Een Afrikaans ‘j’accuse’

Boubacar Boris Diop. ‘L’Afrique au-delà du miroir’. Editions Philippe Rey, Parijs, 2007, 190 blz., 16 euro, ISBN 978-2-84876-068.

Boubacar Boris Diop (in 1946 in de Senegalese hoofdstad Dakar geboren) is niet alleen een begenadigde romancier, hij mag ook tot de betere leerlingen worden gerekend van zijn land- en naamgenoot Cheikh Anta Diop, een van de opmerkelijkste, antikoloniale, Afrikaanse denkers van de voorbije eeuw. (1)

Van Boubacar Boris Diop verscheen in 2006 de roman ‘Kaveena’ en dat was het verhaal van het ‘bloedpact’ tussen neokoloniaal Frankrijk en de Afrikaanse elites. Ook zijn jongste essaybundel ‘L’Afrique au-delà du miroir’ snijdt dit thema aan. Diop is ongemeen scherp voor het neokolonialisme en het racisme dat zich in Frankrijk weer complexloos in het pluche van de politiek en de salons heeft genesteld.

“De racisten hebben nooit de wapens neergelegd,” schrijft Boubacar Boris Diop. “Ze hebben alleen een aantal jaren het gevoel gehad dat ze zich wat discreter moesten opstellen.” Met een minister van Binnenlandse Zaken, die naar de naam Nicolas Sarkozy luistert en inmiddels tot president van de Franse Republiek is verkozen, is de tijd van de discretie voorbij. Sarkozy die ook burgemeester is van de Parijse voorstad Neuilly, waar nogal wat miljonairs en miljardairs resideren, is een man die verwijten als ‘rechts populist’, ’nationalist’, ‘doortastende racist’, ‘law-and-order-fanaat’ en ‘miljardairvriend’ als geuzennamen beschouwt.

Sarkozy is een overtuigde behoeder van het ‘fort Europa’ en Boubacar Boris Diop beschrijft hem niet echt flatterend.

 

Le Pen, de muze van Sarkozy

“De landen van het Noorden hebben vandaag twee grote angsten: het terrorisme en de immigratie. In werkelijkheid lijkt de bekommernis om de Europese publieke opinie gerust te stellen voortaan de bovenhand te halen op alle andere overwegingen. Het is wellicht al te naïef om hierbij over ethiek te beginnen, maar van een moderne staat mogen we toch een minimum aan rationaliteit verwachten. Op dit ogenblik hebben de politici op het Oude Continent slechts één obsessie en slechts één horizon: de komende verkiezingen in hun respectievelijke landen. Het komt er voor hen vooral op aan de indruk te wekken dat ze iets doen, want anders staan ze voor niets te gesticuleren. De Franse minister van Binnenlandse Zaken, Nicolas Sarkozy, doet dat met zijn typische kinbewegingen, zijn gefronste wenkbrauwen, zijn geblaf en zijn oneliners. Hij meet zich graag de allure aan van een groot en moedig staatsman, de enige in het land die eindelijk de gordiaanse knoop durft door te hakken. Hij stevent niettemin regelrecht af op dezelfde impasse als al zijn voorgangers. Hij doet het alleen met iets koenere pas, de borst vooruit, wat hem eerlijk gezegd aartsbespottelijk maakt. Het viel te verwachten dat een of andere ‘normale’ Franse politicus vroeg of laat op het geniale idee zou komen om de stellingen van het Front national over immigratie enige geloofwaardigheid te verschaffen. Als Sarkozy met Le Pen alleen maar zijn voorkeur voor beledigende, kwetsende en obscene uitlatingen gemeen zou hebben, zou niemand zich aan hem storen. Helaas zijn we verplicht om zijn wetsvoorstel {over de immigratie}, dat hij door het Franse parlement heeft gesluisd, zeer au sérieux te nemen. Deze wet heeft een aantal nieuwigheden in petto, onder andere de organisatie van taaltesten en de mogelijkheid om het intellectueel vermogen te onderzoeken van immigranten die door Frankrijk worden ‘uitgekozen’ om in het land te mogen blijven. Hoe zouden we bij dit alles niet terugdenken aan de tijd toen jonge ‘negers’ werden tentoongesteld op slavenmarkten, waar ze betast, gewogen en ‘uitgekozen’ werden – ook zij – enkel en alleen in functie van de verzuchtingen van hun blanke meesters? Afrikaanse artsen en ingenieurs aanzetten om tot groot voordeel van Frankrijk hun continent in de steek te laten, verergert de problemen, die men beweert op te lossen. Deze manier van denken is niet alleen excentriek, ze is ook van een huiveringwekkende brutaliteit. Want ze komt erop neer dat de Afrikaanse samenlevingen mogen creperen met opengesperde muil – Sarkozy heeft er immers niets mee te maken.”

