Een geschiedenisboek met weinig respect voor regeringen

Howard Zinn, ‘Geschiedenis van het Amerikaanse volk’, EPO, Berchem, 2007

Dit is een geschiedenisboek ‘dat weinig respect heeft voor de regeringen maar veel eerbied toont voor het verzet van de gewone mens … de verpletterende berg geschiedenisboeken die de andere keuze maakten, kan echt wel wat tegengewicht gebruiken. In die boeken spat het respect voor staten en staatsmannen’ van de bladzijden; volksverzet wordt dan ook met het grootste misprijzen behandeld’ (p.825). Dit citaat vat het boek goed samen, het is immers géén klassiek geschiedenisboek. Een must voor wie de Verenigde Staten beter wil kennen en een absolute aanrader als geschenk voor de eindejaarsperiode!

In 1997 verscheen ‘Good Will Hunting’ in de bioscoop. De film gaat over de problemen die een hoogbegaafde jongeman heeft met zijn verleden. De kerel weet met zijn agressie geen blijf en moet na een zoveelste aanhouding verplicht in behandeling. Tijdens een van zijn consultaties geeft hij denigrerend commentaar op de boeken die zijn psychiater in de spreekkamer heeft staan. ‘Waarom heb jij hier geen echte boeken zoals ‘Manufacturing Consent’ van Noam Chomsky en ‘A People’s History of the United States’ van Howard Zinn!’ Hoofdrolspeler Matt Damon kreeg een Oscar voor dit samen met Ben Affleck geschreven scenario. De referentie naar Zinn en Chomsky had hij in het scenario verwerkt als eerbetoon aan twee personen waarvoor hij de hoogste achting heeft en die volgens hem in de massamedia te weinig aan bod komen.

Totale verwaarlozing

Ondanks een totale verwaarlozing door de Amerikaanse massamedia, slaagt dit boek er sinds zijn verschijning in 1980 in om jaar na jaar goed te verkopen, grotendeels door mond-aan-mond reclame en de laatste jaren meer en meer door promotie via internet. Zinn heeft er in de talrijke herdrukken telkens nieuwe hoofdstukken aan toegevoegd. De huidige Nederlandstalige editie eindigt bij het begin van de huidige invasie in Irak.

Deze Nederlandse vertaling is meer dan welkom. Zelf heb ik twaalf jaar terug de tot dan bijgewerkte versie van 1995 gelezen. Ik heb de Nederlandstalige versie echter met evenveel plezier gelezen. Het blijft immers boeiende lectuur die leest als een trein. Zinn heeft niets van zijn relevantie verloren, integendeel. Dit boek is als goede wijn, beter met de jaren. Het is bovendien aangenaam geschreven. Geen saaie opsommingen, geen droge analyses. Wie klassieke citaten zoekt van wijze staatsmannen, zal echter op zijn honger blijven zitten. Die staatsmannen worden wel geciteerd, maar dan met uitspraken die de mythe rond hun persoon ontkrachten. Zo leer je o.a. wat Abraham Lincoln écht over de slavernij dacht. Staatsmannen komen er bij Zinn dan ook bekaaid af, de gewone Amerikaan daarentegen …

Dat Howard Zinn met dit boek een andere geschiedenis heeft geschreven dan de klassieke hagiografieën die de gemiddelde Amerikaan op school voorgeschoteld krijgt, blijkt al onmiddellijk in het eerste hoofdstuk. Voor hem vat de geschiedenis van de VS immers niet aan bij de landing van de pelgrims op de kusten van Maine, maar veel vroeger bij een andere landing, die van Christoffel Columbus op een eiland dat hij met veel gevoel voor koloniale zelfingenomenheid ‘Hispanolia’ noemt (het huidige Haïti – Dominicaanse republiek).

Wat hij van de Arawak-Indianen vindt, die hem met open armen ontvangen, zet meteen de toon voor de rest van dit ontluisterende boek: ‘Ze dragen geen wapens en kennen er zelfs het bestaan niet van … Ze zouden uitstekende bedienden kunnen worden … Met slechts vijftig man zouden we hen kunnen onderwerpen en hen laten doen wat we willen.’ (p. 11) Een dag eerder had de grote ontdekker zijn respect voor het eigen ‘ras’ al laten blijken. ‘Matroos Rodrigo merkte op de ochtend van 12 oktober als eerste de witte, maanverlichte stranden op in de verte. De eerste die ‘land in zicht’ riep had recht op een jaarlijkse uitkering van 10.000 maravedi’s, maar Rodrigo zou er geen duit van zien. Columbus beweerde de avond voordien al land te hebben gezien en ging zelf met de beloning aan de haal’ (p. 13). In de VS is Columbus Day (12 oktober) een officiële feestdag.

Wat voor de meeste historici niet meer is dan een onbeduidend fait-divers, wordt voor Zinn de hoofdzaak. Welke rol speelde de gewone mens in de geschiedenis? Dat is voor hem de centrale vraag. Zinn legt zelf uit waarom dit zo belangrijk is. Alleen door hun eigen geschiedenis te kennen, hun mislukkingen én hun successen, kunnen gewone mensen hun lot in eigen handen nemen. Immers: ‘Het soort geschiedschrijving dat zich concentreert op de ‘Founding Fathers’ en de presidenten van de VS werkt beklemmend op de actiebereidheid van de gewone mens. Dat soort boeken suggereert immers dat de gewone mens in tijden van crisis moet uitkijken naar iemand die hen komt redden … Tussen die grote crisissen in leek de wereld peis en vree en dat moest voldoende zijn voor de gewone mens’ (p. 825).

Zo leer je ook dat wat vandaag terrorisme wordt genoemd oude wortels heeft. De Engelse kapitein John Mason besefte dat hij de Pequot-Indianen op Long Island niet aankon met zijn onervaren en onbetrouwbare troepen, maar had een oplossing: ‘Met een slachtpartij kun je hetzelfde doel bereiken en loop je minder risico’s. (p. 27). Hij vermeed een gevecht in regel en moordde hun dorpen met vrouwen en kinderen uit.

Klassieke historici doen dit soort voorvallen af als een noodzakelijk kwaad. Andere tijden, andere zeden is een veel gehoord argument. Zinn heeft daar een klaar en duidelijk antwoord op: ‘Als menselijke vooruitgang enkel mogelijk is door noodzakelijke opofferingen, is het dan teveel gevraagd het principe te hanteren dat wie opgeofferd moet worden daar zélf over beslist?’ (p. 30)

Zinn laat van dé oermythe van de VS, die van de Amerikaanse revolutie, geen spaander heel. ‘Omstreeks 1776 deden enkele vooraanstaanden in de Engelse kolonies een ontdekking die de volgende tweehonderddertig jaar heel belangrijk zou blijken. Ze ontdekten dat ze de winsten en de politieke macht konden overnemen van het Britse Rijk als ze een eigen natie oprichtten (p. 81). De gewone (toekomstige) Amerikaan zag dat anders en was allesbehalve enthousiast over die zogenaamde bevrijding: ‘De enorme accumulatie van rijkdom in enkele handen is een gevaar voor eenieders rechten en ondermijnt het collectieve geluk van de mensheid. Daarom zou elke vrije staat wettelijke beperkingen moeten invoeren tegen het verwerven van buitenissig bezit’ (p. 85). De gewone Amerikaan begreep trouwens zeer goed wat er aan de hand was. Talrijke arbeidersverenigingen waren actief en schreven hun ideeën uit. Onder andere de ‘Common Sense’ pamfletten waren zeer populair in de kolonies. In één van hen schreef Tom Paine: ‘De gemeenschap is een zegen in elke staat, maar een regering – zelfs de beste – is nooit meer dan een noodzakelijk kwaad (p. 93).

Zinn citeert ook zinnen uit de Onafhankelijkheidsverklaring die niet in klassieke geschiedenisboekjes worden besproken. Niet gestoord door de feiten, wisten de Founding Fathers hun mening over de oorspronkelijke bewoners zó te verwoorden: ‘(De Britse koning) heeft binnenlandse opstanden uitgelokt en zich ingespannen om de inwoners van onze grensstreken te laten aanvallen door de genadeloze indiaanse wilden, waarvan wij weten dat zij in hun oorlogsvoering geen enkel respect hebben voor leeftijd, geslacht of maatschappelijke rang’ (p. 97 – mijn onderlijning). Twintig jaar eerder had de kolonie Massachusetts de volgende richtlijn uitgevaardigd: ‘Voor elke scalp van een mannelijke indiaan … veertig pond. Voor elke scalp van en vrouwelijke indiaan of van een mannelijke indiaan jonger dan twaalf jaar die vermoord wordt … twintig pond’ (p. 97). Vier dagen na de onafhankelijkheidsverklaring werd de dienstplicht bij loting ingevoerd … Wie rijk was, kon eraan ontsnappen …

Heel boeiend is ook hoe Zinn uitlegt dat de Amerikaanse revolutie allesbehalve spontaan was en voor een deel een afleidingsmanoeuvre was voor de interne sociale problemen in de kolonies. De oorlog met het moederland was handig meegenomen om de aandacht af te leiden van die problemen. Zinn vat de revolutie zo samen: ‘Waren de stichters van de staat wijze en rechtvaardige mannen die op zoek gingen naar een goed evenwicht? De waarheid is dat ze helemaal geen evenwicht wilden, tenzij misschien één: een evenwicht dat alles bij het oude liet, een evenwicht waarbij de dominante klasse bleef doorwegen. Ze wilden in geen geval een rechtvaardig evenwicht tussen slaven en meesters, tussen grootgrondbezitters en landloze boeren, tussen indianen en blanken’ (p. 130).

De volgende hoofdstukken beschrijven de strijd van vrouwen voor gelijkberechtiging, het verzet tegen de slavernij, de genocide van de autochtone bevolking. Halliburton in Irak indachtig is de volgende passage relevant: ‘In het najaar van 1831 begonnen dertienduizend Choctaw de lange reis naar het Westen … het leger had hun tocht moeten plannen en voorbereiden, maar het speelde de opdracht door aan privé-firma’s die de indianen zo weinig mogelijk hielpen en de regering een gepeperde rekening voorlegden. De verhuizing verliep dan ook in een complete chaos. Voedsel verdween, honger sloeg toe’ (p. 175).

Het verschil tussen hoogdravende retoriek en realiteit is van alle tijden. De verovering van een derde van Mexico werd door de opeenvolgende presidenten afgedaan als een nobel streven, zoals het beschermen van Amerikaanse burgers. De invasie van Texas was echter al gepland nog voor het allereerste ‘incident’ plaatsgreep. De Mexicaanse bewoners van Texas ontvingen de Amerikaanse troepen trouwens allesbehalve als bevrijders en de zogenaamde bevrijding ging niet zonder horten of stoten. Een aantal Ierse regimenten, de situatie in hun thuisland indachtig, scheidde zich zelf af en streed aan de zijde van de Mexicanen.

Dat de slavernij een gruwel was, weet vandaag iedereen. Toch blijven de getuigenissen die Zinn aanhaalt zeer ontroerend. Hij citeert uit brieven aan familieleden die van elkaar worden gescheiden. Ondertussen toont hij aan dat de slaven allesbehalve ongeletterd waren. Het verzet van de slaven was ook veel beter gestructureerd en ideologisch onderbouwd dan de traditionele geschiedenisboeken laten uitschijnen. De burgeroorlog ging ook helemaal niet over de afschaffing van de slavernij: ‘De Noordelijke elite pleitte voor economische groei – vrije aankoop van gronden, vrije arbeid, hoge toltarieven om de eigen productie te beschermen, de oprichting van een Bank van de VS. Dat druiste allemaal in tegen de belangen van de slavenhouders in het Zuiden. Het leek alsof Lincoln en de republikeinen een einde wilde maken aan hun heerlijke, weelderige levensstijl’ (p. 231). ‘Het racisme was in de Noordelijke Staten even verankerd als de slavernij in het Zuiden. De oorlog zou beide opvattingen door elkaar schudden. Zwarte New Yorkers kregen slechts stemrecht als ze konden aantonen voor minstens 250 dollar aan eigendommen te beschikken (die voorwaarde gold niet voor blanken)’ (p. 232). Dat het Lincoln niet om de slavernij te doen was, zei hij expliciet: ‘Mijn hoogste betrachting is de eenheid van de Unie te redden en niet de slavernij te verlengen of af te schaffen’ (p. 234). Hij maakte dat ook onmiddellijk duidelijk in zijn beslissingen: ‘Toen het bevrijdingsbesluit van 1863 van kracht werd, kregen alle slaven uit de regio’s die op dat ogenblik nog in oorlog waren met de Unie de vrijheid’ (p. 235). Slaven in de staten die zich al hadden overgegeven en in de staten die aan de zijde van de Unie waren gebleven werden NIET bevrijd.

Interessant ook is te weten dat er een korte periode is geweest dat er wel degelijk vooruitgang werd geboekt. Tussen 1869 en 1902 werden talrijke zwarten verkozen in de deelstaten en het federale Congres. Racistische wetten en brute repressie beëindigden die korte emancipatieperiode. De Amerikaanse zwarten zouden 60 jaar moeten wachten voor er weer iets aan hun onderdrukking werd gedaan.

Ook het door velen zo geroemde Hooggerechtshof moet er bij Zinn aan geloven. Keer op keer blijkt dit orgaan alle emancipatorische initiatieven te blokkeren. Eerder dan een baken van de strijd voor burgerrechten liep dit orgaan steeds achter op de publieke opinie. Met voorbeeld na voorbeeld toont Zinn het Amerikaanse rechtssysteem aan het werk: ‘… als een arbeider die een contract voor één jaar had getekend vóór de contractueel afgesproken datum vertrok, had hij geen recht op loon … ook niet voor de periode dat hij effectief had gewerkt. Anderzijds moest een bouwonderneming die de contractueel afgesproken taken onvolledig had uitgevoerd toch betaald worden voor de opdrachten die hij wél had uitgevoerd (p. 293).

De nieuwe economische elite had ook zeer eigen opvattingen over patriottisme:‘J.P. Morgan zelf zou in de oorlog geen duim of oog verliezen: hij kocht zich voor 300 dollar vrij. Dat deden ook John D. Rockefeller, Andrew Carnegie, Philip Armour, Jay Gould en James Mellon. Mellons vader schreef aan zijn zoon: Je kunt best een patriot zijn zonder je eigen leven of gezondheid in gevaar te brengen. Laat anderen hun minder waardevolle leven maar op het spel zetten’ (p. 312). Het zal de Amerikaanse soldaten in Irak bekend in de oren klinken.

Kortom, uit heel dit boek blijkt dat de gewone Amerikaan allesbehalve de passieve underdog was die alles gewillig over zich heen liet gaan. De mythe dat er nooit een socialistische arbeidersbeweging zou hebben bestaan wordt volledig ontkracht. De arbeider in de VS was zijn medestrijders in Europa zelfs jaren voor. Waarschijnlijk heeft de sociale beweging in Europa baat gehad bij de lessen van de Amerikaanse arbeidersstrijd. 1 mei is trouwens begonnen als herdenking van een bloedig onderdrukte staking in Chicago!

Zijn traditionele collega-historici beweren verontwaardigd dat Zinn niets nieuw vertelt maar enkel een eigenzinnige, éénzijdige en vooringenomen selectie maakt. Zinn ontkent die selectiviteit niet! Hij wijst er echter fijntjes op dat zijn zogenaamde eenzijdigheid slechts een spiegel is van de traditionele vooringenomenheid van historici voor grote figuren, staatsmannen, veroveringen. Uit de reacties van lezers blijkt ook veel verontwaardiging … over het feit dat dit boek geen verplichte leerstof is op school!

Dit boek is zo rijk aan informatie, die je niet in de klassieke geschiedschrijving vindt, dat een samenvatting eigenlijk onbegonnen werk is. Hoewel elk van de beschreven periodes in andere meer specifieke werken ruimer aan bod komt, geeft dit boek echter een coherent overzicht van het geheel.

Van Columbus tot W. Bush in 25 hoofdstukken, rijkelijk voorzien van relevante citaten uit historisch bronnenmateriaal, met een nawoord speciaal voor deze Nederlandstalige editie, is dit zondermeer het beste en boeiendste geschiedenisboek over de VS dat ik ooit in handen had. Bovendien voegt de auteur achteraan een bibliografie toe (p. 847-872) waar voor elk hoofdstuk verwezen wordt naar andere auteurs en wetenschappelijke tijdschriften.

Je kunt bij dit boek alleen maar wegdromen als je bedenkt hoe de gemiddelde Amerikaan over de oorlog in Irak zou denken als hij/zij dit boek zou gelezen hebben …

Wie zich laat afschrikken door het volume van dit lijvige boek, niet geklaagd. Elk hoofdstuk leest zeer vlot afzonderlijk. Als je de laatste bladzijde omslaat, begrijp je beter wat er in de VS (en de wereld) gebeurt, waarom dat zo is en vooral, dat het wél zin heeft om zich niet bij de feiten neer te leggen. Verzet werkt wel degelijk, met veel vallen en opstaan, met heel wat mislukkingen maar ook met successen, want verzet werkt. Wie dit boek heeft gelezen, heeft respect voor de ‘gemiddelde’ Amerikaan en zijn/haar sociale geschiedenis.

De vertaling is met zorg uitgevoerd. Hier en daar heeft vertaler Jan Reyniers eerder zijn interpretatie gegeven dan letterlijk te vertalen en hij is daar aardig in geslaagd. Soms gaat dan wel een nuance verloren (bijvoorbeeld de oorspronkelijke titel ‘The People’s History of the United States 1492-Present’ is vertaald als ‘Geschiedenis van het Amerikaanse volk’) maar een kniesoor die daar over valt.

Het boek is ook zeer mooi uitgegeven, met op de omslag de beroemde posterfoto van Charles Ebbets van een aantal bouwvakkers hoog op een bouwwerf boven Manhattan tijdens de lunchpauze. Cliché? Néén, zéér goed gekozen, en bovendien is het in een aangenaam lettertype gedrukt. Dit boek hoort in elke gezin, in elk klaslokaal, in elke bibliotheek thuis!

(Uitpers, nr. 93, 9de jg., januari 2008)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=494687&refsource=uitpers