De ziel reist te voet

“De Ziel reist te voet” van Walter Lotens, uitg.  in eigen beheer, ISBN 9789080996922 

te bestellen via walter.lotens@yahoo.com  

Walter Lotens is een eigenzinnig auteur. Hij reist de wereld rond of schrijft beschouwingen over het fenomeen reizen vanuit zijn geliefde Paramaribo. In zijn vorig boek, het essay over reizen “Ticket naar Shangri-La” doet hij dat op een abstract, spiritueel niveau. Zijn blik is weifelend en eerder pessimistisch over de in sommige kringen geroemde kansen op intercultureel contact die het internationale toerisme zou moeten bieden.

Met “De ziel reist te voet” gooit Lotens het over een andere boeg. Hij wil weten welke positieve initiatieven er bestaan en inventariseert. Allerlei bevlogen gesprekpartners passeren de revue: coördinatoren van duurzaam-toerisme initiatieven, uitwisselingsstudenten, reizigers die zichzelf omscholen tot ontwikkelingshelpers, ambtenaren die te maken hebben met stedenbanden. Zijn conclusie na al die gesprekken zet hij meteen op de cover van zijn boek: De ziel reist te voet. Een op het eerste zicht nogal filosofische gedachtekronkel die wel goed uitdrukt waar het over gaat: de emotionele verwerking van een interculturele ervaring gebeurt met vertraging. Waarom dan nog dit boek lezen? Omdat in deze, net zoals in goede literatuur, het proces minstens even belangrijk is als de ontknoping. En al vertoont Lotens regelmatig de neiging om wat onnodig academisch jargon te gebruiken, hij weet bij zijn gesprekspartners toch intrigerende verhalen te ontlokken die maken dat dit al bij al een hoopvol boek is geworden.  

Walter Lotens is heel kritisch voor de grote spelers in de reissector, de “Goliaths” zoals TUI die hun winsthonger altijd en overal laten primeren. Voor hen is de nieuwe vraag naar duurzamere manieren om het toerisme te organiseren slechts een marketingtruc. Lotens denkt de echte positieve initiatieven dan ook te vinden in de marge van de reissector en komt als vanzelf uit bij de Mechelse touroperator Joker, de reisbegeleidersorganisatie Karavaan en het kleinere Kriskras in Gent. Zij denken al jaren na over duurzaam toerisme en trachten de voornaamste principes ook in praktijk te brengen: zoveel mogelijk gebruik van openbaar vervoer, aantal vliegtuigreizen beperken tot het minimum, stimuleren van lokale economie en steunen van lokale toeristische initiatieven, respect betonen voor lokale gebruiken en cultuur.

Volgens zijn gesprekspartners kan je ook binnen het korte bestek van een reis mensen bewust maken van de invloed die ze hebben. Ook toeristen kunnen unieke ontmoetingen hebben op reis en hebben de mogelijkheid om hun leven met die ervaring te verrijken. Een andere vraag is wat de lokale bevolking in ‘de ontvangende landen’ er dan wel aan heeft? Volgens Jef Van Eyck, coördinator van Karavaan, komt 95% van het budget dat hun klanten tijdens de reis spenderen in de plaatselijke economie terecht (Bij een all-inclusive hotel van een internationale keten is dat nauwelijks enkele procenten). Aan gemiddeld 600 euro per reis en ongeveer 3000 reizigers per jaar is dat toch jaarlijks 1,8 miljoen euro. Ze steunen ook opleidingsscholen voor professionele gidsen in Indonesië en Tanzania. In dit laatste land steunen ze ook een lokale vakbond van dragers op de Kilimanjaro. 

Nina Rao van het Indiase Equitable Tourism Options, is een andere mening toegedaan. Ze gelooft niet in de Westerse invulling van duurzame ontwikkeling. Zij denkt dat “consumenten geen afstand willen doen van bepaalde zaken die door hun perceptie van de wereld vanzelfsprekend lijken, hoe oprecht geïnteresseerd ze ook mogen zijn in duurzaam toerisme.” Wat is de oplossing dan? Leg de controle volledig bij de lokale gemeenschap. Duurzaam toerisme moet per definitie lokaal ingebed zijn, aldus nog Rao. In Noord-Brazilië breidt het aantal ‘community-based’ projecten zich alvast gestaag uit. Met behulp van een lokale ngo namen kustgemeenschappen in de Céara in 1991 reeds het toerisme in eigen handen. Nu nemen ze samen beslissingen en slagen er in om dank zij toerisme hun jongeren weer een perspectief te geven in hun eigen dorp. Ze hebben hun lokale ambachten kunnen revitaliseren en dankzij de toerisme-inkomsten kunnen ze opnieuw investeren in hun dorp. De aanleiding voor die positieve ontwikkeling was een lokale verzetsbeweging tegen landclaims van een aantal grote bouwpromotoren. Ondertussen hebben enkele tientallen dorpen samen een kustforum opgericht dat onder meer de illegale kreeftenvangst bestrijdt en de vernietiging van de mangroves. Ze bouwden samen kleine toeristische ‘pousadas’ (hotelletjes) en strandrestaurantjes om het toerisme te stimuleren. Ngo’s en universiteiten sprongen mee in de bres. In 1997 werden al deze inspanningen beloont en maakte de Braziliaanse regering de coöperatie van inheemse vissers tot de officiële eigenaars van de kuststrook.  

Ook Jef Crab in Suriname stimuleert CBT (‘Community-Based Tourism’), hij laat bezoekers op twee manier betalen voor de lokaal verkregen diensten: alle betalingen die rechtstreeks naar de gemeenschap doen, gebeuren aan noordelijke prijzen. Voor diensten die worden geleverd door individuele bewoners (het gastgezin, de bootsman enz.) laat hij ze betalen naar lokale maatstaven. Het is een werkwijze waar nogal wat voor te zeggen valt.  

CBT is ook een vorm van toerisme die toelaat dat mensen de andere op gelijkwaardigere manier kunnen benaderen. Het schept ruimte voor een leerproces omdat toeristen op een veilige manier hun eigen ‘culturele luchtbel’ kunnen verlaten. Mensen worden weer gast en gastheer (of -vrouw), een relatie die heel andere omgangsvormen vraagt dan louter bediende tegenover toerist. Wat heel vaak ontbreekt in reizen, dat is de wederkerigheid, stelt Lotens vast. Een principe dat je in alle sectoren zou moeten doorgeven. Zo analyseert Lotens de (afhankelijkheids)relatie van vele lokale gemeenschappen tegenover buitenlandse donoren. Hij maakt de vergelijking met de spreuk die hij vroeger als leraar in zijn klas had hangen: “wees zo beleefd tegen de leraar als de leraar tegen jullie.” Lotens breekt een lans voor een onvoorwaardelijke wederkerigheid. Dit is nooit de makkelijkste weg, er zit zelfs een anarchistische dimensie aan omdat je een machtsrelatie afbreekt. Maar er is geen andere weg. Wat tegen de wil van de ander in gebeurd kan onmogelijk duurzaam zijn.  

In Suriname praat hij o.m. met de Belg Jef Crab die er onder meer een ecologisch centrum leidt en inleefreizen organiseert naar de dorpen in het binnenland. Hij heeft een duidelijke visie op het beeld dat westerlingen van het zuiden hebben: “Wie definieert er trouwens armoede? In de inheemse dorpen in West-Suriname woont iedereen in een hutje van palmbladeren. Iedereen is daar rijk. Armoede treedt alleen op wanneer iemand zinken platen op zijn dak begint te leggen. Die kerel wordt daardoor de rijkste van het dorp maar de armste van de Surinaamse samenleving, want zijn woning is slechts een zinkplaat op 4 palen. En vervolgens moet je beginnen ‘ontwikkelen.’ Zo zijn we vertrokken.” Volgens Crab kan geen duurzame samenleving groeien als we onze houding niet veranderen. “Eén van de moeilijkste dingen voor een Westerling is te begrijpen dat armoede een gevolg is van uitsluiting, niet van domheid,” zo noteert Lotens nog van op zijn terras in Paramaribo    

Ervaringen gebeuren in uitgesteld relais, zo blijkt vooral bij lange termijn verblijven in het buitenland. Zo vertelt een studente over haar prikkelbaarheid wanneer ze terug kwam van een stage in Kinshasa. De meeste van deze mensen beleven hun grootste cultuurshock wanneer ze terug komen en merken hoe ze thuis zaken missen die ze voordien niet kenden. Walter Lotens stelt vast dat er nog steeds geen longitudinaal onderzoek (de studie van gedragsveranderingen over langere termijn) bestaat naar het effect van interculturele ervaringen op lange termijn. We kunnen dus enkel af gaan op de anekdotische ervaringen van mensen zoals Johan Bastiaensen van USOS (Universitaire Stichting voor Ontwikkelingssamenwerking) in Antwerpen. Hij organiseert inleefreizen voor studenten en legt sterk de nadruk op het belang van het voor- en natraject: “In contact treden met armere mensen met een andere leefwijze dan wijzelf, vergt veek inlevingsvermogen en openheid.” 

In het vierde hoofdstuk gaat Lotens zijn oor te luisteren leggen bij de ex-leerlingen met wie hij in 1993 een solidariteitsreis ondernam naar de vluchtelingenkampen van het Sahraoui volk in de Westelijke Sahara, het gebied dat Marokko inlijfde en dat nog steeds de inzet vormt van de strijd die het Polisario front voert. Weer tracht hij de lange termijn effecten van die reis te meten bij de jongeren. Die blijken doorgaans nog steeds groot te zijn. Zo schrijft één van hen: “de reis naar de vluchtelingenkampen is als een ‘pilaar’ in mijn leven of als een wervel in mijn ruggengraat. Ze heeft me voorgoed veranderd.” En nog: “Als ik zie hoe jongeren nu tegenover het leven staan en hoe hun leven is, dan schaam ik me in hun plaats. Ik hoop dat ze ooit iets dergelijks mogen meemaken.”  

Het fenomeen ‘inleefreizen’ heeft nog niets van zijn waarde verloren, zo blijkt. Het terugverdieneffect voor de progressieve en 3e wereldbeweging is er nog steeds, zo zeggen Johan Bastiaensen van USOS en Eric Joris van VIA, een uitwisselingsorganisatie. “Jaarlijks nemen er nog steeds duizenden jonge mensen uit alle continenten deel aan internationale uitwisselingen.” Volgens Joris moeten inleefreizen wel ‘facetvol’ zijn: “flexibel, aansprekend, concurrerend, ervaringen, toegankelijk, variatie, organisatie en ook lachten.” Ook reizen waarbij vrijwilligers verwacht worden te werken lopen goed, ondanks jarenlange berichten over teruglopende vrijwilligersinzet. Wanhopen hoeft dus niet. Alleen combineren jonge mensen vandaag de inzet voor anderen meer met een persoonlijke zoektocht naar zingeving en identiteit, zo citeert Lotens uit een onderzoek van sociologe Lesley Hustinx. Het onderzoek ging in opdracht van VIA op zoek naar de drijfveren van vrijwillig geëngageerde jongeren. 

Een andere vorm van uitwisseling die Lotens zelf van dichtbij heeft kunnen meemaken, dat zijn stedenbanden. Met name die tussen Antwerpen en Paramaribo, die eind 2007 ‘as such’ werd stopgezet, om te worden vervangen door een louter projectmatige steun. Er was sprake van “productgerichte, ondoordachte interventies met een hoog façadegehalte in plaats van een goeddoordachte, procesmatige aanpak zoals in Mol en Herent.” In deze laatste kleinere gemeenten was ook een brede groep van vrijwilligers en ngo’s bezig met de stedenband waardoor deze veel meer werd gedragen door de bevolking. De gewone Antwerpenaar wist niet eens dat zijn stad een relatie onderhield met de Surinaamse hoofdstad. Lotens heeft vele gesprekken met diverse betrokkenen en analyseert uitgebreid het fenomeen. Betty De Wachter van de VVSG (Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten) gelooft dat een speciale relatie tussen steden kansen op wederkerigheid biedt. Deze dame verwijt de ontwikkelingsngo’s een ‘corporatistische reflex’: “zij beschouwen zich als de enige die iets weten van de sector. Dat de gemeenten aan ons maar het geld geven, dan zullen wij dat wel nuttig besteden.” In de gemeenten Mol en Herent blijken ngo’s en gemeentebestuur wel goed samen te werken, zo blijkt uit de  gesprekken van Lotens. 

Lotens besluit zijn laatste hoofdstuk met een waarschuwing tegen idolatrie en esthetisering van lokale gemeenschappen: “na-ijver, scheve machtsverhoudingen, verschillen in kapitaal en opleidingskansen vind men overal, ook bij inheemsen.” M.a.w. ‘Shangri-La’ bestaat niet, al zal iedereen op een bepaald moment in zijn of haar leven de aanvechting hebben om er naar op zoek te gaan. Wij hebben wel de koopkracht en het juiste paspoort om die droom na te jagen. Het wordt ons met commerciële efficiëntie zelfs zo makkelijk gemaakt dat het van oorsprong spirituele concept elk jaar opnieuw als betaalbaar escapisme binnen ons bereik lijkt te liggen. Omzwachteld met gezwollen adjectieven vegen glossy brochures alle realistische voorstellingen van exotische bestemmingen bij voorbaat van tafel. Gelukkig bestaan er dus ook goede alternatieven voor het commerciële geweld van de toerismegiganten. Als je het aantal mensen bekijkt dat jaarlijks vertrekt op een inleefreis, dat actief is in één of andere vorm van band met het zuiden of dat tracht aan duurzaam toerisme te doen, dan vormen de alternatieven helemaal niet zo’n marginaal gegeven meer, en dat is toch een verheugende vaststelling voor nuchtere ziel Walter Lotens.

(Uitpers, nr 101, 10de jg., september 2008) 

(Visited 6 times, 1 visits today)
Deel dit artikel