“Doden van journalisten moet oorlogsmisdaad worden”

De pers heeft het niet gemakkelijk gehad in Irak. Bijna twintig journalisten kwamen er om (zie Uitpers, nr. 45 van september). De problematiek heeft de journalistenorganisaties aan ht denken gezet. Een gesprek hierover met Aidan White, de secretaris-generaal van de in Brussel gevestigde International Federation of Journalists, die wereldwijd zowat 150.000 journalisten vertegenwoordigt.

De voorbije maanden zijn in de oorlog tegen Irak vele journalisten en cameramensen gedood. Wat is er aan de hand?

Het totale aantal mediamensen dat in Irak werd gedood beloopt zowat twintig. Dat is echt een hoog aantal. Het verlies van zo vele mediamensen in zo’n korte periode is één van de bloedigste gebeurtenissen in de media-geschiedenis.

Het roept zeer, zeer ernstige vragen op. Niet alleen betreffende de veiligheid van de journalisten, maar ook over de rol van de media in een conflict. In het bijzonder in Irak hebben we gezien dat de media werden gebruikt als een deel van het oorlogsvoeringsproces zelf. We zien ook dat de mediamensen slachtoffer werden van dat proces. Dit maakt ons ten zeerste bezorgd. Dit zijn twee ernstige ontwikkelingen.

Als we zien hoe de media werden gebruikt, dan zien we een zeer gevaarlijke trend.

Er opereren twee types van journalisten in Irak. De eerste soort journalisten zijn de zogenaamde "embedded journalists" ( "ingekwartierde journalisten"), degenen die met de militairen, onder militaire bescherming, optrekken. Dat soort journalisten heeft altijd bestaan. Maar volgens de Geneefse conventies verliest de journalist die onder militaire bescherming reist zijn rechten als onafhankelijk burger. Verder is het duidelijk dat dergelijke journalisten slechts kunnen doen wat de militairen hen laten zien en kunnen ze slechts gaan waar de militairen hen laten gaan. Ze zijn dus aan beperkingen onderhevig. Zowat 600 journalisten werkten op deze manier.

De tweede groep journalisten bestond uit journalisten die alleen en onafhankelijk werkten, zonder militaire bescherming. Hun doel was een aanvullend beeld te geven. De meeste grote media-organisaties zoals de BBC, CNN, Reuters probeerden mensen bij de militairen te hebben en andere die onafhankelijk werkten om te verzekeren dat de oorlog ten minste enigzins onafhankelijk zou worden verslaan.

Is het niet zo dat de meest slachtoffers vielen onder de onafhankelijke journalisten?

De meeste slachtoffers waren inderdaad onafhankelijke journalisten, die zonder directe militaire bescherming werkten. Ook enkele ingekwartierde journalisten werden gedood. Zij waren oorlogsslachtoffers die in kruisvuur terechtkwamen.

Er waren twee of drie incidenten, waarin onafhankelijke journalisten omkwamen, waarbij men zich ernstige vragen kan stellen. Ze kwamen niet om in kruisvuur, noch in zogenaamd "vijandelijk vuur". Ze werden gedood door de coalitiestrijdkrachten. Er zijn drie incidenten die zeker verder en onafhankelijk onderzoek verdienen.

Het eerste is de aanval door coalitiestrijdkrachten op een cameraploeg juist buiten Basra. Daar werd in volle daglicht een tv-voertuig, gemarkeerd met de letters TV, aangevallen. Een Britse journalist werd gedood, twee journalisten worden nog vermist. We hebben nog altijd geen duidelijke verklaring van hoe dat kon gebeuren. We weten alleen zeker dat er iets serieus verkeerd ging. We weten niet wat, maar er is duidelijk een grondig onderzoek nodig.

Het tweede geval, wellicht het meest schokkende voor alle journalisten, was de aanval op het Palestine Hotel, toen een Amerikaanse tankgranaat het hotel trof. Twee journalisten werden gedood, drie werden ernstig gewond. Zelfs nu hebben we nog altijd geen goede verklaring. De Amerikanen hebben hun eigen onderzoek gevoerd en, eerlijk gezegd, het werd een cynisch witwassen van wat er gebeurde.

We kregen geen verklaring waarom het Palestine Hotel, een van de hoogste gebouwen in Bagdad, midden in de dag, werd beschoten. Van buiten was duidelijk te lezen dat het het Palestine Hotel was en het was bekend dat er tot 200 journalisten logeerden en dat er journalisten op de balkons met camera’s werkten. De uitleg dat het een ongeval was is totaal onaanvaardbaar. We willen weten waarom de militaire bevelhebbers, die wisten dat het hotel vol journalisten en burgers zat, hun operationele eenheden daar niet van op de hoogte brachten. De man die de trekker in die tank overhaalde en journalisten doodde was niet gezegd dat het gebouw een hotel met journalisten was. Hij dacht: ten aanval. Dat is een perfect redelijke reactie. Maar als hij geweten had dat het om een hotel vol journalisten ging, dan zou hij niet verrast zijn geweest door de vele mensen met camera’s en verrekijkers aan de ramen en zou hij niet geschoten hebben. Waarom werd de soldaten niets verteld?

Wat ons betreft doet dit aan grove nalatigheid denken. In een burgerlijke maatschappij zouden de verantwoordelijken worden vervolgd voor doodslag. Vele journalisten zijn uiterst boos over die zaak omdat ze aantoont dat er geen enkele rekening werd gehouden met de veiligheid van de journalisten.

Gaat het om een ongeval of wilden de coalitiestrijdkrachten niet weten van onafhankelijke journalisten?

Ik denk dat de coalitiestrijdkrachten echt geïrriteerd waren door de aanwezigheid van onafhankelijke journalisten. Ze wilden journalisten die ze konden controleren, journalisten van wie ze kunnen zeggen: "We weten waar ze zijn ."

Het derde geval is de aanval op het kantoor van Al-Jazeera in de ochtend van dezelfde dag van de aanval op het Palestine Hotel. Al-Jazeera had op voorhand haar coördinaten aan de Amerikanen gegeven. Ze zegden hen: "Dit zijn onze kantoren, dit is de plaats waar we zijn. Stop ze in uw computers, uw computergeleide artillerie voor precisiebombardementen zal ons kunnen identificeren. Val ons niet aan." Maar ze werden aangevallen. Een jaar eerder was er al een gelijkaardige aanval op de kantoren van Al-Jazeera in Kaboel. Dat doet de vraag rijzen of Al-Jazeera niet bewust als doelwit werd genomen.

Ze zeggen dat er zich strijders onder de journalisten hadden gemend?

Daar zijn geen bewijzen voor. Dit is nonsens. Eén van onze problemen is dat ze kunnen zeggen wat ze willen. En wij kunnen dan maar zeggen: "Daar is geen bewijs voor". De enige manier om de kloof te dichten tussen wat wij zeggen en wat zij zeggen, is een onafhankelijk onderzoek naar wat er gebeurd is. Totnogtoe waren het militairen die militairen onderzochten en, zal het u verrassen?, we zien dat hun rapporten hun soldaten op het terrein vrijpleiten.

Mijn visie in deze kwestie is duidelijk. Ik geloof niet dat de soldaten ter plekke moeten worden geblameerd in deze zaken. Ik geloof niet dat individuele soldaten of tankcommandanten, die in verschrikkelijke omstandigheden leven en vechten, met de vinger moeten worden gewezen. Ik geloof niet dat ze journalisten als doelwit kozen. Maar het is duidelijk dat bevelhebbers en militaire en politieke leiders het hun strijdkrachten niet goed duidelijk hebben gemaakt dat de media moeten worden beschermd en niet mogen worden aangevallen, dat journalisten burgers zijn die speciale aandacht verdienen. Ze proberen zelfs niet eens hun soldaten op te leiden voor zulke situaties.

Het laatste voorbeeld is dat er verschillende doden bij de media vielen nadat het einde van de oorlog was uitgeroepen, en dat is een tragedie. De dood van [de Palestijnse journalist] Mazen Dana is weer een goed voorbeeld van wat lijkt op criminele nalatigheid van de kant van de militaire autoriteiten. Een ploeg van Reuters is op pad om iets bij de gevangenis te onderzoeken. Ze informeren de soldaten over wat ze aan het doen zijn. Ze vroegen toelating om te filmen en kregen de toelating. Mazen Dana is een doorwinterde en voortreffelijke veteraan in de journalistiek. Hij weet wat hij doet. Hij heeft zich vastgebeten in de tragedies van het Midden-Oosten en weet er alles van. Hij deed alles wat hij kon om de militairen te informeren. En wat gebeurt er? Ze worden aangevallen. In volle daglicht. Een journalist met een camera. De soldaten zegden: "We dachten dat het een raket- of granaatwerper was." Dat is weer een totaal onbevredigend antwoord. Opnieuw wordt ons gezegd dat er een onderzoek zal gebeuren. Wie gaat dat onderzoek doen? De militairen. Dat is totaal onaanvaardbaar.

Al die gevallen hebben de International Federation of Journalists (IFJ) ervan overtuigd dat er een totaal nieuwe benadering nodig is over de vraag hoe moet worden omgegaan met mediaslachtoffers in conflicten.

Wat kan er worden gedaan om nieuwe doden te voorkomen?Wat is de bevoegdheid van de IFJ in deze kwestie? Wie kan er een onafhankelijk onderzoek instellen: de Verenigde Naties, juridische instituten? Wat kan er worden gedaan dat meer is dan symbolisch protest?

De Irak-oorlog en recente gebeurtenissen in het Midden-Oosten hebben de journalisten ervan overtuigd dat er in praktijk meer moet worden gedaan. Wat kunnen we doen? Het eerste wat kan is het versterken van het internationaal recht, van de Geneefse conventies. Wat ons betreft is het duidelijk dat journalisten tot doelwit nemen in een conflict een oorlogsmisdaad zou moeten zijn. Dat zou duidelijk moeten worden bepaald.

Ten tweede, ook nalatigheid wat betreft de bescherming van de veiligheid van journalisten en burgers zou een oorlogsmisdaad moeten worden. Momenteel blijkt dat niet duidelijk uit de internationale regels en wetten.

De derde zaak die van extreem belang is, is de noodzaak aan een onafhankelijke autoriteit die de dood van journalisten, om het even waar, zou kunnen onderzoeken. Dit internationaal lichaam of autoriteit zou een wettelijke basis moeten hebben. Dit lichaam zou moeten worden opgericht met politieke steun en zou de bevoegdheid moeten hebben om op onafhankelijke wijze bewijzen te verzamelen om de zaken te onderzoeken zoals het hoort. We hebben gevallen gehad in Irak, maar ook op de Westelijke Jordaanoever, in de [door Israël] bezette gebieden. Ook daar zijn er duidelijke bewijzen van aanvallen op journalisten en het doden van journalisten, doelbewust of door nalatigheid. Totnogtoe is het absoluut onmogelijk een ernstig onderzoek in te stellen.

Het lijkt me uiterst eigenaardig dat de enige staat in het Midden-Oosten die zich een democratie noemt, de staat Israël, juist de staat is die onafhankelijk onderzoek en verificatie van de actie van zijn soldaten en militairen niet toelaat. Dat is zeer teleurstellend.

Na de dood van Mazen Dana boden de militaire autoriteiten hun verontschuldigingen aan bij zijn familie. Betekent dat niet dat ze toegeven dat ze een vergissing begingen?

Als er iets verschrikkelijks gebeurt, dan volgt er een menselijke reactie. Onmiddellijk na de aanval op het Palestine Hotel besefte de hoogste bevelhebber, die wist wat er gebeurd was, de ernst van de zaak. Hij beval alle soldaten niet meer te vuren op het hotel, ook al zouden ze onder artillerievuur komen! En binnen het uur was het Palestine Hotel omringd door Amerikaanse tanks en soldaten, die het meer bescherming gaven dan bijna enig ander gebouw in Bagdad. Natuurlijk, het is duidelijk dat de soldaten en de militairen betreurden wat er gebeurd was. En ik denk dat ze verschrikkelijk inzaten met wat met Mazen Dana overkwam. Wat ons betreft echter gaat het niet om de kwestie van spijt, maar wel om de kwestie van het gebrek aan militaire discipline, het gebrek aan eerbied voor de democratie en voor de journalistiek. Dat is de voornaamste oorzaak dat er zo’n dingen gebeuren. En dat is onaanvaardbaar.

We stellen het op prijs dat de Amerikaanse autoriteiten hun verontschuldigingen aanboden na de dood van Mazen Dana. Ze verontschuldigden zich ook na de dood van de journalist van Al-Jazeera. Ze betreurden wat gebeurde in het Palestine Hotel alhoewel zij er de verantwoordelijkheid niet voor opnamen. Voor ons dat niet genoeg. Zij moeten de verantwoordelijkheid voor de acties van hun soldaten opnemen en ze moeten ook de verantwoordelijkheid opnemen voor het niet ernstig nemen van het leven van burgers, in het bijzonder van journalisten.

Maar ze zeggen: "Het is oorlog". Is oorlog compatibel met eerbied voor de mensenrechten?

Ik denk niet dat oorlog het moment is om de democratische rechten op te schorten. Het is het moment niet om de mensenrechten op te schorten. De hele opzet van de Conventies van Genève bestond er juist in regels op te stellen om, in de naam van de menselijkheid, bepaalde elementaire rechten van mensen in oorlogstijd te beschermen. Het lijkt me onaanvaardbaar te zeggen, zelfs in oorlogstijden, dat we ons democratisch recht moeten opgeven om te weten wat er gebeurt, om te onderzoeken, om te kijken naar vergissingen die werden begaan.

(Uitpers, nr. 46, 5de jg., oktober 2003)

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 60 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook