De Wereldhandelsorganisatie en de neergang van de democratie

De politieke wetenschap stelt al geruime tijd vast dat er een diepe crisis van de representatieve democratie is in de landen waar de democratie al oud is. De burgers verliezen steeds meer hun vertrouwen in degenen die hen vertegenwoordigen. Dit is maar één element van een globaal fenomeen: de achteruitgang van de basisvoorwaarden voor het functioneren van de democratie.

Steeds minder valt er een voldoende graad van scheiding van machten vast te stellen in de instellingen, zodat geen effectieve controle van de uitvoerende macht mogelijk is en de onafhankelijkheid van het gerecht niet wordt gegarandeerd. Steeds meer wordt de democratie gereduceerd tot verkiezingen die maar een formaliteit zijn. Met de uitslag wordt maar nauwelijks rekening gehouden en in afwachting van de volgende stembusgang worden de staatszaken afgeschermd van de burgers.

Bij dit dubbele fenomeen is er een derde gekomen, dat het principe van de soevereiniteit van de volkeren uitholt. Nadat de macht van de parlementaire vertegenwoordiging geleidelijk is teloorgegaan ten gunste van de uitvoerende macht, ziet men sedert een twintigtal jaren een steeds toenemende overdracht van bevoegdheden, die totnogtoe werden uitgeoefend door gecontroleerde instellingen, naar instellingen die minder of in het geheel niet worden gecontroleerd.

De Europese integratie, die door haar omvang een uniek fenomeen was, vervulde de rol van regionaal proeflaboratorium. Vandaag zorgt de Wereldhandelsorganisatie (WHO) ervoor dat dit wereldwijd gebeurt.

Die evolutie was niet onontkoombaar. Zij is niet het onvermijdelijke gevolg van een krachtige beweging die, op gang gebracht door de dynamiek van nieuwe technologieën, zou geleid hebben tot wat sommigen de mondialisering noemen. Zij is het gevolg van een weloverwogen keuze van de verkozenen zelf. Een brochure van de WHO, die gepubliceerd werd voor de 4de minister-conferentie te Doha, wijst erop dat het "de parlementen zijn die de verantwoordelijkheid dragen voor de conformiteit van de wetten die ze aannemen met de verdragen die ze goedkeuren".

Omgekeerd kan men zeggen dat het de parlementen zijn die de plicht hebben erover te waken dat de verdragen die men hen voorlegt niet onverenigbaar zijn met de fundamentele princiepen van de democratie, waarvan zij de bewakers zouden moeten zijn.

Het zijn de parlementsleden van de landen van Europa en van Noord-Amerika, die zo graag lessen in democratie geven, die de ultieme verantwoordelijkheid dragen voor de zware achteruitgang van de democratie. Zij hebben immers hun steun gegeven aan de regeringen die een beslissende rol in die evolutie hebben gespeeld.

Terecht kon Pierre Defraigne, de directeur van het kabinet van Europees Commissaris Pascal Lamy, die de enige Europese onderhandelaar is, enkele weken voor de conferentie van Doha zeggen dat het mandaat dat Lamy kreeg om een onderhandelingsprogramma voor te stellen met het oog op een zeer brede liberalisering, de steun had van alle politieke strekkingen van de Europese Unie, van de communisten tot de fascisten(1)

Een zeer veel gehoorde kritiek op de Wereldhandelsorganisatie is haar ondoorzichtig en weinig democratisch karakter. De ontwikkelingslanden en de militanten van de sociale beweging in het Noorden en het Zuiden zijn het roerend eens in hun kritiek op de verklaring van Mike Moore, toen directeur-generaal van de WHO, op de opening van de 3de ministersconferentie in Seattle. Moore zei toen: "Ik kan elke kritiek aanvaarden, behalve deze die het democratisch karakter van de WHO ontkent". Omdat de beslissingen bij consensus moeten worden genomen, wat wil zeggen dat elke staat over één stem beschikt, zou de WHO perfect democratisch functioneren. Als men de praktijk van de voorbije zeven jaar bekijkt, moet men het omgekeerde vaststellen.