Vreemdelingenhaat en negationisme

De wet Sarkozy legt strenge voorwaarden op aan nieuwe immigranten die naar Frankrijk komen en er een verblijfsvergunning aanvragen. “Die voorwaarden,” aldus Diop, “gaan trouwens allemaal uit van een vermoeden van schuld van de immigrant. Het wettelijke arsenaal wordt in stelling gebracht op basis van vooroordelen: de immigrant is een parasiet, hij zeult van bij zijn geboorte een cultuur van fraude met zich mee. Frankrijk moet hem beletten zijn leger vrouwen en kinderen te onderhouden met het geld van de Fransen, die niet te beroerd of te lui zijn om in het zweet huns aanschijns hun brood te verdienen. Er zal dus niet langer sprake van zijn om tot een regularisatie over te gaan voor mensen zonder papieren en de gezinshereniging zal een lang slagveld worden, waarop hard gevochten zal moeten worden. Hetzelfde geldt voor de buitenlandse studenten: ook zij zullen het veel moeilijker krijgen om zich in te schrijven aan de Franse universiteiten (…) Dit repressieve opbod wordt mogelijk – en politiek interessant – gemaakt door de vreemdelingenhaat die sinds enkele jaren de Europese samenlevingen aanvreet. Van verbaal geweld gaat men in Europa over tot politiebrutaliteiten en vervolgens tot brandstichtingen in Parijse appartementsgebouwen. De racistische moorden op zwarten en Arabieren in Parijs, Lyon, Antwerpen of Moskou beroeren zelfs de media niet langer” (…)

Boubacar Boris Diop wijst ook op een niet zo vreemde samenloop van omstandigheden in Frankrijk. Er was de wet Sarkozy op de immigratie en er was de beruchte wet van 23 februari 2005 over ‘de positieve rol van de Franse koloniale aanwezigheid’ (voornamelijk in Zwart-Afrika en Noord-Afrika). (2)

“De nieuwe wet {Sarkozy} werd trouwens voorgesteld als een gedeeltelijk antwoord op de revolte in de banlieues (voorsteden). De wet pakt – tot in zijn kleinste formuleringen – het vraagstuk van de integratie aan. Maar dat betekent meteen om moeilijkheden vragen: hoe kan men wetgevend werk verrichten over dit heikele onderwerp door tegelijk het koloniale verleden te verdoezelen, dat de Franse natie als een blok aan het been voortsleept? De weigering om dit pijnlijke verleden met enige sereniteit tegemoet te treden is moeilijk te begrijpen. De keuze om de slavenhandel en de koloniale erfenis van Frankrijk onder de mat te vegen, dreigt het debat over de immigratie en de revolte in de banlieues in een dovemansgesprek te veranderen. Het is trouwens nogal wiedes dat het woord ‘herinnering’ (‘geheugen’) niet voor iedereen dezelfde betekenis heeft in een land dat tot voor kort nog zo expansionistische was. Het is als gevolg van dat verleden dat iemand uit Aubersvilliers of Montreuil (3) van rechtswege Fransman kan zijn en zich toch de vraag stelt of hij wel de juiste huidskleur heeft.”

“Nochtans hebben de Blacks ‘die stinken’ volgens journalist-presentator Marc-Olivier Fogiel (4) en de ‘Untermenschen’ van de socialistische volksvertegenwoordiger Georges Frêche geen ander vaderland dan Frankrijk. Geen enkele bepaling van de wet Sarkozy is op hen van toepassing, maar ze voelen zich – veel meer dan hun andere landgenoten – aangesproken door het woord ‘vreemdeling’ dat in deze wet voorkomt. Ook al hebben ze vaak nooit een voet gezet op de Antillen, in Algiers of Abidjan, toch zijn zij erg geschokt door de wet op ‘de positieve aspecten van de kolonisatie’ en de schandalige en ronduit negationistische boeken over de slavenhandel. Zij spitsen de oren als ze het woord ‘Françafrique’ (5) horen vallen. Zij weten maar al te goed waarom hun ouders destijds naar Frankrijk zijn gekomen en waarom zij zich in dit land voelen alsof ze in een eeuwige valstrikt zijn gevangen geraakt. Hen moet niemand deze eenvoudige waarheid uitleggen: de plundering van de bodemrijkdommen van de emigratielanden door de Franse staat hield niet op toen deze landen onafhankelijk werden, wel integendeel. Deze plundertocht vereiste vaak Franse steun aan regimes – niet noodzakelijk dictaturen, zoals het voorbeeld van Senegal aantoont – die alle hoop van de jongeren de bodem hebben ingeslagen en een domper hebben gezet op hun jeugdige creativiteit. Zonder dat, hadden velen onder hen nooit gekozen om uit te wijken.”

‘Negrofobie’ en Rwandese genocide

In ‘L’Afrique au-delà du miroir’ zijn elf essays van Diop samengebracht – de eerste drie behandelen de door weldenkend Europa vergeten en gebanaliseerde genocide in Rwanda. De volkerenmoord in 1994 in dit kleine Centraal-Afrikaanse land was een gruwelijk moorddadige opstoot van racisme, dat zijn wortels heeft in de koloniale en neokoloniale overheersing.

Het eerste hoofdstuk van deze essaybundel – ‘Rwanda, contre l’habitude du malheur’ – behoort zonder meer tot de beste, hedendaagse Afrikaanse, politieke literatuur. Dit hoofdstuk bevat drie korte essays: ‘Génocide et devoir d’imaginaire’, ‘Yolande Mukagasana: parler avec les tueurs’ en ‘Kigali-Paris: le monstre à deux têtes’.

‘Génocide et devoir d’imaginaire’ gaat over de racistische orgie van geweld in Rwanda (in mei, juni en juli 1994 werden daar elke dag onophoudelijk 10.000 mensen op de meest barbaarse wijze vermoord), waarvoor het koloniale en neokoloniale systeem de hoofdverantwoordelijkheid dragen. De auteur heeft het over de rol van de schrijver bij de duiding en verwerking van zoveel gruwel. In 1995 behoorde Boubacar Boris Diop tot de initiatiefnemers van een uniek experiment. Tijdens het Afrikaanse literaire festival Fest’Africa in Lille besloten enkele Afrikaanse schrijvers met een aantal collega’s naar Rwanda te trekken om er met eigen ogen te gaan kijken wat er tijdens de genocide was aangericht. . Schrijfsters en schrijvers uit Burkina Faso, Ivoorkust, Tsjaad (twee auteurs), Kenia, Djibouti, Guinée, Senegal (Boubacar Boris Diop – zijn roman ‘Murambi, le livre des ossements’ kwam in 2000 uit bij de Parijse uitgeverij Stock) en Rwanda (twee auteurs: Jean-Marie Vianney Rurangwa en Venuste Kayimahe) legden hun literaire getuigenis af over Rwanda. Het experiment leverde niet minder dan tien (vaak zeer sterke) romans en non-fictieboeken op.

Fictie en realiteit

Over het kolonialisme als directe oorzaak van de Rwandese genocide schrijft Diop een aantal indrukwekkende bladzijden. Zo wijst hij op de verpletterende verantwoordelijkheid van het Belgische kolonialisme, dat de bevolking van Rwanda heeft opgedeeld in Hutu’s en Tutsi’s. Daarbij stelt hij de voor de hand liggende vraag of schrijvers van fictie (hij noemt het ‘l’imaginaire’) wel het best geplaatst zijn om over de Rwandese tragedie verslag uit te brengen. Diop geeft zelf het antwoord: “L’imaginaire is meer dan welke andere uitdrukkingsvorm gerechtigd om een genocide van deze omvang te beschrijven, temeer daar de recente geschiedenis van Rwanda het resultaat is van een conflict tussen fictie en realiteit. Alles is hier begonnen vanuit de fantasma’s van een bepaalde koloniale etnologie, die met een onvoorstelbare wetenschappelijke lichtvoetigheid een niet-Afrikaanse geschiedenis heeft uitgevonden voor een Afrikaans land.” Diop toont aan hoe de Belgische koloniale denkers en etnologen een volstrekt willekeurige en wetenschappelijk onverantwoorde etnologische opdeling van de Rwandese bevolking uit de hoed hebben getoverd. De Hutu’s (net zoals de Twa’s) zijn pygmeeën, over de Tutsi’s (die intellectueel superieur werden bevonden door de blanke ‘geleerden’) werden allerlei theorieën in omloop gebracht: nu eens zijn ze Hamieten die via de Nijl uit Egypte zijn gekomen; dan weer zijn de Tutsi’s Kaukasiërs en zelfs joden. Volstrekt van de pot gerukte theorieën, die er echter wel verantwoordelijk voor zijn geweest dat de Belgische kolonisten een strak etnologisch beleid voerden en zelfs etnische identiteitskaarten gingen gebruiken voor het gekoloniseerde volk. Gevolg: “Terwijl er in Rwanda geen etnie in de strikte term van het woord bestond, bracht de koloniale etnologie, die de heersende ideologie werd, de Rwandezen ertoe zichzelf te beschouwen als een bevolking die uit totaal verschillende rassen bestond.”

Elders in dit hoofdstuk laat Diop een van zijn Afrikaanse vrienden het allemaal nog eens zeer kernachtig samenvatten: “Ik heb getracht een en ander te begrijpen en ik heb een aantal dingen begrepen: namelijk dat de termen Hutu’s en Tutsi’s geen betrekking hebben op etnieën en dat er nooit een ‘genocidair proces’ heeft bestaan in de periode voor het kolonialisme. Dat bij de dekolonisatie België de voorwaarden heeft geschapen voor dit politieke massageweld; dat Frankrijk het genocidaire regime politiek heeft gesteund, bewapend en militair getraind; dat de internationale gemeenschap een medeplichtige passiviteit heeft tentoongespreid.”

Mitterrand en de ‘genocidaires’

Diops tweede essay (‘Yolande Mukagasana: parler avec les tueurs’) laat de Afrikaanse en Europese lezer op een heel concrete manier de genocide meebeleven. Mukagasana heeft haar kinderen zien uitmoorden (met de machete in stukken gehakt). In 1997 heeft ze haar gruwelijke ervaringen neergeschreven in ‘La mort ne veut pas de moi’. In 2001 volgde een tweede boek: ‘Les blessures du silence’ (over haar ontmoetingen met genocidaires die in de Rwandese gevangenissen op hun proces wachten). Diop schreef het voorwoord. Het werd door de Franse uitgever, Actes Sud, geweigerd. Reden voor deze botte (koloniale) censuur: Diop had in zijn tekst François Mitterrand en zijn entourage beschreven als handlangers van de Rwandese volkerenmoordenaars. In de seculiere Republiek Frankrijk is de president God en dus boven elke verdenking verheven.

Ook het derde Rwanda-essay (‘Kigali-Paris: le monstre à deux têtes’) is een vlijmscherpe aanklacht tegen het monsterverbond tussen het genocideregime in Kigali en de neokoloniale zetbazen in Parijs.

Frankrijk heeft de milities van de volkerenmoordenaars bewapend en getraind. En het Franse presidentiële paleis heeft niets ondernomen om ze tegen te houden. Toen Bernard Kouchner (vandaag minister van Buitenlandse Zaken van Sarkozy) Mitterrand in 1994 op de ernst van de toestand wees en vooral op de ernst van de misdaden die de Franse bondgenoten in Rwanda aan het begaan waren, antwoordde de Franse, socialistische president met de racistische opmerking: “Ce sont les seigneurs contre les serfs” (Het zijn de heren tegen de lijfeigenen) – waarbij de seigneurs uiteraard de Tutsi’s waren (die met honderdduizenden in moten werden gehakt).

Op de Frans-Afrikaanse top in Biarritz in november 1994 stelde een journalist Mitterrand (op dat ogenblik geflankeerd door Mobutu) een vraag over de Rwandese genocide. Zijn antwoord was van een verbluffende blank-kolonialistische arrogantie: “Over welke genocide heeft u het meneer? Die van de Hutu’s tegen de Tutsi’s of die van de Tutsi’s tegen de Hutu’s?” Enkele minuten later zei Mitterrand tegen iemand van zijn entourage – zonder te beseffen dat er nog journalisten meeluisterden: “Die journalist die me over Rwanda aansprak, die heb ik eens goed op zijn nummer gezet, nietwaar?”

Verbitterde commentaar van Diop: “En de man die deze woorden uitsprak was de enige staatsleider ter wereld, tegenover wie de genocidaires het niet hadden durven wagen zich ongehoorzaam te tonen. Met één telefoontje had Mitterrand honderdduizenden mensenlevens kunnen redden. Maar dat deed hij niet.”

Op hetzelfde ogenblik hadden de Franse militairen in Rwanda met hun ‘Opération Turquoise’ hun belangrijkste opdracht tot een goed einde gebracht: ze lieten grote delen van de genocidemilities naar het naburige Zaïre ontsnappen, waar ze hun werk ongestoord konden voortzetten.

Mitterrand, zijn omgeving en de Franse media speelden nadien een cruciale rol bij de ontkenning van de genocide in Rwanda en bij de pogingen om de verantwoordelijkheid ervan af te schuiven op ‘de Rwandezen’ en bij uitbreiding op ‘alle Afrikanen’. Het goorste racisme was hierbij toegestaan (“Afrikanen zijn nu eenmaal kannibalen, bloeddorstige aanhangers van een ‘geweldcultuur’” – “Afrika is zo, meneer, en het zal nooit veranderen…”). Diop citeert Bruno Delaye, een van de Afrika-adviseurs van Mitterrand tijdens de Rwandese genocide. Zijn stelling luidt: “Les Africains sont comme ça”. Delaye werd ooit door de Franse journalist Patrick de Saint-Exupéry geconfronteerd met de vraag waarom er ministers van het Rwandese genocideregime in Parijs waren ontvangen, terwijl er honderdduizenden lijken in de Rwandese heuvels lagen weg te rotten… Antwoord van Delhaye: “Sinds ik hier zit, heb ik al vierhonderd moordenaars en tweeduizend drugstrafikanten moeten ontvangen. Zo is dat met Afrika, onmogelijk om zijn handen niet vuil te maken…”

‘Kigali-Paris: le monstre à deux têtes’ is een aanklacht die in schoolboeken en universiteitscursussen thuishoort. Emile Zola, de auteur van ‘J’accuse’ zou deze tekst zonder twijfel hebben gekoesterd.

(Uitpers, nr 88, 8ste jg., juli-augustus 2007)

Noten:

(1) Boubacar Boris Diop heeft in deze bundel ook zijn uitstekende essay ‘Le Sénégal entre Cheikh Anta Diop et Senghor’ opgenomen. Daarin maakt hij de vergelijking tussen Senghor, de francofiele intellectueel, dichter en later president van het neokoloniale Senegal, en Cheikh Anta Diop, zijn grote voorbeeld en compromisloos antikoloniaal denker. De auteur wijdt voorts een uitermate boeiende tekst aan de Afrikaanse literatuur en de rol van de Afrikaanse schrijvers (‘Écris et… tais-toi’) en laat de lezer kennis maken met de Kameroense antikoloniale auteur Mongo Beti.

(2) Op 23 februari 2005 keurde de Franse Assemblée générale een wet goed, waarin het Franse koloniale verleden volledig werd gerehabiliteerd (‘la loi sur les aspects positifs de la colonisation’). In artikel 1 van de wet luidde het: “de natie drukt haar erkentelijkheid uit ten aanzien van alle vrouwen en mannen die hebben deelgenomen aan het werk dat Frankrijk heeft verricht in de voormalige Franse departementen Algerije, Marokko, Tunesië en Indochina en in de territoria die destijds onder Franse soevereiniteit werden geplaatst.”

En Artikel 4: “De programma’s van het universitaire onderzoek kennen aan de geschiedenis van de Franse overzeese aanwezigheid, meer bepaald in Noord-Afrika, de plaats toe, die zij verdient. De onderwijsprogramma’s erkennen in het bijzonder de positieve rol van de Franse overzeese aanwezigheid, meer bepaald in Noord-Afrika, en kennen aan de geschiedenis en de offers van de soldaten van het Franse leger in deze gebieden de vooraanstaande plaats toe, waarop ze recht hebben.”

Na scherpe protesten moest president Jacques Chirac bakzeil halen en werd het artikel 4 uit deze wet geschrapt.

(3) Aubervilliers en Montreuil zijn twee Parijse voorsteden, waar het in het recente verleden herhaaldelijk tot ernstige incidenten is gekomen tussen ordestrijdkrachten en banlieuesjongeren.

  1. Marc-Olivier Fogiel (in Frankrijk een begrip, zodat zijn naam al wordt ingekort tot MOF) is een populaire televisiepresentator van succesprogramma’s als ‘On ne peut pas plaire à tout le monde’ en ‘On ne pouvait pas le rater’ (zijn kijkcijfers lopen in de miljoenen). In 2003 werd hij veroordeeld wegen racisme. Hij had een SMS-bericht gestuurd naar de Frans-Kameroense komiek Dieudonné met de boodschap: “Zou jij er kunnen mee lachen als we een sketch zouden maken over de stank die de zwarten verspreiden?”
  2. ‘Françafrique’ is een term die antikolonialistische militanten, activisten, journalisten en onderzoekers hebben bedacht voor het Franse neokoloniale systeem dat door de Gaulle en zijn omgeving in Afrika werd geïnstalleerd om neokoloniale regimes zoals dat van Bokassa, Houphouët-Boigny, Hassan II, Mobutu en andere in het zadel te helpen of te houden. Ook tijdens het veertienjarige presidentschap van de socialist Mitterrand bleef ‘la Françafrique’ wat het altijd geweest was. Spilfiguur in dit systeem was Jacques Foccart, die koloniaal adviseur is geweest van alle Franse presidenten sinds de Gaulle, Mitterrand incluis. (Foccart overleed in 1997 op zeer hoge leeftijd).

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=677900&refsource=uitpers

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel