Djibouti: multinationaal vliegdekschip

Sommige landen zijn gegeerd om hun bodemrijkdommen; andere, zoals Djibouti, omwille van hun strategische ligging. Djibouti, aan de Hoorn van Afrika, huisvest momenteel een Amerikaans hoofdkwartier van de War on terror. Er legeren duizenden Westerse militairen.

“Mijn land is een multinationaal vliegdekschip”, zegt oppositieleider Mohamed Kadamy, “en paradoxaal genoeg belemmert dat de democratie en ontwikkeling van Djibouti”. Een interview.

Kadamy’s partij Front pour la Restauration de l’Unité et de la Démocratie (FRUD) congresseerde in november in Brussel samen met andere vertegenwoordigers van de oppositie (“civiel en gewapend”) uit Djibouti. Ze analyseerden de situatie in hun land en planden een nieuwe, grotere bijeenkomst voor begin 2004. De oppositie is zich in ballingschap aan het hergroeperen. In Djibouti zelf krijgt ze geen bewegingsvrijheid.

Mohamed Kadamy: Er is nog een interne oppositie, gegroepeerd in de Union pour l’Alternance Démocratique (UAD), waarin vier partijen zitten, zo onder meer de Mouvement pour le Renouveau Démocratique (MRD) die ook een afgevaardigde naar Brussel stuurde. Die coalitie heeft in januari meegedaan aan de verkiezingen. Een fractie van mijn partij de FRUD is in 1994 overgelopen naar de regering. Je hebt in deze streken nu eenmaal dissidentie, die vaak door de regering wordt uitgelokt. Zij hebben twee ministers maar die hebben niet de minste invloed op de toekomst van het land. Ze zijn figuranten.

Wie is president Ismail Omar Guelleh?

Mohamed Kadamy: Het is een politieman, geschoold door de Fransen.Hij houdt zich sinds de onafhankelijkheid van Djibouti in 1977 bezig met de veiligheid. Hij is bijzonder berucht. 24 jaar lang was hij chef van de binnen- en buitenlandse veiligheidsdienst. Hij was ook de neef van de eerste president Hassan Gouled Aptidon, en volgde hem op in 1999. Hij was betrokken bij alle schandalen, afpersing van burgers, maar ook zware schendingen van de mensenrechten. Hij denkt dat een politicus pas echt iemand is wanneer hij een palmares van repressie kan voorleggen.

Hij volgt niet echt een politieke doctrine. Hij volgt de meest biedende. Komen de Verenigde Staten vandaag met een belangrijk hulppakket, dan volgt hij hen. Komt morgen een ander land met substantiële hulp, dan staat hij aan die kant. Hij volgt geen standvastige politiek. Maar de constante in zijn beleid is repressie.

De president verklaarde dat hij met zijn beleid binnen het “raamwerk van IMF en Wereldbank” blijft. Is dat te merken?

Mohamed Kadamy: Vooreerst, dit regime is één grote politieke mislukking, omdat het er niet in geslaagd is Afars en Somalis te laten samenwonen. Er is etnische vervolging. Er is geen politiek pluralisme. Ook de partijen die in september 2002 wettelijk zijn toegelaten, krijgen geen autonomie. Politieke leiders worden opgesloten. Maar ook economisch is het een catastrofe, omdat er zich een maffia-systeem installeert. De president en zijn entourage hebben de economie in handen. En ze aarzelen niet elke onderneming kapot te maken die te autonoom zou worden. Voorts: de ambtenaren worden vaak niet betaald, en de sociale ellende is flagrant in Djibouti. Het gezondheidssysteem, dat goed was bij de onafhankelijkheid, is totaal vervallen. In het hoofdziekenhuis van Djibouti vind je geen kleefpleisters meer. En in de streken die geleden hebben onder de oorlog, is het nog veel erger. De bevolking heeft geen drinkwater. Ze staat dicht bij de hongersnood. Dat is betreurenswaardig: er zijn vandaag duizenden Westerse soldaten in het land, maar de bevolking lijdt dorst. Dus, de president plooit zich naar de richtlijnen van de Wereldbank, maar van een verbetering van de situatie voor de bevolking is geen sprake.

Hoe zit het met die buitenlandse troepen?

Mohamed Kadamy: De republiek Djibouti is een klein land van 23.000 km2 in Oost-Afrika. Het ligt tussen Ethiopië en Somalië, en tegenover Jemen. Er wonen circa 600.000 mensen, vooral Afars en Somalis en een minderheid van jemenitische origine.

Sommige landen zijn gegeerd voor hun bodemschatten, maar andere landen vanwege hun geografische ligging. Dat geldt zeker voor Djibouti. Het kijkt uit over de zeeëngte van Bab El Mandeb die de grens vormt tussen de Rode Zee in het Noorden en de Golf van Aden en de Indische Oceaan in het Zuiden, met andere woorden: ‘s werelds belangrijkste petroleumroute.

Er bevindt zich al van tijdens de kolonisatie een Franse militaire basis. Na de onafhankelijkheid in 1977 is er een Frans garnizoen gebleven van 3000 soldaten. Nu hebben de Fransen er minstens 4500 soldaten.

Na 11 september 2001 is het strategisch belang van Djibouti nog toegenomen. De internationale coalitie tegen het terrorisme vond dat er nog meer troepen naar Djibouti moesten. Eerst heeft Duitsland 1500 manschappen ‘geprepositionneerd’. Spanje stuurde 400 militairen. En met de oorlog tegen Irak kreeg Djibouti uitzonderlijk belang, vermits de Verenigde Staten er 1800 elite-soldaten hebben gestationeerd die er lang zullen blijven. De VS hebben er ook een ‘Counter-Terrorism’-centrum gevestigd. Djibouti was met andere woorden een Frans vliegdekschip, maar nu is het een multinationaal vliegdekschip geworden.

Zijn er nog altijd Spaanse en Duitse troepen aanwezig?

Mohamed Kadamy: Ze zijn er nog altijd. Ze patrouilleren voor de kusten van Djibouti en tot in de Rode Zee en de Indische Oceaan, tegen de infiltratie van Al-Qaeda-elementen. Maar ze zijn ook in de haven en in de stad Djibouti.

Welke eisen stelt u ten aanzien van die troepenmacht, gezien haar omvang en vermits ze volgens u zo verbonden is met de problemen van Djibouti?

Mohamed Kadamy: Zelfs al liggen de Westerse troepen niet aan de basis van de problemen, ze hebben effectief niets anders gedaan dan het regime versterken. Wat wij daarom vragen aan de landen die nu troepen in het land hebben, is: laat uw hulp afhangen van de democratisering in het land en oefen echte invloed uit op die democratisering. Want het valt niet te ontkennen: de situatie van onstabiliteit is slecht voor het land maar ook voor de Westerse troepen.

Uit een interview met president Ismail Omar Guelleh:

Q: So you have benefited from having the US military base in Djibouti?

A: Well we didn’t put out any advertisements! But undoubtedly we have benefited from this. The USAID people are so rigorous, if they hadn’t approved of the situation in Djibouti, if they hadn’t found a favourable climate, a transparency – they would not be coming. They are particularly looking at the field of education, but also health issues.

Irin, 29 oktober 2003

Mohamed Kadamy: Paradoxaal genoeg speelt de aanwezigheid van Westerse troepen niet in het voordeel van de democratie, de sociale situatie van de mensen of de mensenrechten. Er is al een kwarteeuw een dictatuur aan het bewind en de aanwezigheid van buitenlandse troepen versterkt juist de dictatuur en zet een rem op de democratisering. De buitenlandse militaire aanwezigheid betekent immers economische steun voor de dictatuur, die op een maffia-achtige manier wordt beheerd. Die steun laat toe dat het regime zich sterker opstelt tegenover de democratische strijd en de bevolking meer en meer in de verdrukking brengt.

U zei dat de oppositie ook een gewapende arm heeft?

Mohamed Kadamy: Dat klopt, al zijn er vandaag geen gewapende botsingen meer met het leger (in 2001 hebben beide partijen een “vredesakkoord” getekend, rc.). De oppositie probeert ook een legale façade te hebben. Ze heeft meegedaan aan de parlementsverkiezingen van januari 2003. Maar zoals te verwachten, is er op grote schaal verkiezingsfraude gepleegd. Er is geen verandering gekomen via de verkiezingen, ook omdat het regime over een grote repressie-macht beschikt van 20.000 man voor een bevolking van 600.000 mensen.

De rapporten van Amnesty International en andere organisaties spreken voor zich. Ze maken melding van massale schendingen van de mensenrechten, willekeurige arrestaties, folteringen, afpersing, verkrachting van vrouwen en in het bijzonder Afar-vrouwen door het leger. Al die schendingen zijn nooit echt aan de buitenwereld bekendgemaakt. Eén van de objectieven van onze bijeenkomst in Brussel is juist de bevolking van Djibouti en de publieke opinie in Europa en de Verenigde Staten daarover te informeren.

In september heeft president Guelleh vele duizenden mensen het land uitgewezen. Hij ontkent dat hij onder Amerikaanse druk heeft gehandeld. Hoe staat u daartegenover?

Mohamed Kadamy: 100.000 mensen zijn uitgewezen, één zesde van de bevolking. Het waren zogenaamd sans-papiers, buitenlanders. Maar dat klopt dikwijls niet. Er zijn ook veel Djiboutiens die geen papieren hebben. Veel van die mensen hebben zich generaties geleden in Djibouti gevestigd. Ze zouden een normaal leven moeten kunnen leiden in het land. Dit was dus één van de meest dramatische schendingen van de rechten van de mens. Wij als FRUD hebben deze massale uitwijzing scherp veroordeeld. Ze is onderdeel van de pesterijen die al twintig jaar aan de gang zijn tegen de zwakste groepen van de bevolking, en met name de vluchtelingen en de buitenlanders. Dat zijn altijd de eerste slachtoffers van de repressie. Het gebeurde onder het welwillend oog van Amerikaanse, Spaanse, Franse en Duitse soldaten maar geen enkel van die landen heeft protest aangetekend .
Is er Amerikaanse druk uitgeoefend? Het zou me niet verwonderen. Maar het regime in Djibouti heeft geen inmenging nodig om misbruiken van die schaal te plegen. Het is er in het verleden toe in staat geweest. Op vlak van repressie heeft het regime echt geen extern advies nodig.

(Uitpers, nr. 48, 5de jg., december 2003)

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 73 Times, 2 Visits today

Tags :

zie ook