Een gekaapte democratie

Op geen andere instelling ter wereld past de uitspraak van George Orwell "ze zijn allemaal gelijk, maar sommigen zijn meer gelijk" beter dan op de WHO. De consensus-democratie, zoals die werd ingesteld door het Akkoord van Marrakesj, waardoor de WHO tot stand kwam, wordt ondermijnd door twee gebruiken, het eerste is in overeenstemming met de tekst van dit Akkoord, het tweede is bedoeld om te ontsnappen aan de beperkingen van deze tekst.

1. In overeenstemming met artikel IX worden de beslissingen bij consensus genomen, meer bepaald door de consensus van de aanwezigen(2). Dat komt neer op het gezegde "wie zwijgt stemt in". De landen die niet vertegenwoordigd zijn als er een beslissing wordt genomen worden beschouwd als landen die hun instemming hebben gegeven. Maar er zijn elke dag een tiental vergaderingen in Genève. Een twintigtal landen hebben er zelfs geen diplomatieke vertegenwoordiging. Bijna 80 andere delegaties beschikken niet over voldoende bevoegde mensen om aanwezig te zijn op alle vergaderingen. Genève is niet alleen de zetel van de WHO, maar ook van een groot aantal internationale en intergouvernementele organisaties. De Ontwikkelingslanden kunnen dat allemaal niet aan, maar de Amerikaanse vertegenwoordiging telt alleen al voor de WHO 155 experts.

2. De systematische praktijk om informele bijeenkomsten te houden. Het gaat om vergaderingen die in het algemeen op initiatief van de directeur-generaal worden gehouden en waaraan, zonder enige publiciteit, het "quadrumviraat" (de Verenigde Staten, de Europese Unie, Canada en Japan) deelneemt. Het is dit "viermanschap" dat de oriëntatie van de organisatie bepaalt. Doorgaans spreekt men van «het Quad », waarbij zich gelegenheidspartners aansluiten zoals Australië, Zuid-Korea, Nieuw-Zeeland, Zwitserland. Men neemt er beslissingen die voor de overigen te nemen of te laten zijn. Men heeft het zelfs, in het kader van de voorbereiding van de ministersconferentie van Doha meegemaakt, dat er zelfs elders, in Mexico en daarna in Singapore, bijeenkomsten werden georganiseerd. Lidstaten die niet uitgenodigd waren, maar toch kwamen opdagen, mochten niet deelnemen.

Alsof die feitelijke ongelijkheid van de lidstaten nog niet voldoende was hebben de Europese Unie en Japan op een bijeenkomst van de Algemene Raad van de WHO begin juli de idee verdedigd om de directeur-generaal te laten verkiezen volgens een kiessysteem dat gebaseerd zou zijn op het commercieel gewicht van de stemgerechtigden!

Een bewuste ondoorzichtigheid

De WHO zet ongeveer 60% van haar officiële documenten op haar internetsite. Maar bepaalde documenten met betrekking tot de onderhandelingen blijven confidentieel onder voorwendsel dat het slechts werkdocumenten zijn. Natuurlijk zijn het juist die documenten die de voostellen van de regeringen of van de Europese Unie bevatten en die, wegens hun maatschappijkeuze, juist grondig zouden moeten worden besproken, vooral in de nationale parlementen. De Europese Commissie, voor wie transparantie niet de eerste bekommernis is, neemt systematisch haar toevlucht tot deze praktijk.

De WHO weigert eveneens de briefwisseling te publiceren die ze krijgt toegestuurd van de kant van patroonsorganisaties en groepen uit het zakenmilieu. Hetzelfde gebeurt met de processen-verbaal van de vergaderingen tussen de WHO en de vertegenwoordigers van die milieus.

De WHO is de enige internationale intergouvernementele organisatie waarvan de werkzaamheden achter gesloten deuren verlopen. Tussen de ministersconferenties in is haar belangrijkste beslissingsorgaan de Algemene Raad. Die bestaat uit de ambassadeurs van de 144 lidstaten. De Raad is bevoegd voor alles wat betrekking heeft op de WHO. Tegelijkertijd houdt hij toezicht over de procedures voor de regeling van geschillen en voor de analyse van de handelspolitiek van de lidstaten. Terwijl bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag – en andere intergouvernementele instelling – de debatten publiek zijn, verlopen die van het Orgaan voor de Geschillenregeling (OGR) van de WHO achter gesloten deuren, wat in strijd is met het universeel principe dat de rechtsbedeling publiek moet zijn.

De WHO is de instelling bij uitstek waarachter de regeringen het best de belangen die ze verdedigen, en de politiek die ze voorstaan, kunnen verbergen voor hun burgers. Het is duidelijk dat het niet in de WHO is dat de regeringen het algemeen belang verdedigen. In het beste geval verdedigen ze de rechten en plichten van de lidstaten onder de Akkoorden van Marrakesj. Meestal verdedigen ze de belangen van drukkingsgroepen uit de zakenwereld.

In tegenstelling tot de instellingen van het systeem van de Verenigde Naties, die deel uitmaken van de Economische en Sociale Raad van de VN, kent de WHO geen waarnemersstatuut toe aan personen die niet namens staten spreken. Zo’n statuut zou hen toelaten de bezorgheid uit te spreken van de miljoenen burgers die gegroepeerd zijn in ngo’s en verenigingen allerhande. Deze burgers kiezen, als ze stemmen voor een politieke partij, niet noodzakelijk voor de verdediging van de belangen van Monsanto, Nestlé, Pfizer, Vivendi enz. De WHO gaat er van uit dat die burgers vertegenwoordigd worden door hun regering en dat deze de enige wettige vertolker is van alle meningen die in hun land worden uitgedrukt. De opties van de burgers zouden dus noodzakelijkerwijs dezelfde zijn als degene die hun regeringen verkondigen! Dit is een moderne versie van het middeleeuwse principe "cujus regio, cujus religio"(3)!

Een partijdig secretariaat

Er kunnen best vraagtekens gesteld worden bij de neutraliteit van de ambtenaren van de WHO, in het bijzonder van de directeur-generaal en van zijn voornaamste medewerkers. De directeur-generaal en zijn ploeg treden niet op als onpartijdige bemiddelaars die rekening houden met het standpunt van elk van de lidstaten. Ze treden voortdurend op als vertegenwoordigers van de rijke landen in een instelling die ermee belast is de belangen van alle landen te verdedigen. En die belangen worden maar al te dikwijls door de regeringen, van welke politieke oriëntatie ook, gelijkgesteld met privé-belangen

Vóór Seattle zowel als vóór Doha werd de hele WHO gemobiliseerd om de Amerikaans-Europese stellingen voor een nieuwe onderhandelingscyclus voor het uitbreiden van de vrijhandelspraktijken te steunen. Aanzienlijke middelen werden ingezet om de lidstaten, de verkozenen, de media, de academische milieus en de sociale beweging te overtuigen van het nut van deze nieuwe cyclus. De directeur-generaal leidde een echte internationale campagne en pleitte voortdurend voor de voorstellen van de rijke landen. Op een bepaald ogenblik werd zelfs een "strategie naar de hoofdsteden" ontwikkeld met als doel gezanten te sturen naar de hoofdsteden van de ontwikkelingslanden. Die moesten de ministers gaan overtuigen omdat hun vertegenwoordigers in Genève immers te goed op de hoogte zijn van de aan de gang zijnde onderhandelingen en van de strikken die werden gespannen door de rijke landen. Ze waren te competent geworden om zich nog te laten vangen(4). Ondanks het feit dat de Ontwikkelingslanden de meerderheid hebben in de WHO werd deze strategie toch doorgezet.

In antwoord op het verzoek van de meerderheid van lidstaten om neutraliteit van de diensten van de WHO, antwoordde de huidige voorzitter van de Algemene Raad, de Canadees Sergio Marchi, dat het mandaat van de WHO en zijn directeur-generaal erin bestaat "de liberalisering te bevorderen"(5). Deze verklaring, die wordt gesteund door al mijn gesprekspartners bij de WHO, is nochtans betwistbaar. Artikel VI van het Akkoord van Marrakesj, waardoor de WHO werd opgericht, geeft immers aan de directeur-generaal de opdracht het secretariaat van de WHO te leiden en te besturen. Niets meer. Meer nog, in paragraaf 4 van dit artikel wordt gepreciseerd dat de directeur-generaal en het personeel van het secretariaat "zich zullen onthouden van elke daad die niet in overeenstemming is met hun statuut van internationaal ambtenaar".

Zoals gebruikelijk als er uiteenlopende interpretaties zijn van een tekst, is de intentie van de opstellers van doorslaggevend belang. Welnu, toen in november-december 1993, tijdens de onderhandelingen van de Uruguay-ronde, dit Akkoord werd besproken, verwierpen de onderhandelaars tot tweemaal toe het voorstel om aan de toekomstige leider van de WHO dezelfde macht toe te kennen, die andere hoge verantwoordelijken van internationale organisaties hebben. Er werd duidelijk gesteld dat de directeur-generaal slechts beschikt over een mandaat zoals het uitdrukkelijk is gedefinieerd door de lidstaten in het kader van de procedure voor besluitvorming. Dit wil zeggen bij consensus tijdens een formele vergadering. Sterker nog, de onderhandelaars preciseerden in paragraaf 4 dat "de directeur-generaal en het personeel van het secretariaat geen instructies zullen vragen of aanvaarden van enige regering noch van enige autoriteit buiten de WHO". Zeven jaren praktijk bewijzen dat het helemaal anders verloopt en dat er voortdurend tussenkomsten zijn van de regeringen van de geïndustrialiseerde landen en van transnationale ondernemingen.

De vraag om neutraliteit, zoals die geformuleerd is door een overweldigende meerderheid van lidstaten, is dus zeer pertinent. Maar de neutraliteit is nergens te bespeuren. De democratie van de WHO komt er vandaag op neer dat een minderheid de macht uitoefent tegen de meerderheid in.

Gemanipuleerde ministersconferenties

De ministersconferentie is het hoogste orgaan van de WHO. Ze bestaat uit de ministers van Buitenlandse Handel van de 144 lidstaten. Ze is bevoegd voor alle materies. Ze komt ten minste elke twee jaar bijeen. Totnogtoe is ze telkens op een andere plaats gehouden. Na Singapore in 1996, was er Genève in 1996, Seattle in 1999 en Doha in 2001. In 2003 zal het Cancun, in Mexico, zijn

De voorbereiding en het verloop van deze conferenties wordt, evenals de dagelijkse werking van de organisatie, zo gemanipuleerd dat er maar weinig democratie aan te pas komt. Op geen enkele van de vier conferenties waren de procedures dezelfde. Deze veranderden naar gelang de omstandigheden en de willekeur van het "Quad" en zijn bondgenoten. Opdat de procedures niet langer zouden afhangen van de willekeur van de rijke landen, hebben vijftien landen permanente regels voorgesteld(6). Deze vijftien landen stellen voor dat de WHO zou functioneren volgens democratische regels. De WHO zou moeten garanderen dat de voorbereiding en het verloop van de ministersconferenties transparant, niet discriminerend en voorspelbaar is.

Na de derde ministersconferentie te Seattle, waar er geen enkel akkoord werd bereikt, kwamen de geïndustrialiseerde landen met formules op de proppen waarin werd toegegeven dat er lessen moesten worden getrokken uit de mislukking en dat er prioriteit moest worden gegeven aan de transparantie van de procedures en aan een effectieve deelname van alle leden aan de beslissing. De Europese Unie lanceerde voor de gelegenheid zelfs enkele voorstellen die snel werden vergeten eens de voorbereidingen voor de vierde conferentie begonnen. En de Europese vertegenwoordigers gingen, met hun Noord-Amerikaanse en Japanse partners, gewoon door met het gebruik en misbruik van de praktijken, die ze volgens hun verklaringen hadden willen hervormen.

De hele voorbereiding van de ministersconferentie werd in feite gekenmerkt – maar verdoezeld in dubbelzinnige Europese taal – door één bedoeling: het standpunt van de geïndustrialiseerde landen opleggen en de verwachtingen van de landen van het Zuiden op een zijspoor zetten. Met de actieve medeplichtigheid van de vertegenwoordiger van Hong-Kong(7), Stuart Harbinson, de voorzitter in functie van de Algemene Raad, en van de directeur-generaal, Mike Moore, werd dit objectief bereikt na een ware machtsgreep. De voorbereidende documenten voor de conferentie van Doha werden in gezamenlijk overleg opgesteld door deze twee agenten van de geïndustrialiseerde landen. Ze werden dan ook gekenmerkt door een algemene oriëntatie die onverdeeld gunstig was voor die landen. De meeste eisen van de ontwikkelingslanden, in het bijzonder hun wens om de meest in het oogspringende onevenwichten recht te zetten, werden niet in deze documenten opgenomen . Deze wens was het voorwerp van debatten ten gronde in de Algemene Raad. Tijdens de bijeenkomst van die Raad op 31 oktober 2001 lieten 22 landen van het Zuiden weten dat ze niet akkoord waren. Onder hen landen als Egypte en India. Maar ook Tanzania, dat sprak namens de groep van de 42 minst ontwikkelde landen die lid zijn van de WHO, en Zimbabwe dat sprak namens de hele Afrikaanse groep.

Daar bleef het niet bij. Stuart Harbinson besloot toen op eigen gezag, met steun van de directeur-generaal en van de geïndustrialiseerde landen, na een reeks informele bijeenkomsten waarvan vele ontwikkelingslanden uitgesloten waren ondanks hun uitdrukkelijk verzoek om aanwezig te zijn, zijn voorstel van ministeriële verklaring, waarover er absoluut geen consensus was, zonder meer naar de ministersconferentie ter sturen, zonder akkoord van de Algemene Raad. Hij schrapte alles wat er op wees dat bepaalde landen bedenkingen hadden bij bepaalde paragrafen. Hij weigerde zelfs dat bij het ontwerp teksten zouden worden gevoegd, die de formele afwijzing van lidstaten zou uitdrukken. Dankzij deze duidelijke schending van artikel IX van het Akkoord waaronder de WHO werd opgericht en ondanks de protesten van verscheidene lidstaten, kon de conferentie in Doha beginnen op basis van een tekst die, in essentie, tegemoet kwam aan de rijke landen.

De vijftien eerder geciteerde landen, die hun lessen hadden getrokken uit de conferentie van Doha, dienden toen een reeks voorstellen in om te voorkomen dat de voorbereiding van de volgende ministersconferenties nog zouden af te rekenen hebben met zulk een machtsmisbruik. Ze vroegen dat de beslissingen die op informele bijeenkomsten worden genomen zonder waarde zouden zijn en in geen enkele geval zouden kunnen beschouwd worden als een onderdeel van de formele voorbereiding. Ze eisten een reeks technische hervormingen waaronder alle lidstaten zouden kunnen deelnemen aan alle fazen van de voorbereiding van de ministersconferenties en dat het niet meer mogelijk zou zijn vertegenwoordigers van een lidstaat uit te sluiten van deelname aan een vergadering binnen de WHO. Vooral eisten ze dat de ontwerpverklaring, evenals de dagorde die aan de conferentie wordt voorgelegd, het voorwerp zouden uitmaken van een consensus binnen de Algemene Raad. Bij gebrek daaraan zouden de verschillende opties aan de conferentie worden voorgelegd.

