Dertig jaar armoedebeleid! Honderd jaar armoede!

Vorige week kwam de dertigste editie van het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting uit. En binnenkort zitten we weer in de (w)armste week, net na de Internationale Dag voor armoede.

Tijd om nog eens stil te staan bij armoede en armoedebestrijding.

De Jaarboeken zijn jaar na jaar een geweldige bron van informatie. Je slaat het boek open en je weet meteen, hoe kritisch je over het armoedebeleid ook kan zijn, dit zijn niet de mensen die kritiek verdienen, dit zijn niet de onderzoekers die moeten aangevallen worden. Ik blijf het herhalen omdat alle kritiek op het armoedebeleid te makkelijk wordt geïnterpreteerd als een aanval op mensen die zich met armoede bezig houden, onderzoekers én sociale werkers. Niet dus.

Het Jaarboek bevat elk jaar opnieuw schitterende hoofdstukken over allerhande aspecten van armoede, van gezondheid tot onderwijs, van wonen tot voeding. Dit jaar gaat extra aandacht naar het participatiebeleid en naar de gevolgen van de pandemie.

Het punt is dat los van alle bewondering je toch elke keer weer dat gevoel bekruipt van surrealisme. We kennen zo stilaan alle details over mensen in armoede, maar de meest voor de hand liggende conclusies mis ik elke keer weer.

Of nee, de conclusie staat er wel duidelijk in: na dertig jaar is de armoede niet verminderd! Paf! Hoe komt dat en wat doe je er aan? Dat is wat ik mis.

Ik wil een paar voorbeelden geven, aan de hand van drie hoofdstukken uit dit recente jaarboek.

Er is een boeiend stuk over de trends in de cijfers en een overzicht van enkele definities van en opvattingen over armoede. Ik weet al enkele jaren dat dit altijd aanleiding geeft tot enkele zeer leerrijke beschouwingen en op het eind de oude definitie van Vranken wordt herhaald. Armoede wordt dan een ‘netwerk van uitsluitingen’ waarin het inkomen nog nauwelijks een rol speelt. Er valt zeer veel te zeggen voor zo’n definitie, maar wat ik b.v. graag zou leren is hoe mensen uit de armoede geraken? Terecht stelt het Jaarboek dat er een vrij groot verloop is, mensen zijn niet langer arm en anderen worden (weer) arm. Aan de hand waarvan wordt dit bepaald? En als je de multidimensionaliteit meet, wat is dan het verband met de inkomensarmoede? De studies die ik daarover ken, geven namelijk geen duidelijk verband aan. Je gaat je dan afvragen wat die multidimensionale metingen vertellen.

Zeker als je luistert naar arme mensen zelf, ook in dit Jaarboek weer, zal de hoogte van hun loon of hun uitkering altijd op de eerste plaats staan. Ik blijf erbij dat armoede, in elke markteconomie, in eerste instantie een inkomenstekort is. Maar dat mag blijkbaar niet gezegd worden.

Het spreekt voor zich dat iemand die een jaar lang dakloos is en op straat leeft, meer zal nodig hebben dan een behoorlijk inkomen. Een dergelijk traumatische ervaring vergt begeleiding om weer in de maatschappij te stappen. Maar zonder degelijk inkomen zal het gewoon niet lukken. Vandaar dat ik altijd enthousiast ben geweest over de opleiding ervaringsdeskundige waar op die twee elementen, inkomen én begeleiding werd ingespeeld. En voor zover ik weet, werkte dat ook.

In feite vertrekt men van de verkeerde kant: woning, voeding, onderwijs bezorgen en dan zal ‘het systeem’ je geven wat je nodig hebt: inkomen, uit werk of van een uitkering. Terwijl dat systeem- een marktsysteem – moet beginnen met het inkomen, zodat mensen toegang hebben tot voeding, woning, onderwijs, werk. Zeker in een tijd van neoliberale besparingen werkt die omgekeerde strategie helemaal niet, want er is steeds minder onderwijs, zorg of goedkope woningen. Sisiphus.

Door systematisch voorbij te gaan aan het centrale inkomensprobleem kan men inderdaad nog eeuwen doorgaan met onderzoek en, sta me toe het zo te zeggen, rond de pot te draaien. Het is super interessant te weten hoe het zit met toegang tot justitie en de invloed van de COVID-19 crisis, maar leert het ons iets over hoe je armoede kan/moet bestrijden?

En waarom wordt dit inkomensprobleem niet behandeld? Omdat het antwoord op die vraag té zeer voor hand ligt? Uitkeringen verhogen en lage lonen verhogen? Waarom mag dit  niet gezegd worden? En als dit niet bespreekbaar is, hoe komt dat? Omdat de overheid de armoede niet wil oplossen? Is er een andere uitleg? Ik zie helemaal niet in waarom het niet zou kunnen.

Structurele armoedeproblemen

Even boeiend is het hoofdstuk over structurele armoedebestrijding. De auteurs hebben uiteraard overschot van gelijk wanneer ze stellen dat dit wenselijk is. Maar ze komen wel tot de vaststelling dat het nauwelijks mogelijk is. “Bij nader toezien heeft ‘structurele armoedebestrijding’ zelfs iets van een tautologie: bestrijding impliceert dat de oorzaken worden aangepakt. Maatregelen die louter gericht zijn op mensen in armoede, op het veranderen van hun gedrag, op het bijvijlen van de scherpe kantjes, zullen weinig impact hebben op armoede als maatschappelijke toestand. Het is daarom belangrijk de vraag te stellen onder welke voorwaarden structurele armoedebestrijding mogelijk is.” En met de gehanteerde definitie van armoede waarbij ook het macroniveau en de maatschappelijke ordening vermeld worden, kom je dan tot iets ongrijpbaars: radicaal links vat dat samen als ‘weg met het kapitalisme’. En nee, inderdaad, makkelijk is dat niet, als het al mogelijk is.

En zo belandt je van de ene cirkelredenering in de andere. De auteurs spreken over de ‘dwaaltocht van een structurele armoedebestrijding’ en over armoede als ‘bewegend doelwit’. Ja, precies. Zeg dan waar het over gaat. Inkomen. Fundamentele zaken, zo stellen ze zijn ‘inkomen en wonen’. Ha! En armoede is ‘een kwestie van mensenrechten’! Ha! En dat vergt allemaal een ‘strategische benadering’. Juist!

Maar wat doe je dan als onderzoeker? Je kan zelf niet aan de politieke kar trekken, dat begrijp ik wel, maar kunnen de politieke vragen niet op een dienblad aan de sociale bewegingen en de politiek worden aangeboden? Kan je niet duidelijk stellen dat het met een leefloon onder de armoedegrens dweilen met de kraan open is?

‘Structureel’ is een passe-partout geworden in het beleid. En meer en meer verenigingen hebben het over zelfhulp, liefdadigheid en ‘de gekwetste binnenkant die blokkeert’. De onderzoekers weten het. Ze zeggen het. Maar als je na dertig jaar geen enkel resultaat hebt geboekt, moet het dan niet over een andere boeg worden gegooid?

Open ogen

Ik probeer het al meer dan twintig jaar te herhalen: neem al die afzonderlijke ‘dimensies’ van armoede onder de loep en vraag je af of ze een monopolie zijn van arme mensen? Die gekwetste binnenkant alvast niet. De sociale uitsluiting al evenmin. De stigmatisering ook al niet. Status en macht in de samenleving, vraag het eens aan vrouwen. Sociaal en cultureel kapitaal? Ik wil de eenzame en vaak oude mensen niet te eten geven.

Kortom, vertrek gewoon eens van het inkomen, uit arbeid of uit uitkeringen. Zorg ervoor dat dit boven de armoedegrens ligt en vraag je dan af wat voor hulp en wat voor beleid nog nodig zijn. De antwoorden zullen veel eenvoudiger zijn. Ik denk dat het bijeenschrijven van zo’n Jaarboek een erg frustrerende bezigheid moet zijn.

Toen ik meer dan twintig jaar geleden met een analyse van het internationale discours over armoede begon en merkte dat er wel al een hele literatuur bestond bij de Wereldbank en de V.N. maar geen enkel cijfer, begreep ik meteen dat armoedebeleid dus niets met armoede had te maken. Een paar boeken deden mijn ogen open gaan: het Handboek van Oyen & Miller, het korte boekje van Georg Simmel, de analyse van Philippe Sassier en de geschiedenis van Bronislav Geremek. Het thema van de armoede wordt altijd gebruikt om te spreken over de maatschappelijke orde. Het zijn de niet-armen die de armen definiëren en evalueren. En het armoedebeleid beantwoordt nooit of te nimmer aan de behoeften van arme mensen, wel aan die van de niet-armen.

Nogmaals, de Antwerpse onderzoekers verdienen geen kritiek, maar ik ben er vast van overtuigd dat mochten ze met die gegevens rekening houden, hun onderzoek er anders zou uitzien.

Als je merkt dat de oude definities allemaal over ‘middelen’, zeg maar inkomen gingen en dat plots verandert naar een of andere vorm van multidimensionaliteit, mag je daar dan geen conclusies uit trekken?

Na de jaarlijks bewonderende lectuur van het Jaarboek en het volgen van veel initiatieven in ons land ben ik ervan overtuigd dat het de onderzoekers wel degelijk om armoede te doen is, dat ze wel degelijk zoeken naar middelen om het beleid te versterken. Maar ze botsen op dat ene ‘structurele’ – sorry – gegeven: niemand wil dit. Je mag met grote bevlogenheid de Decenniumdoelen achternahollen, maar meer dan dat kan je niet doen. De armoede vermindert niet omdat mensen te weinig inkomen hebben en niemand wil dat dit echt verandert. Punt.

Armoedebeleid is keer op keer gericht op één, doen alsof – we willen echt wel, maar het is moeilijk, er zijn dilemma’s en trilemma’s – en twee, de maatschappelijke orde. Iedereen op zijn pl    aats houden. Ze laten participeren, dat wel, maar zoals de armen het zelf zeggen in dit Jaarboek: er verandert niets, men houdt er gewoon geen rekening mee.

Het Jaarboek vermeldt alles wat nodig is en dat is eigenlijk erg weinig: automatische toekenning van rechten, betere inkomens, uit arbeid en uit uitkeringen, meer rechtvaardigheid en gelijkheid. Geld maakt niet gelukkig, welnee, maar het kan echt helpen!

Ik stel voor dat het Jaarboek volgend jaar daar over gaat. Want dertig jaar zonder resultaat, daar wordt je toch moedeloos van?

Print Friendly, PDF & Email

Visited 462 Times, 1 Visit today

Tags :
Francine Mestrum

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ voor een transformatieve en universele sociale bescherming. Francine schrijft geregeld voor Wall Street International Magazine, Other News, Alainet, Social Europe en Uitpers

zie ook