De ‘war on terror’ is een weloverwogen strategie om elk verzet tegen het kapitalisme te criminaliseren

De aanslagen in New-York, Londen en Madrid waren voor de Verenigde Staten en Europa het signaal om zonder schroom de fundamentele rechten van hun burgers aan te tasten. Onder de vlag van ‘de strijd tegen het terrorisme’, namen zij maatregelen die tot op zekere hoogte vergelijkbaar zijn met de fascisering van Europa in de jaren dertig onder Hitler en Mussolini.

Het bestrijden van het ‘terrorisme’ begon niet op 11 september. Maar na die datum kwam dit beleid in een stroomversnelling en tot op vandaag is het nog in volle uitbreiding. Met 11 september startte een nieuwe historische periode van politieke repressie.

Terrorisme dient bestreden te worden, onschuldige burgers verdienen bescherming

De klassieke juridische definitie van terrorisme slaat op het gebruik van georganiseerd geweld tegen onschuldige burgers.

Het is geen discussiepunt dat een staat zich wapent tegen terreurdaden zoals deze van Al-Quada. Deze blinde extreemrechtse en fascistische terreurdaden verdienen geen enkel begrip. Het slachtoffer van dit geweld zijn immers de onschuldige burgers in de straten van New York, Londen, Madrid en Mumbai.

Zo is ook de Iraakse bevolking het slachtoffer van de onwettige bezetting van Irak door de VS en het Verenigd Koninkrijk. Ook dit staatsterrorisme verdient geen enkel begrip. Deze beide vormen van terrorisme zijn mekaars voedingsbodem. Zonder Al Qaeda was het voor Bush veel moeilijker geweest om Irak binnen te vallen en drastische maatregelen te nemen tegen de fundamentele rechten zoals in de Patriot Act. De inval in Irak en de terreur van de VS tegen de burgerbevolking zijn aan de andere kant een voorwendsel geweest voor fundamentalisten van allerlei slag om zich te mengen in het Iraakse moeras.

11 september is het begin van een nieuw tijdperk van aanvallen op de burgerlijke vrijheden

De VS is op wereldvlak zonder discussie de motor en leidende kracht voor de antiterrorisme maatregelen. Alle schendingen van mensenrechten worden goedgepraat met het argument dat zij nodig zijn in de strijd tegen de terreur. Imperialistische staten en hun bondgenoten hebben in de loop van de geschiedenis hun staatsapparaten steeds beter uitgebouwd en geperfectioneerd om het verzet van de volkeren tegen onrecht en onderdrukking te breken.

De maatregelen die door de VS de voorbije vijf jaar genomen zijn betekenen een historische wijziging op het vlak van de uitbouw van het apparaat om wereldwijd de macht van het VS-imperium te kunnen opleggen. Dit imperium is bedreigd door de opkomst en economische ontwikkeling van andere landen zoals Brazilië, Rusland, India en China. Tegen 2040 zullen deze landen de oude geïndustrialiseerde landen (US, Japan, Europa) bijgebeend hebben.

Na de tweede wereldoorlog was er wereldwijd als gevolg van de overwinning op het fascisme in Europa en Japan en onder invloed van de opgang van het socialisme en antikolonialisme een enorme uitbreiding van de fundamentele rechten waarvan de volkeren en de burgers konden genieten. Er was de oprichting van de UNO die in haar Handvest als principe het verbod op oorlog instelde, en enkel zeer uitzonderlijk (als antwoord op agressie of met goedkeuring van de UNO zelf) een staat toeliet oorlog te voeren. Met de oorlog in Irak hebben de VS en het Verenigd Koninkrijk deze principes geschonden.

Er waren in 1949 de verschillende conventies van Genève (vier conventies en twee protocols) die strikte regels vastlegden voor het behandelen van soldaten, krijgsgevangenen en burgers bij gewapende conflicten. In de Irak-oorlogen en tijdens de agressieoorlog van Israël van juli-augustuis 2006 tegen Libanon werden deze conventies zwaar geschonden.

In 1966 werden in het kader van de UNO de zeer belangrijke verdragen op de burgerrechten en de politieke rechten en op de economische, sociale en culturele rechten aangenomen. In Europa was reeds in 1950 het belangrijke verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aangenomen.

Deze progressieve verworvenheden van het internationaal recht staan vandaag onder grote druk en worden wereldwijd met de voeten getreden. Progressieve juristen moeten deze fundamentele rechten hardnekkig verdedigen: ‘vechten voor deze rechten, voor het respect voor deze rechten, voor de concrete toepassing ervan, voor de uitbreiding van deze rechten’.

De ‘war on terror’ legt een bijzondere verantwoordelijkheid op de schouders van progressieve advocaten en juristen.

Krachtlijnen van het antiterreurbeleid van VS en EU: naar een permanente terreurstaat, naar een ‘war on terror’ zonder einde

Niet toevallig heeft VS-president Bush zijn kruistocht ‘war on terror’ genoemd. ‘Oorlog’ betekent dat er een vijand is. De vijand van Bush is geen staat meer, maar een wereldwijd verspreid amalgaam van gegroepeerde en loslopende terroristische personen. Deze ideologische verrechtvaardiging houdt dan ook in dat in tegenstelling tot een klassieke oorlog, het oorlogsterrein zich over de ganse wereldbol uitstrekt en het een oorlog ‘zonder einde’ is, daar er nooit een vredesakkoord met deze vijand kan gesloten worden omdat dit soort terroristische vijand van alle tijden was en van alle tijden zal zijn.

De ‘war on terror’ is voor het imperialisme de ideale inkleding om een permanente ‘war on civil liberties’ te voeren.

1. Buitengerechtelijke moorden, foltering, geheime gevangenissen, geheime vliegtuigvluchten

De Filippijnen zijn het bloedigste voorbeeld van de strategie om sociale en politieke oppositie te bekampen met het standrechtelijk vermoorden van activisten. Sinds president Arroyo in 2001 aan de macht kwam en tot midden 2006 tellen wij 757 extrajudicial killings en 184 vermiste personen.

De geheime gevangenissen van de VS in landen als Egypte, Roemenië en Polen en de geheime vluchten met ‘unlawful enemy combatants’ leiden wereldwijd tot protest.

2. Speciale ‘antiterrorisme’ wetten

Voor 11 september bestonden er in sommige Europese landen zoals Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Turkije speciale anti-terrorisme wetten. Inzonderheid de Turkse wet hield het verbod in om politieke verandering te promoten. Deze wetgeving kwam tot stand onder invloed van de militaire staatsgrepen in Turkije. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sinds de jaren zeventig Turkije een recordaantal politieke gevangenen kent.

Wat wij zien is dat dit type van fascistische wetgeving, welke ‘normaal’ is in een dictatuur, in bijna alle landen wordt ingevoerd. Dit is zo in de VS met de Patriot Act I en II. In Europa is dit gebeurd door de uitwerking in ieder land van de EU van het kaderbesluit van juni 2002 van de Europese Unie. Reeds op 19 september 2001, dus amper acht dagen na 9/11, pakte de EU uit met een ontwerp kaderbesluit tegen het terrorisme. Dit kaderbesluit werd in een definitieve vorm gegoten in juni 2002.

Door dit kaderbesluit werden alle EU-landen verplicht deze antiterreurwetgeving in de eigen strafwet in te voegen. Dit gebeurde in de meeste landen, in België en Nederland bijvoorbeeld in 2004.

In landen zoals de Filippijnen is dit debat anno 2006 nog aan de gang in de Senaat.

De aard van dit soort wetgevingen houdt in dat er in de strafwet een algemeen politiek misdrijf wordt ingevoerd terwijl voorheen in de meeste strafwetten enkel zeer specifieke politieke misdrijven waren opgenomen zoals bijvoorbeeld collaboratie met de vijand of belediging van het staatshoofd.

Dit soort wetgeving heeft voor gevolg dat de politieke strijd die normaal met politieke middelen dient gevoerd te worden (debat, verkiezingen, demonstraties, wetsvoorstellen…) en die plaatsvindt in het kader van de uitvoerende en wetgevende macht, vanaf nu ook voor de rechtbanken zal beslecht worden. Dit is een zeer gevaarlijke evolutie omdat het van politieke oppositie een misdrijf maakt en omdat het verder politieke opties en acties criminaliseert.

De natuur van dit soort uitzonderingswetten is gericht op het behoud van de bestaande kapitalistische orde en het blokkeren van acties die gericht zijn op sociale en politieke verandering van het systeem. Dit staat ook expliciet in al deze wetten.

Al deze wetten ‘tegen het terrorisme’ introduceren in hun definitie letterlijk een verbod:

  • Om de bestaande politieke, economische en sociale orde van het land te wijzigen, met andere woorden wordt het als terrorisme aanzien wanneer men opkomt voor een andere maatschappijvorm dan deze waar privé bezit van het eigendom of van de productiemiddelen of van het kapitaal dominant zijn.
  • Om regeringen of internationale instellingen met radicale methodes te dwingen bepaalde beslissingen te nemen of hen te forceren bepaalde beslissingen die zij willen nemen, niet te nemen.
  • “Om de bevolking vrees aan te jagen”: dit houdt het verbod in om brede sociale bewegingen, zoals bijvoorbeeld een algemene staking, te organiseren.

Dit soort wetgevingen maakt een mix van politieke actie en misdrijven: met andere woorden zij maken van een politieke daad een criminele daad en trachten op die manier deze acties te ontdoen van hun politiek karakter (depolitiseren van politieke acties).

Op die wijze wordt een breed spectrum van politieke acties gestigmatiseerd als ‘terrorisme’.

Het concept van terrorisme is uitgebreid tot verschillende vormen van sociale strijd en verzet. Dissidente politieke opinie en vakbondsengagement kan zo gecriminaliseerd worden. Wie zoals de Europese havenarbeiders de Europese Commissie wil dwingen haar richtlijn tot liberalisering van de havenarbeid in te trekken valt onder de definitie. Andersglobalisten die acties voeren tegen het kapitalisme en een andere maatschappij willen vallen er eveneens onder. Ook milieuactivisten zoals Greenpeace of dierenrechtenactivisten worden in sommige landen vervolgd op basis van de antiterrorismewetten.

Dit gaat dus veel verder dan het bestrijden van Al Qaeda.

De wet creëert ‘terreurverdachten’ op basis van een zeer brede definitie, veegt het onderscheid weg tussen antiregeringsprotest en georganiseerd geweld tegen burgers, door ganse gemeenschappen (moslims) onder verdenking te stellen als ‘geassocieerd’ met terrorisme, ondermeer via een psychologische oorlogsvoering en desinformatie over ‘Al Qaeda cellen’.

Al deze wetten voeren zeer strenge straffen in, in sommige landen zelfs de doodstraf. Zij leiden tot een massale toename van het aantal politieke gevangenen zoals in Turkije, maar stap bij stap ook in West-Europa en in de VS.

Deze wetten straffen niet enkel individuen voor hun daden, maar zij voeren het ‘associatiemisdrijf’ in. Dit betekent dat het eenvoudige lidmaatschap van een organisatie die als terroristisch wordt beschouwd en zelfs de legale bijdrage aan deze organisatie zonder zelfs ook maar lid ervan te zijn, evenals een actie van solidariteit met deze organisatie, kunnen beschouwd worden als een strafbare gedraging.

De uitzonderingswetten geven ook aanleiding tot speciale procedures voor de rechtbanken, tot speciale antiterrorisme hoven, tot rechtbanken die met gesloten deuren zetelen en op die manier de openbaarheid van de zitting opheffen, tot strategieën die komaf maken met de normale procesgaranties ( bijvoorbeeld geheime bewijzen, speciaal geselecteerde advocaten, verbod voor advocaten om bepaalde informatie bekend te maken aan zijn cliënt of aan de pers), tot speciale systemen en lange periodes van incommunicado (verbod op contact met buitenwereld) van de verdachte (bijvoorbeeld in het ontwerp van de Filippijnse antiterreurwet 15 dagen voordat verdachte voor een rechter moet verschijnen) wat de deur wijd openzet voor foltering tijdens ondervragingen.

3. Administratieve repressie naast strafrechtelijke repressie als specifieke vorm van ‘antiterreur’beleid. Typevoorbeeld: de lijsten van terroristische organisaties.

Er is een tendens om politieke repressie ook meer en meer met administratieve procedures uit te oefenen. De administratie, uitvoerende macht en regering, handelen zo in plaats van de rechtbanken. Een aantal garanties die in de strafwet zijn opgenomen – zoals het recht op een eerlijk proces, recht op tegenspraak, bijstand van een advocaat, recht op inzage van dossier en toetsen van de bewijzen – verdwijnen in het administratieve ‘proces’. De administratieve maatregelen steunen bovendien op oncontroleerbare informatie van veiligheidsdiensten, terwijl in het strafrecht in principe wordt geoordeeld op basis van tegensprekelijk onderzoek door gerechtelijke diensten.

In het Verenigd Koninkrijk bestaan de ‘control orders’. Door deze control orders kan de regering verregaande maatregelen nemen (administratieve detentie, huisarrest, verbod op communicatie met derde personen, enkel bijstand van door de staat aangeduide advocaten…) zonder dat een inbreuk op de strafwet moet bewezen worden.

Het meest verregaande voorbeeld van administratieve maatregel is de VS-gevangenis van Guantanamo. Op louter bevel van de president van de VS en van zijn regering worden ruim 400 personen gevangen gehouden, sommigen reeds vijf jaar, zonder enige vorm van proces, zonder tenlastelegging, zonder recht op verdediging.

De lijsten van terroristische organisaties en individuen die bestaan op het niveau van de UNO, de VS, de EU en bepaalde individuele landen, hebben als vorm van administratieve repressie wereldwijd veruit het meeste impact.

Deze lijsten illustreren bovendien het best de echte strategie achter het antiterreurbeleid. Deze lijsten worden opgemaakt zonder enige tegenspraak van de betrokkene en zonder dat deze enig recht op verdediging heeft. Dit heeft voor gevolg dat wie op de lijst komt alle financiële middelen om politieke actie te voeren ontnomen wordt en dat het kleven van het etiket ‘terrorist’ iedereen afschrikt om op enige wijze solidair te zijn met deze persoon of organisatie. Het criminaliserend effect is dus zeer groot.

Dat het de EU en de VS niet (enkel) om Al Quada te doen is blijkt doordat op die lijst ook bevrijdingsorganisaties voorkomen die reeds decennia een strijd voeren tegen tirannie, onderdrukking of bezetting. Het gaat over bewegingen zoals de NPA (New People’s Army) op de Filippijnen (en de adviseur van het Nationaal Democratisch Front van de Filippijnen professor J.M. Sison), het FPLP (Volksfront voor de Bevrijding van Palestina) of de Iraanse Mujaheddin. De strijd van deze organisaties vindt een legitimatie in het internationaal recht, maar dit recht op (gewapend) verzet wordt door de EU en de VS gedegradeerd tot een criminele daad.

De tendens van de steeds grotere greep van de uitvoerende macht (ten nadele van de wetgevende en gerechtelijke macht) op het repressieve beleid is een belangrijke evolutie. Die uitvoerende macht (op Europees niveau: EU-ministerraden, EU-commissie, nationale regeringen, politie, info- en veiligheidsdiensten, procureurs…) bepalen steeds meer welke wetten er komen (zij leggen deze op als dictaten aan de parlementen van de verschillende EU landen en aan het Europees parlement) en zij bepalen ook meer en meer de praktijken van de repressie.

4. Totale controle van de bevolking en uitbreiding van de geheime onderzoeksmethoden van de politie- en geheime diensten

Wereldwijd zijn op brede schaal maatregelen ingevoerd die toelaten de activiteiten van de bevolking volledig te controleren.

Dit gebeurt door massale registratie van gegevens (data die via internet, mail, telefoon, bankverrichtingen – denken wij aan het Swiftschandaal – … bekomen worden). De VS verplichten andere landen om details te geven over vliegtuigpassagiers naar hun land: bv eetgewoonten. Deze massale bestanden worden digitaal gescreend op codewoorden. Deze analyse resulteert in lijsten en overzichten van individuen en organisaties, waarvan 99,9 % niets anders doet dan op een legale wijze gebruik te maken van haar burgerlijke vrijheden. Deze analyses worden ook aangewend om sociaal protest te criminaliseren. In die zin is de big-brother-staat een feit.

Deze massale controle gaat samen met het radicaal uitbreiden van de middelen en mogelijkheden van de gerechtelijke- en politiediensten, en thans ook van de inlichtingen- en geheime diensten van staat en leger. Deze diensten krijgen de mogelijkheden om zonder (veel) gerechtelijke of parlementaire controle speciale onderzoeksmethoden aan te wenden: infiltratie, brief- telefoon- en mailtap, observatie, gebruik van afluisterapparatuur, huiszoeking en inbraak in privé-woningen zonder gerechtelijke toestemming…

Er is wereldwijd ook de tendens om de inlichtingen verzameld door de geheime diensten in het kader van het veiligheidsbeleid van een staat, ook aan te wenden in het strafproces. Dit doorbreekt het kader van het strafrecht daar data van inlichtingen- of veiligheidsdiensten in principe niet bestemd zijn voor en niet verzameld worden met het oog op een strafprocedure.

5. Van terrorisme naar extremisme en radicalisme

Dat de ‘oorlog tegen het terrorisme’ een bewuste strategie is van de EU (en de VS) tegen elke verzet tegen het neoliberale kapitalisme blijkt verder ook uit het feit dat sedert 2004 in één adem met terrorisme ook ‘extremisme en radicalisme’ worden geviseerd. Uiteraard worden hiermee niet de extremistische winsten van de multinationals in bijvoorbeeld de bank- of petroleumsector bedoeld. De strijd tegen het extremisme wordt verkocht als een strijd tegen de fundamentalistische en radicalistische tendensen in de moslimwereld en inzonderheid onder moslimmigranten in Europa. Maar deze vlag dekt opnieuw niet de ganse lading. Onder extremisme worden alle individuen en organisaties geviseerd die op één of andere wijze de bestaande maatschappelijke orde in vraag stellen, zelfs milieuactivisten zoals deze van Greenpeace.

Een frappant voorbeeld is de geheime lijst van de politiediensten die in Antwerpen (een havenstad in België van 420.000 inwoners) in 2005 onthuld werd. Op deze lijst van ‘terroristische en extremistische’ organisaties van die stad komen meer dan 200 namen van personen en organisaties voor, waarvan 99% volkomen legale en openlijke maatschappelijke en politieke activiteiten ontplooit: het gaat dan over migrantenorganisaties, uitgeverijen, humanistische organisaties, dierenrechtenbeschermers, progressieve advocaten… Onder het mom van de strijd tegen het terrorisme wordt op die manier zelfs de grofste schending van de basisrechten tot een ‘normale’ praktijk. Want het aanleggen van zo’n lijst betekent dat deze personen en organisaties gevolgd worden, dat hun privacy wordt aangetast, dat hun recht op vrije organisatie en meningsuiting in vraag wordt gesteld. Op die wijze wordt het begrip terrorisme dan ook uitgebreid tot allerlei vormen van protest en verzet, zowel op het politieke, syndicale en maatschappelijk terrein.

6. Beperkingen van de fundamentele rechten

Een concreet voorbeeld van de verregaande aantasting van de fundamentele rechten is de ‘Military Commissions Act of 2006’ die eind september 2006 door de Amerikaanse Senaat werd goedgekeurd. Om bij terreurverdachten bekentenissen af te dwingen mogen militaire ondervragers voortaan onorthodoxe ondervragingstechnieken gebruiken, zoals het wakker houden van gedetineerden, verplichte stand in stresserende posities, het blootstellen aan hitte, water en koude. Het martelen dat verboden is door internationale verdragen wordt op die wijze gelegaliseerd. Deze barbaarse methoden betekenen het einde van de moderne rechtsstaat. Universele burgerrechten die ons moeten beschermen tegen mogelijke willekeur van de staat, het leger en de politie gaan zo verloren. Dezelfde ‘Military Commissions Act’ stelt verder militaire commissies in voor die personen die door de president van de VS ‘Unlawful Enemy Combatant’ worden gekwalificeerd. Deze militaire commissies bestaan enkel uit militaire rechters (een nieuwe uitzonderingsrechtbank wordt gecreëerd), de verdediging wordt waargenomen door militaire advocaten of burgerlijke advocaten die gescreend worden en een speciale toelating moeten verwerven, er wordt gewerkt met geheime informatie en bewijzen die door de advocaat niet aan zijn cliënt mogen meegedeeld worden, een groot aantal van de weerhouden misdrijven kunnen met de doodstraf gesanctioneerd. Ook het fundamentele rechtsprincipe van de habeas corpus (dat niemand van zijn vrijheid kan beroofd worden zonder een bevel van een rechter en zonder recht van verweer bij een rechter) wordt gewoonweg afgeschaft.
Het is duidelijk dat deze wetgeving het einde betekent van de rechtsstaat.

Kellogg Brown & Root, een filiaal van Cheney’s (VS vice-president) Halliburton is op dit ogenblik bezig om op een onbekende plaats in de VS een gevangenis te bouwen met hoge veiligheidsfaciliteiten waarin tienduizenden politieke gevangenen kunnen opgesloten worden.

Een andere maatregel die in de EU kort na 11 september werd genomen is het Europees aanhoudingsmandaat. Het kaderbesluit op het Europees aanhoudingsmandaat heeft voor gevolg dat binnen de EU uitlevering van (ook politieke) verdachten of veroordeelden bijna automatisch geschiedt. Vroeger kon een land de uitlevering weigeren als de persoon in kwestie een eigen onderdaan betrof, als het om een politiek vluchteling ging, als het om een politiek misdrijf ging of als die persoon dreigde vervolgd te worden omwille van zijn godsdienst, nationaliteit of politieke opvattingen. Al deze fundamentele garanties, die vanaf de 19de eeuw verworvenheden waren in het internationaal recht, zijn zo met één klap afgeschaft.

De ‘oorlog tegen het terrorisme’ van de EU en de VS grijpt nog in op diverse andere fundamentele rechten, zoals hoger beschreven.

7. Wat zit er nog in de pijplijn?

De krachtlijnen voor het wereldwijd ‘antiterreur’beleid worden vooral uitgezet door de G8 en de VS die hierin de dominerende kracht zijn.

De G8 wil op twee terreinen de repressie nog aanscherpen.

Vooreerst wil zij dat de landen de antiterreurwetgeving nog ruimer maken door ook de ‘apologie’ (het verheerlijken) van het terrorisme strafbaar te stellen. Dit is een zeer gevaarlijke tendens omdat dit ertoe kan leiden dat de persvrijheid aan banden wordt gelegd: want welke journalist zal nog durven berichten over bijvoorbeeld een bevrijdingsstrijd in de Derde Wereld als hij zelf riskeert vervolgd te worden als terrorist?

Ten tweede wil de G8 dat ook de inlichtingen die door veiligheids- en geheime diensten worden ingezameld door gebruik te maken van geheime onderzoeksmethodes ook in strafprocessen kunnen gebruikt worden. Het probleem hierbij is dat deze geheime informatie ook tijdens dat strafproces grotendeels geheim zou moeten blijven, wat natuurlijk opnieuw aanleiding zal geven tot geheime strafdossiers en tot speciale rechters en aangeduide advocaten die dit geheim moeten garanderen.

Toenemend verzet

Er is een groeiend verzet tegen deze “war on terror” die verworden is tot een oorlog tegen de fundamentele rechten en vooral tot het criminaliseren van elke politieke en sociale beweging die de uitbuiting van het kapitaal met haar schandalige winsten en verrijking van een fractie van de bevolking in vraag durft stellen.

Jo Stevens, voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies, die in België meer dan 8.000 advocaten vertegenwoordigt formuleerde het in zijn nieuwjaartoespraak 2006 als volgt:

“Omdat een mijnheer in Amerika de oorlog aan het terrorisme heeft verklaard, zijn wij een advocatuur in tijden van oorlog geworden. De rechten en vrijheden die Europa gedurende eeuwen centimeter na centimeter heeft bevochten, worden nu met hele meters tegelijk teruggeschroefd. De fundamentalisten van preventie en repressie bedreigen onze rechtsstaat meer dan de religieuze fundamentalisten”.

Deze stellingname kan ik volledig onderschrijven. Het is ook een oproep aan de progressieve advocaten en juristen om samen met de brede maatschappelijke en syndicale beweging de verdediging van de fundamentele rechten en vooral van het recht op maatschappelijke verbetering ter harte te nemen.

Enkele krachtlijnen van een democratisch programma tegen de ‘war of terror’

  • Verdediging van de fundamentele rechten en burgerlijke vrijheden. Verzet tegen de beperkingen van de vrije meningsuiting en van het recht op organisatie.
  • Verdediging van het democratisch recht op politieke dissidentie.
    Respect voor het recht om op te komen tegen tirannie, sociaal onrecht en staatsrepressie.
  • Intrekking van de uitzonderingswetten die werden ingevoerd onder de vlag van de ‘war on terror’
  • Verzet tegen elke maatregel die legitieme politieke oppositiebewegingen criminaliseert, tegen elke gevangenhouding zonder tenlastelegging.
  • Stop de buitengerechtelijke moorden; onafhankelijk onderzoek naar deze moorden; bestraffing van de verantwoordelijken.

(Uitpers, nr. 81, 8ste jg., december 2006)

Raf Jespers

Advocaat PROGRESS Lawyers Network (raf.jespers@progresslaw.netwww.progresslaw.net)

Deze tekst is die van een voordracht conferentie International Association of People’s Lawyers (IAPL), Davao Filippijnen oktober 2006

Visited 5 Times, 1 Visit today

Tags :
Over