In Doha kon men een spektakel meemaken waarover de herauten van de democratie liever niet spreken. De deelnemers konden geen overleg plegen over de dagorde en de organisatie van de conferentie. Ze werden gedwongen die te aanvaarden zoals ze voorgesteld werden op de openingsceremonie. Op instructie van de Europese Unie en van de Verenigde Staten werden informele bijeenkomsten georganiseerd, waarvan bepaalde ministers, ondanks hun protesten, werden uitgesloten. Op andere werden ze slechts toegelaten op voorwaarde dat ze geen experts zouden meebrengen – zelfs niet hun ambassadeurs in Genève! – terwijl de Europeanen en Amerikanen over hun ploegen juristen konden beschikken. Documenten die werden voorbereid door het "Quad" werden voorgelegd aan de slotzitting zonder dat daarover beraadslaagd was. De conferentie zelf werd verlengd zonder formeel akkoord van de delegaties op een moment dat de vertegenwoordigers van verscheidene ontwikkelingslanden verplicht waren te vertrekken met de speciale vluchten die georganiseerd waren door het gastland.

De vijftien landen, die willen dat er een einde komt aan dergelijke praktijken, eisen eveneens dat de ministersconferenties op de zetel van de WHO in Genève worden gehouden omdat dit de deelname van de ontwikkelingslanden in belangrijke mate zou vergemakkelijken. Ze werden aangemoedigd door verscheidene delegaties(8) maar tegengewerkt door de Europese Unie en de VS.

Een parodie van justitie

Volgens Renato Ruggiero, de eerste directeur-generaal van de WHO, is het systeem om geschillen te regelen "in vele opzichten het centrale element van het multilateraal handelssysteem en de meest originele bijdrage van de WHO aan de stabiliteit van de wereldeconomie"(9).

De uitvoeringsbevoegdheid bij het regelen van geschillen is één van de nieuwigheden van de Uruguay-ronde. Daardoor werd een autoriteit op wereldvlak geschapen die de voorrang van de economische orde vastlegt. Ze ligt aan de basis van een systeem dat maar van verre lijkt op een echt gerechtelijk susteem, ook al zijn de rijke landen blij met de snelheid en efficiëntie van dat systeem. We hebben meer te maken met een hedendaagse versie van het middeleeuwse "oog om oog, tand om tand". Oordeel maar zelf.

Enkel staten kunnen klacht indienen bij het Orgaan voor Geschillenregeling (OGR). Dit kan zelf niet het initiatief nemen om de regels te doen respecteren, waarvan het de bewaker is. Als een staat een klacht indient namens een onderneming tegen praktijken of wettelijke of reglementaire normen die van kracht zijn in een andere staat, dan wordt er een procedure opgestart bij het OGR.

Ze bevat drie etappes:

a. Een faze van overleg en bemiddeling die de 60 dagen niet mag overschrijden.

b. Als de partijen niet tot een regeling komen, dan wordt het geschil onderzocht door een speciale groep – een "panel" – dat is samengesteld uit experts die gekozen zijn in overleg met de partijen of, bij gebrek aan akkoord, door de directeur-generaal van de WHO. Deze experts, die in eigen naam werken, onderzoeken de feiten, toetsen ze aan de regels en horen de beide partijen. Ze hebben zes maanden de tijd om hun rapport voor te leggen aan het OGR, dat de besluiten slechts bij consensus kan verwerpen.

c. Elke partij kan tegen de beslissing beroep aantekenen bij een beroepsorgaan, waarvan de leden voor vier jaar worden benoemd. Het beroep kan uitlopen op een bevestiging, een wijziging of een vernietiging van de beslissing in eerste instantie. Het OGR kan de beslissing van het beroepsorgaan slechts bij consensus verwerpen.

d. De staat die in het ongelijk wordt gesteld, wordt gevraagd om zich te conformeren aan de regels van de WHO en om de aanbevelingen van het OGR te volgen. Dat betekent dat een maatregel wordt ingetrokken (bv. een belasting of een invoerverbod) of dat de betrokken reglementering of wetgeving wordt gewijzigd. Als de klagende partij geen voldoening heeft gekregen, kan ze de WHO toelating vragen voor vergelding. Dit wil zeggen dat ze opeenvolgende commerciële sancties kan instellen die verscheidene sectoren kan treffen. Een van de bekendste voorbeelden is het recht dat de VS gekregen hebben om sancties uit te vaardigen tegen de landen van de Europese Unie omwille van de weigering van Europa om Amerikaanse rundsvlees te importeren, dat met groeihormonen is behandeld. De VS hebben soms uiterst hoge invoerrechten toegepast op sectoren die niets met het geschil te maken hebben (bv. op Roquefort-kaas). Het land dat weigert zijn nationale wetgeving te wijzigen kan, als prijs voor zijn soevereiniteit, financiële compensaties betalen aan de staat die klacht heeft ingediend bij de WHO en gelijk heeft gekregen.

Ook al wordt vanuit politieke en economische hoek euforisch gesproken over het OGR(10), er is ook heel wat kritiek op dit wel speciale systeem van rechtspraak, in het bijzonder in de landen van het Zuiden.

1. Eén van de garanties tegen willekeur is de scheiding der machten. Welnu, de WHO verenigt de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Ze is er des te machtiger door omdat ze aan geen enkele controle is onderworpen. De WHO is op mondiaal niveau de enige organisatie die geen rekening dient te houden met de soevereiniteit van de staten en hen kan dwingen hun nationale en lokale normen te wijzigen

2. De staten, wier eerste doel is het algemeen belang van hun burgers te verdedigen, worden aldus omgevormd tot advocaten van private economische actoren. Ze staan al sterk onder druk van nationale en multinationale privé-bedrijven, maar krijgen nu een rol die hun afhankelijkheid van die particuliere belangen nog vergroot. Het spectaculairste voorbeeld daarvan is Canada dat de advocaat is geworden van de asbest-producenten.

3. Het feit dat enkel staten een klacht kunnen indienen, leidt ertoe dat overtredingen die geen enkele staat durft aan te klagen ongestraft blijven. Het merkwaardigste voorbeeld is het uitblijven van elk initiatief tegen bepaalde praktijken van het kartel van de Organisatie van Olie-uitvoerende Landen (OPEC).

4. Het OGR is een mechanisme dat feitelijk voorbehouden blijft aan de geïndustrialiseerde landen. Ontwikkelingslanden die politiek, financieel en economisch afhankelijk zijn van bv. hun vroegere kolonisator, kunnen daar moeilijk klacht tegen indienen. Ook tegenmaatregelen liggen buiten hun bereik. Ze kunnen daarentegen zware schade lijden als de geïndustrialiseerde landen sancties tegen hen treffen. Ten slotte vereist het indienen van een klacht aanzienlijke menselijke en financiële middelen, waaraan de armste landen juist gebrek hebben. Onderzoek van de geschillen die zijn voorgelegd aan het OGR toont aan dat het in zeer sterke mate de geïndustrialiseerde landen zijn, die er hun toevlucht toe nemen(11).

5. De onafhankelijkheid van de OGR kan in twijfel worden getrokken aangezien de experts worden aangeduid voor een specifiek geval, wat in tegenspraak is met het principe dat een rechter niet kan worden afgezet. Het feit dat de experts meestal worden aangeduid door de directeur-generaal van de WHO, is een reden te meer voor wantrouwen.

6. Het confidentieel karakter van de besprekingen van de speciale groepen van het ORG en van het beroepsorgaan is een andere inbreuk op de algemene rechtsprincipes. De openbaarheid van de debatten is één van de garanties van een onpartijdige justitie. Die bestaat niet bij het ORG. Experts zonder democratische legitimiteit, van wie de onafhankelijkheid kan worden betwijfeld, kunnen in het grootste geheim de soevereiniteit van een staat ondergraven door de afschaffing te eisen van nationale, zelfs van lokale normen op het gebied van, bij voorbeeld, de mensenrechten, de gezondheid, het leefmilieu, de diensten, onder voorwendsel dat ze "belemmeringen voor de handel" vormen(12).

7. Uit de reeds getroffen beslissingen van de OGR blijkt dat de interpretatie van de WHO-regels meer en meer beperkingen oplegt aan de ontwikkelingslanden en dat de rechten van de geïndustrialiseerde landen steeds meer worden beschermd

Het besluit, dat aan de Franse Nationale Vergadering is voorgelegd door volksvertegenwoordiger Jean-Claude Lefort, lijkt vanzelfsprekend: “De leden van de WHO en de armsten onder hen, kunnen zich op legitieme wijze de vraag stellen of deze organisatie wel gebaseerd is op rechtsregels en niet op krachtsverhoudingen" (13).

(Uitpers, nr. 33, 4de jg., september 2002)

* De auteur is doctor in politieke wetenschappen, gediplomeerde van Belgische en Franse universiteiten; momenteel onderzoeker over bepaalde kwesties in verband met de Wereldhandelsorganisatie (WHO) bij twee ngo’s: Oxfam België (Brussel) en bij de "Unité de Recherche, de Formation et d’Information sur la Globalisation (Parijs); waarnemer bij de 4de minister-conferentie van de WHO te Doha (Qatar)/

Voetnoten

(1) Tussenkomst van Defraigne op het colloquium dat op 31 oktober 2001 in Gent werd georganiseerd door de Belgische eerste minister.
(2) Een voetnota preciseert de draagwijdte van artikel IX als volgt : « Het betrokken orgaan wordt verondersteld een beslissing bij consensus te hebben genomen over een kwestie die het kreeg voorgelegd als geen enkel lid dat aanwezig is op de bijeenkomst waarop de beslissing genomen is, zich formeel verzet tegen de voorgestelde beslissing ».
(3) Krachtens dit principe werden de bewoners van een gebied geacht automatisch het geloof van hun heer aan te hangen.
(4) De Europese Unie was co-auteur van deze « strategie naar de hoofdsteden ». In de Europese Ministerraad werd besloten de middelen te mobiliseren om het succes van deze strategie te verzekeren.
(5) WHO, persconferentie van 14 mei 2002.
(6) OMC, Preparatory Process in Geneva and Negotiating Procedure at the Ministerial Conferences, mededeling voorgelegd door Cuba, Egypte, Honduras, India, Indonesie, Jamaïca, Kenya, Maleisië, Mauritius, Pakistan, Dominicaanse Republiek, Sri Lanka, Tanzania, Uganda en Zimbabwe, WT/CG/W/471, 24 april 2002.
(7) De teruggave van Hong-Kong aan China heeft geen einde gemaakt aan de aparte vertegenwoordiging van dit gebied. Bij de WHO heeft een statuut alsof het een onafhankelijk land is.
(8) Brazilië, la Chins, la Maleisië, Noorwegen, de Filippijnen, Turquie. WT/GC/M74, 1 juli 2002.
(9) WHO, Un commerce ouvert sur l’avenir. Genève : OMC, brochure de présentation. 2de uitgave, juni 1999.
(10) Een voorbeeld daarvan is te vinden in het rapport dat werd voorgelegd aan de Franse Nationale Vergadering door Béatrice Marre. Dit parlementslid van de Socialistische Partij (PS) is blij met de versterking van "het dwingend karakter van het internationaal handelsrecht", dat toelaat "de gelijkheid tussen de lidstaten van de WHO beter te garanderen". Ze meent dat "dit mechanisme onbetwistbare voordelen heeft en dat de hervorming ervan met voorzichtigheid moet worden benaderd". In parlementaire taal betekent dit een krachtige steun aan het status quo, ook buigt de auteur zich uitvoerig over verscheidene hervormingsvoorstellen. Assemblée nationale. Rapport d’information sur la réforme de l’Organisation mondiale du commerce et son lien avec l’architecture des Nations Unies. Parijs, 15 juni 2000.
(11) Van de eerste 183 voorgelegde geschillen werden er 114 aanhangig gemaakt door de VS, de Europese Unie, Japan en Zuid-Korea.
(12) De recente beslissing waarbij, om gezondheidsredenen, Frankrijk gelijk kreeg tegen Canada in de zaak van het asbest, lijkt de uitzondering te zijn die de regel bevestigt.
(13) LEFORT (Jean-Claude), lid van de Franse Nationale Vergadering. Rapport sur la place des pays en développement dans le système commercial multilatéral. Parijs,

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 31 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook