pleiten voor een ‘sociaal Europa’ is al even aantrekkelijk, maar dat doet ook de Franse president Sarkozy. Het zegt niets over wat men precies wil. Dat het precies die Sarkozy is die erin geslaagd is de ‘vrije open economie met onvervalste concurrentie’ uit de basistekst te halen, zal velen doen knarsetanden. Het is ook onmogelijk om tot een redelijk alternatief te komen wanneer de meningen over de Europese Unie zo sterk uit elkaar lopen. Sommigen verzetten zich tegen het neoliberale beleid, anderen verzetten zich tegen de Europese instellingen zelf, anderen dromen van een antikapitalistisch Europa. Het zijn moeilijke tegenstellingen die het zoeken naar oplossingen bemoeilijkt.

Ten derde werden de krachtsverhoudingen danig onderschat. De verkiezingsuitslag van het ‘Comité voor een andere politiek’, ontstaan uit het verzet tegen het grondwettelijk verdrag, spreekt boekdelen. Iets meer bescheidenheid zou passen wanneer men minder dan een half procent van de bevolking vertegenwoordigt.

De progressieve linkerzijde in België en Frankrijk heeft de afgelopen maanden een dubbele nederlaag geleden.

Bij de Franse presidentsverkiezingen is het bondgenootschap dat campagne voerde voor een ‘neen’ in het referendum over het grondwettelijk verdrag roemloos ten onder gegaan. Vijf kandidaten bekampten elkaar en haalden samen met de groenen geen 10 % van de stemmen. Zolang die linkerzijde zich niet kan vernieuwen en niet kan zoeken naar een eengemaakt en geloofwaardig programma, is er voor het antiliberale en andersmondialiseringskamp weinig toekomst weggelegd.

In plaats van een ietwat progressief bijgestuurd Europees verdrag, is het resultaat een nog slechter verdrag. Dat de Nederlandse SP gelukkig is met de grotere invloed voor nationale parlementen bewijst enkel dat ook daar meer nationalistisch dan internationalistisch wordt gedacht. Overigens, meer macht geven aan nationale parlementen op een vergadering waar geen enkele parlementaire, democratische stem kon gehoord worden, waar geheime diplomatieke onderhandelingen de boventoon halen en waar binnen de vergaderzaal iets anders wordt gezegd dan wat aan de pers wordt verteld, is veelzeggend voor het democratisch gehalte van de Europese Raad. Voor linksen die enkel uitvallen tegen de Europese Commissie en niet zien dat het grootste democratische tekort precies bij de nationale staten ligt, is dit hopelijk een duidelijke les.

Hoe moet het nu verder?

De nederlaag van de linkerzijde doet niets af van het zeer terechte protest tegen het grondwettelijk verdrag. Dit is niet de Europese Unie die wij willen en die met enig succes daadkrachtig kan optreden om haar bevolking te beschermen, om meer solidariteit in de wereld te bepleiten en om het milieu te beschermen. Het verzet tegen het neoliberale beleid moet dus zeker verder gaan, maar hopelijk na een bezinningsperiode en met een meer realistisch en geloofwaardig programma.

Meer kennis en meer inzicht in de werking van de Europese instellingen lijkt me hierbij van het grootste belang. De huidige Europese Commissie is zeer neoliberaal. Desalniettemin zijn niet alle voorstellen van die Commissie van te voren te veroordelen en is enig vertrouwen in het politieke werk van het Europees Parlement niet misplaatst. Er is in de EU méér democratie dan sommigen willen doen geloven. Het is nog steeds in de Raad van Ministers dat veel Commissie- en parlementsvoorstellen een meer neoliberale inkleuring krijgen. Dit betekent dat er meer effectieve controle nodig is op de standpunten die de nationale regeringen in Brussel verdedigen. Dat veel Belgische ministers niet eens de moeite doen om zelf aanwezig te zijn op de Raden is onaanvaardbaar. Dit laat het beleid over aan diplomaten voor wie democratie in veel gevallen een niet-relevant concept is.

Er zal ook meer duidelijkheid moeten komen over wat de linkerzijde zelf met ‘democratie’ en ‘debat’ bedoelt. De Europese Attac’s gaven onmiddellijk na de top een erg goed communiqué uit waarin wordt gewezen op het gebrek aan democratie en debat in de goedkeuring van het nieuwe verdrag. Echter, wanneer voorstellen geformuleerd worden waarover een dialoog kan gevoerd worden met de instellingen of met andere progressieve krachten en partijen, dan wordt dit meteen afgewezen. Dit is de afgelopen jaren herhaaldelijk gebeurd en komt wellicht van diegenen die van deze instellingen en van politieke partijen niet willen weten. Dit vraagt dus om opheldering. Gelet op de bestaande krachtsverhoudingen zullen er in elk geval bondgenoten nodig zijn om tot verbeteringen te komen. Tenzij men van te voren ook alle compromissen wil uitsluiten.

Er zal ook meer ‘Europees’ moeten gedacht worden in plaats van nationaal. Te vaak worden nu standpunten ingenomen die geen rekening houden met de situatie in andere landen. Een voorbeeld. Precies op het ogenblik dat in België een debat wordt gevoerd over het monopolie van Electrabel dat eenzijdig hogere prijzen oplegt, wordt in Frankrijk door Attac een communiqué uitgegeven tegen de liberalisering van de elektriciteitsmarkt. Misschien ligt de waarheid niet bij het monopolie, noch bij de liberalisering, maar wel bij een prijsregulering?

Men zal ook meer moeten openstaan voor verandering in plaats van voor een verdediging van het status quo. De samenleving is de afgelopen 50 jaar veranderd, en dat vergt een ander beleid en andere reguleringen. Niet elke verandering is per definitie neoliberaal, maar door alle voorstellen stelselmatig af te wijzen, hebben de neoliberalen ook geen enkele oppositie meer waar rekening moet mee gehouden worden. Het beste voorbeeld is hier wel het Lissabonproces, een hervormingsplan dat nu bijna zuiver neoliberaal wordt doorgevoerd. Echter, wie de basistekst op een andere manier probeert te lezen, merkt dat er ook een andere interpretatie mogelijk is, en dus ook een ander beleid. Het kwaad zit niet in de basistekst zelf, maar in de manier waarop hij wordt uitgevoerd. Een goed georganiseerde brede oppositie zou de vaak zwakke sociaal-democratie in haar verzet kunnen steunen.

Ten vijfde zal men veel korter op de bal moeten spelen. Het enige echt goed georganiseerde verzet tegen Europese wetgeving was dat tegen de havenrichtlijn en tegen de Bolkesteinrichtlijn. Twee keer waren de vakbonden hier van meet af aan bij betrokken en kon het ergste worden vermeden. Bij het grondwettelijk verdrag was dat niet het geval, bij de liberalisering van de post en de energiemarkt evenmin. Men zal nu meteen moeten beginnen met het opvolgen van de intergouvernementele conferentie die aan het werk gaat en het bereikte akkoord in verdragsteksten moet uitwerken. Het ontwerpgrondwettelijk verdrag bevatte enkele belangrijke punten van vooruitgang, zoals de sociale toets. Men zal er moeten op letten dat dit niet verloren gaat.

Tenslotte moeten de tegenstanders van een Europees beleid ook rekening houden met het volgende. Het akkoord van 23 juni maakt duidelijk dat ook in de Europese Unie het multilateralisme en het federalisme hun invloed verliezen. Het zijn de nationale staten die meer en meer de macht in handen hebben en de Raad van Ministers vierkant doet draaien. Dagenlang kan er gediscussieerd worden over de formulering van één paragraaf. Dat in het nieuwe verdrag de term ‘grondwet’ en de symbolen (vlag, hymne, enz.) zijn verdwenen, verandert inhoudelijk niets, maar het zegt veel over de weigering om bevoegdheden te delen en samen te werken. Men kan tegen het beleid zijn dat nu wordt gevoerd, maar het antwoord daarop kan niet méér nationalisme zijn. Precies hetzelfde gebeurt in de WTO. Progressieve bewegingen verzetten zich tegen de aan de gang zijnde onderhandelingen, maar het antwoord daarop zijn bilaterale handelsverdragen met nog minder inspraak van arme landen. In de Verenigde Naties, in de instellingen van Bretton Woods, in de WTO en zelfs in de Europese Unie gaat de wil tot samenwerking achteruit, en progressieven kunnen daar niet gelukkig mee zijn. We zouden moeten weten waar dit toe kan leiden. Eenzelfde proces is trouwens in België zelf aan de gang. Eigen volk eerst, Vlaanderen zelfstandig: het beantwoordt aan precies dezelfde logica.

Wie pleit voor een andere mondialisering moet pleiten voor solidariteit én samenwerking. Niet voor het afstaan van bevoegdheden maar het delen ervan, voor subsidiariteit en sterke multilaterale. De Europese instellingen worden ons door veel progressieve bewegingen in de derde wereld benijd, precies omdat ze – met al hun tekortkomingen – een originele manier van internationaal samenwerken mogelijk maken. We zouden ze moeten koesteren, en tegelijk verbeteren.

(Uitpers, nr 88, 8ste jg., juli-augustus 2007)

Visited 11 Times, 1 Visit today

Tags :