Denken over de post-covidstad

‘Tijdens de coronacrisis leek de Wetstraat wel in een groene buitenwijk te liggen. Sommige maatregelen waren zodanig op maat van de middenklasse geschreven dat ze totaal wereldvreemd klonken voor de stedeling. De boodschap dat je enkel bezoek mocht ontvangen in de tuin als er een doorgang was vanop straat, was bijvoorbeeld absurd voor wie in een appartement woonde. Laat staan dat die persoon een cateraar kon inhuren om een tuinfeest te geven.’ Dat zegt Luce Beeckmans die samen met Stijn Oosterlynck en Eric Corijn de redactie deed van ‘De stad beter na corona?’ in een interview met De Morgen. (1)

 

Hiermee is de kritische toon van deze zeer bijzondere publicatie gezet. Het is een waardevolle bundeling geworden van reflecties over een gezondere en meer rechtvaardige stad waaraan meegewerkt werd door stadsonderzoekers van verschillende disciplines. Het gaat inderdaad over een indrukwekkende ‘troepenverzameling’ van niet minder dan 34 auteurs uit Nederlandstalig België die bij mijn weten in deze combinatie nog nooit bij elkaar werden gebracht:  Karel Arnaut, Wouter Arrazola de Oñate, Charlotte Bollaert, Bert De Munck, Marlies De Munck, Luce Beeckmans, Jan Blommaert, Kobe Boussauw, Eric Corijn, Sarah De Boeck, Lieven De Cauter, Valerie De Craene, Pascal De Decker, Dirk Geldof, Pascal Gielen, Alessandra Gola, Koen Hermans, Ikrame Kastit, Anneleen Kenis, Bruno Meeus, Amal Miri, Frank Moulaert, Lise-Lotte Moeres, Marjan Moris, Camille Noûs, Sara Nyssen, Stella Nyanchama Okemwa, Stijn Oosterlynck, Jekaterina Roslevitch, Ashika Singh, Erik Swyngedouw, Elsemieke van Osch, Lore Van Praag en Christoph Veithen.

Zij reflecteren, in het verlengde van Luce Beeckmans openingsuitspraak, over welke stedelijke ongelijkheden covid precies heeft blootgelegd of aangewakkerd en dit vanuit een uiteenlopende waaier van thematische insteken van huisvesting tot diversiteit, van klimaat tot (wijk)gezondheidszorg. Maar daar blijft het niet bij. In het merendeel van de bijdragen wordt er ook onbevangen nagedacht hoe een meer rechtvaardige, en dus gezondere stad er zou kunnen uitzien en dat maakt ongetwijfeld de grote sterkte uit van deze verzamelbundel.

Het boek bestaat uit zo maar eens eventjes 23 hoofdstukken die opgedeeld werden in acht grote thema’s: urbaniteit in de post-covidstad, wijk(zorg) in de post-covidstad, de 15 minutenstad na covid,wonen in de post-covidstad, diversiteit  in de post-covidstad, de grote uitdagingen van de post-covidstad, het sociale weefsel van de post-covidstad en stadsonderzoek in de post-covidstad. Het is onmogelijk om de veelheid aan ideeën samen te ballen in een recensie – het is een rijk studieboek en daar moet je als lezer behoorlijk wat tijd voor uittrekken – en daarom beperk ik mij tot enkele krenten die ik opgepikt heb. Allicht een buitenbeentje is dit gezelschap is Wouter Arrazola de Oñate, medisch directeur van de Vereniging voor respiratoire gezondheid en tuberculose die in zijn bijdrage ‘Volksgezondheid en wijkontwikkeling’ het rijke domein van de public health onder de aandacht brengt dat veel breder is dan het terrein van de virologen en  dat een breed multi- en transdisciplinair vakgebied is over hoe groepen mensen, maatschappijen en steden zo gezond mogelijk kunnen zijn. In de stad van de toekomst moet er volgens hem een netwerk van huisartsenpraktijken, wijkgezondheidscentra en sociomedische hulpposten verspreid over stadsbuurten met de meest kwetsbaren op een laagdrempelige manier uitgerold worden. Dat is in lijn met het pleidooi van Eric Corijn tot  herwaardering van het wijkleven in zijn brede betekenis en dus ook met een breed wijkgezondheidsbeleid, een spijker waarop ex-Groen minister Mieke Vogels al jaren klopt. Een boeiend betoog over de 15 minutenstad komt van Kobe Boussauw en Sarah De Boeck die stellen dat essentiële voorzieningen voor iedereen binnen een straal van een kwartiertje wandelen of fietsen van de woning zouden moeten te vinden zijn. Stijn Oosterlynck en Luce Beeckmans wijzen die  ideeën zeker niet af maar in hun bijdrage wijzen ze toch op de sociale bijziendheid van het concept dat alleen maar in het voordeel van de westerse stedelijke middenklasse zou kunnen uitdraaien. Die vrees klinkt ook door in het stuk ‘Black lives matter in de post-covidstad? Van Nyanchama Okemwa en Luce Beeckman die aandacht vragen voor stadsbewoners van Afrikaanse origine waarvan de levenswijze niet past in het plaatje van de middenklasse. Die kritiek is ook aanwezig bij Dirk Geldof die in zijn bijdrage ‘De post-coronastad en de risicomaatschappij’ aandacht vraagt voor de problematiek van onze superdiverse steden. Zeker boeiend ook is de invalshoek van Anneleen Kenis ‘Mobiliteit na corona, geen vuiltje aan de lucht?’ waarin zij onder meer de mythe van de groene auto doorprikt. Zij maakt daarin ook een belangrijke link met de ontginning van de eindige grondstof lithium – er is tien kilogram lithium nodig voor de batterij van een elektrische auto – en het extractivisme in het Zuiden dat leidt tot grote sociale en ecologische gevolgen. Marlies De Munck en Pascal Gielen tenslotte houden een mooi pleidooi voor wat zij een auratische stad noemen. Daarvoor gebruiken ze in navolging van de filosoof Walter Benjamin de term ‘aura’. Voor hem kan een auratische nabijheid een gevoel van fundamentele verbondenheid creëren. Het bijwonen in een zaal van een toneel- of muziekopvoering kan dat gevoel oproepen: hoe onbereikbaar ook, het feit dat je in de nabijheid vertoeft van iemand die iets bijzonders kan draagt bij aan de magie en verhoogt je betrokkenheid bij een voorstelling of een concert. Het gaat over afstand en toch ook over nabijheid en dat ‘aura’ kan ook volgens hen aanwezig zijn in de intimiteit van een stad, maar dan de stad als een cité zoals men in het Frans zegt en dat is meer dan la ville, dan een geheel van gebouwen. La cité is waar mensen leven, ademen, zweten, ruziën en liefhebben zoals de Engelse socioloog Richard Sennett schrijft. Dergelijke plekken laten voelen dat een stad ook een ziel heeft. Daarom pleiten De Munck en Gielen voor semipublieke ruimten van cultuur die lichamen, kleuren, klanken, beelden en bewegingen in elkaars nabijheid brengen en daarmee een unieke ervaring van verbondenheid mogelijk maken. Ze schenken de stad een aura.

Dit boek is zeer rijk aan ideeën voor een andere post-covidstad, maar de invloed van al deze onderzoekers reikt niet verder dan het aanreiken van verfrissende ideeën. Zijn we bereid de juiste (politieke) lessen te trekken uit de covidpandemie opdat de stad van de toekomst inderdaad gezonder en rechtvaardiger kan zijn? Dat is de hamvraag die de auteurs zich samen met de Franse filosoof Bruno Latour stellen. Luce Beeckmans, Lise-Lotte Moeres en Jekaterina Roslevitch waarschuwen in hun bijdrage ‘Gezondheidscrisis en de verdeelde stad’ voor een al te groot optimisme.  De geschiedenis leert dat stedenbouwkundige reacties op gezondheidscrisissen niet altijd tot positieve resultaten hebben geleid. Zo worden pandemieën vaak aangegrepen om stadssaneringen te legitimeren. Dat leidt tot nieuwe vormen van exclusie. We moeten dus vermijden dat de pandemie ook nu een recept wordt voor meer exclusieve stedenbouw. Neem nu Brussel. Toen de choleracrisis van 1832 uitbrak, werden er massale afbraakwerken uitgevoerd zonder dat er alternatieve woningen werden voorzien voor de uitgezette bewoners. In de jaren 60 volgde het Manhattanplan voor de hertekening van de Noordwijk. Hele woongebieden werden afgebroken onder de pretext dat het ongezonde krottenwijken waren, maar eigenlijk speelden vooral economische argumenten mee. Men wilde op de plek ruimte vrijmaken voor een internationaal zakendistrict. De uitgezette families moesten uitwijken naar afgelegen woonbuurten.”

Staten-generaal van de post-corona?

Samensteller Eric Corijn eindigt zijn epiloog met een positieve noot. Hij houdt daarin een bezield en goed uitgekiend pleidooi om de stad na corona opnieuw op te starten. Post-corona biedt volgens de gelegenheid voor een hernieuwd ideologisch debat, tot een hegemonische strijd om de geesten in de betekenis die Antonio Gramsci daaraan gaf, die op verschillende bestuursniveaus moet worden gevoerd. Die strijd moet gevoerd worden op drie ‘werven’ of bestuursvelden. Er is ten eerste strijd nodig om het Europese project te behoeden voor een rechts-nationalistische regressie en daarom moet er ingezet worden op een cultureel en solidair Europa. Het tweede veld is de strijd op het niveau van de staat, federaal en gewestelijk, om de vitale sectoren die ons door de crisis hebben gesleurd te garanderen en uit te bouwen (vrijwaring van de sociale zekerheid, herwaardering van zorg en onderwijs, openbare diensten en vitale sectoren). Hij vraagt zich af: ‘Waarom geen Staten-Generaal van de Post-Corona opgericht, een soort constituante voor een vernieuwd samenleven?’ De derde werf ontstaat botttom-up vanuit de leefomgeving op het lokale vlak (nieuwe sociale praktijken  als coöperatief samenwerken en commonsgerichte activiteiten) en zou de steun moeten krijgen van het lokaal beleid.

‘De stad beter na corona?’ is een belangrijk boek in de reeks ‘Stadsschriften’ dat veel aandacht verdient, zeker ook in beleidskringen, om een bredere maatschappelijke discussie over een gezonde en rechtvaardige post-covidstad op gang te brengen. Samen met ‘Onze stAd, inspiratie voor de stad van morgen’ onder redactie van Danielle Dierckx en Marc Swyngedouw en ‘Mensen maken de stad, bouwstenen voor een sociaalecologische toekomst’ onder redactie van Dirk Holemans vormt het een stevig drieluik waaruit politici met het hart op de juiste plaats heel veel inspiratie kunnen putten.

(1)Luce Beeckmans ‘De strijd om de middenklasse dreigt door te slaan’. Interview met Ann De Boeck in De Morgen van 9 maart 2022

What do you want to do ?

New mail

De stad beter na corona? Reflecties over een gezondere en meer rechtvaardige stad
Luce Beeckmans, Stijn Oosterlynck en Eric Corijn (red.)
ASP, Brussel
2021
264 blz
9789461172419

 

What do you want to do ?

New mail

Deel dit artikel
Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

Andere boeken