Deng bewees dat vrije markt en vrijheden iets anders zijn

China was al tien jaar een nieuwe “weg naar het socialisme” – of was het “weg van het socialisme” – ingeslagen, toen de dood van een vroegere partijleider (Hu Yaobang) in april 1989 een eerste grote crisis op die weg inluidde. Het huldebetoon aan Hu groeide uit tot massaal protest tegen privileges, groeiende sociale ongelijkheden, corruptie, nepotisme, willekeur en dat was vóór de Communistische Partij haar deur openstelde voor privé-ondernemers die Dengs oproep volgden “Chinezen, verrijk u” en “rijk zijn is geen schande”.

Het protest richtte zich tegen de hogervermelde “neveneffecten” van Dengs weg naar de “vrije markt”. Om dat beleid te stabiliseren, besliste Deng Xiaoping in juni 1989 het protest in de kiem te smoren. China moest en zou de vrije markt blijven omarmen, maar dan wel onder autoritair gezag. Dat vrije markt en democratische vrijheden vaak tegenstrijdig zijn, had Pinochet in Chili ook al aangetoond.

Precedenten

Het brutaal geweld waarmee deze “Pekingse lente”werd neergeslagen, weerspiegelde de diepe ongerustheid van veel communistische leiders. Ze wisten hoe ook in de communistische periode Chinezen massaal kunnen gemobiliseerd worden. Ze hadden dat tenslotte zelf misbruikt in hun onderlinge machtsstrijd, zoals met de “Grote Proletarische Culturele Revolutie” in 1965 toen Mao massaal mobiliseerde om de controle over de partij te heroveren. Bij de dood van premier Zhou Enlai in de lente van 1976 waren massa’s mensen spontaan naar het Plein van de Hemelse Vrede (Tien An Men) getrokken om eerherstel voor Deng Xiaoping, slachtoffer van die “culturele revolutie”, te eisen. Deng zelf had dan weer eind 1978 de studenten in hun campagnes tegen onrecht en privileges aangemoedigd om zijn eigen positie in het Politburo van de CP te versterken. Maar telkens was er voor de leiders het risico dat de massamobilisaties “te ver” gingen, dat ze de controle dreigden te verliezen.

De Pekingse lente van 1989 was dus zeker niet de eerste massamobilisatie van de Volksrepubliek. Maar deze keer was ze niet gemanipuleerd door een van de leidende clans. Deze keer kwam het van onderuit en was er binnen de heersende bureaucratie niet direct een clan die dacht daarmee zijn voordeel te doen.

Controle

De leiders in Zhong Nan Hai, het complex naast de oude Keizerlijke Verboden stad waar de leiders huizen, herinnerden zich in 1989 maar al te goed hoe massabewegingen kunnen “ontsporen”. Mao Zedong had in 1965 de “Culturele revolutie” aangewakkerd om zijn rivalen schaakmat te zetten. Maar toen die enorme massabeweging hier en daar monopolie en voorrechten van de heersende bureaucratie aan de kaak stelde, werd het leger ingeschakeld om daar een einde an te maken. De leden van al die ‘Revolutionaire Wachten’ die op Mao’s verzoek “het hoofdkwartier” (zijn tegenstrevers) hadden bestormd, werden nu naar afgelegen streken gestuurd om zogenaamd van de massa’s te leren – in feite om ze te verbannen en de massabeweging te beëindigen.

Hetzelfde deed Deng, tegenstrever van Mao, later. Hij had actief de studenten en arbeiders gesteund die eind 1978 en in 1979 via muurkranten hun grieven kenbaar maakten. Zo kon hijn zijn tegenstrevers in de hoek duwen en zijn politiek van de “vier moderniseringen” – de weg naar de ‘vrije markt’ – doordrukken. Van zodra Deng zijn slag had thuisgehaald, werden de muurkranten verdrongen naar een eenzame plek buiten de stad om begin 1980 gewoon te worden verboden. Verscheidene auteurs van kritische muurkranten werden opgepakt en voor rechtbanken gesleept. Wei Jingsheng, een arbeider van de zoo, kreeg 14 jaar opsluiting omdat hij gevraagd had naar een “vijfde modernisering”, democratische rechten en vrijheden.

Maar dat kon niet op de “Chinese weg naar het socialisme”, of ook nog marktsocialisme, gedoopt. De praktijk? Bij een bezoek in 1982 aan de “speciale economische zone” van Shenzhen, bij Hongkong, vertelde de directeur ons – als vertegenwoordigers van een kapitalistisch land – dat westerse ondernemers daar voorwaarden zonder weerga vonden. “De goedkoopste arbeidskrachten van de regio, lager dan op de Filipijnen, een enorm reservoir arbeidskrachten waaruit kan worden geput, enorme voordelen bij toewijzing van gronden en bij het heffen van belastingen, geen vakbonden….”. Om dat te waarborgen, is wel een autoritaire aanpak vereist, anders zouden er wel eens vrije vakbonden kunnen opduiken.

Syndroom

Toen studenten in april 1989 massaal de straat optrokken om hulde te brengen aan de overleden Hu Yaobang, dacht de partijtop niet dat het zo een vaart zou lopen. Hu was begin 1987 afgezet na onder meer sympathie te hebben betuigd voor studenten die betoogden tegen het heroplevend Japanse negationisme (ontkenning van de Japanse oorlogsmisdaden in de jaren 1930-1940). Hu werd in het algemeen laksheid verweten tegen degenen die kritiek hadden op het autoritair beleid dat met de economische liberalisering gepaard ging.

De betogingen van 1989 kwamen op een moment dat de bureaucratie in Peking met argusogen de evolutie in de Sovjet-Unie volgde. De situaties waren dan wel erg verschillend, toch was Peking beducht dat de nakende implosie van het Sovjetsysteem (en van de Unie) niet zonder gevaar was voor de Chinese communisten.

De C hinese leiders oordeelden dat een politiek van openheid (de glasnost van Michail Gorbatsjov) die implosie alvast had versneld. Inzake economische liberalisering gingen de Chinese communisten veel verder dan het Kremlin, maar nu zagen zij een bijkomend bewijs dat die beter niet gepaard gaat met politieke democratisering, met het opgeven van het machtsmonopolie. Veel van die Chinese bureaucraten droomden er al evenzeer als hun Sovjetcollega’s van om rijke ondernemers te worden, maar dat moest dan wel zonder schokken gebeuren, in alle continuïteit. Dus zeker geen implosie van het bureaucratisch systeem of opgeven van het machtsmonopolie. Chinese bureaucraten en hun omgeving zouden ook massaal oerheidsbedrijven roven, maar alles binnen de b estaande machtsstructuren.

De lente

Dat Sovjetsyndroom versterkte de vrees dat massademonstraties uit de hand konden lopen. Er werd ingespeeld op het gevaar dat China, zoals zo vaak gebeurd was, met een verzwakt centraal gezag zou uiteen vallen. China was toen al tien jaar bezig met de resolute toepassing van Dengs beleid dat het geen belang heeft of een kat grijs of zwart is, als ze maar muizen vangt. Met andere woorden, ideologie was het laatste van diens zorgen. Het was dus zeker niet om de ideologie te vrijwaren, dat uiteindelijk voor zware repressie werd gekozen.

De demonstranten van de lente van 1989 trokken in hun hulde aan Hu vooral van leer tegen de groeiende arrogantie van de nieuwe rijken, tegen de toenemende corruptie, vriendjespolitiek, nepotisme, enorme voorrechten, groeiende sociale ongelijkheden… vele verwijten kwamen erop neer dat de leiders hun officiële ideologie met de voeten traden en er helemaal geen sprake was v an e en ev olutie naar een sociaal rechtvaardige maatschappij.

De partijtop was verdeeld. Partijleider Zhao Ziyang wou naar de grieven luisteren. Het waren na enkele dagen niet alleen studenten die de straat optrokken. In talrijke steden kwamen arbeiders, ambtenaren en zowat alle categorieën aan de protesten deelnemen. Zhao ging ervan uit dat de beweging beter via dialoog kon aangepakt, en ontwapend, worden. Hij kreeg in buitenlandse media prompt de bijnaam “Chinese Gorbatsjov” wat bij de haren was gesleurd, maar het wantrouwen in de partij nog aanwakkerde.

Dat de eisen van de studenten bijval kregen van andere groepen, ook arbeiders, was ook een aantasting van het ideologisch vernis dat in de Volksrepubliek de arbeiders en boeren aan de macht zijn. Het was een bijkomende reden om niet te laten betijen. Merkwaardig is echter dat de brutale repressie van 4 juni er kwam op een ogenblik dat de beweging minder massaal was geworden. Het zwaartepunt lag weer op de campussen en het Tien An Men plein waar de actievoerders nog maanden wilden blijven – op dat ogenblik volgde de rest van de bevolking al meer vanop afstand. Maar brutaal optreden tegen arbeiders hield grotere risico’s in voor de fundamenten van het regime. Begin juni stonden de actievoerders geïsoleerder.

Het had trouwens anders gekund, zonder dat brutale geweld, zoals de leiders in Shanghai het deden: de beweging infiltreren met loyale arbeiders die de actievoerders trachtten te overtuigen dat de actie was gelukt, dat de leiders hun boodschap hadden begrepen. En tegelijk provocaties door geweld uit te lokken dat op de rug van de demonstranten werd geschoven.

Sociale rust

De onderdrukking van de Chinese protestlente zette allerminst een rem op de economische liberalisering. Er was wel even een internationale boycot tegen China, maar toen Amerikanen, Europeanen en anderen zagen hoe Taiwanese (en in zekere mate Japanse) investeerders daar gebruik van maakten, kwam daar snel een einde aan.

De Chinese regeerders hebben met de opgedreven liberalisering een relatieve sociale rust kunnen handhaven. Relatief, want jaarlijks zijn er tienduizenden protestacties (conflicten in bedrijven, boerenprotesten tegen speculatieve onteigeningen en belastingen, milieuprotesten), maar die blijven geïsoleerd en vormen geen enkele bedreiging. Door de groeiende welvaart hebben massa’s Chinezen het wel veel beter gekregen. Het devies luidt: Chinezen verrijk u (de leuze van Deng in 1980) en zwijg.

Maar intussen is de sociale ongelijkheid, de corruptie, het nepotisme, de privileges er niet minder op geworden. Intussen verdedigt de Communistische Partij de kapitalistische keuze, wat het voro een partijlid tochw el erg moeilijk maakt om als communist actief te zijn in een kapitalistisch bedrijf dat de grootst mogelijke winstvoer, en dus de grootst mogelijke uitbuiting, nastreeft.

Zolang de economische groei aanhoudt en de welvaart van een groot deel van de bevolking groeit, is er weinig risico op landelijke sociale onrust. Maar de partijtop en bevriende kapitalisten nemen het zekere voor het onzekere, het repressie apparaat waakt zorgvuldig om die risico’s te voorkomen.

(Uitpers, nr. 111, 10de jg., juli-augustus 2009)

Deel dit artikel

Visited 116 Times, 1 Visit today

Tags :
Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook