De verloren eer van José María Aznar

Hij had zijn afscheid van de politieke scène tot in de puntjes gepland. Een gehoorzame opvolger aangeduid met zijn almachtige vinger. Een select clubje opgericht met machtsgeile vrienden voor het leven (Bush, Blair, Berlusconi, Uribe,…). De Spaanse justitie in bedwang gehouden en de media zodanig onder controle gekregen dat in elke uithoek van het wijde land dezelfde idee klonk van die Ene Grote (als het even kan christelijke en neoliberale) Spaanse Natie.

Maar toen ging het mis: een resem monsterlijke aanslagen op een viertal stadstreinen die studenten en arbeiders van de armere buitenwijken naar het centrum van Madrid moesten brengen, veroorzaakt een ongezien bloedbad.

Mensonge d’état

Haast instinctief denkt zowat elke Spanjaard aanvankelijk aan het ETA – de afkeer voor de terreurbeweging die in de laatste 30 jaar meer dan 800 mensen ombracht is groot en daar zal nauwelijks verandering inkomen nu alle verdenkingen in de richting van het islamitische fundamentalisme wijzen.

Aznar en de leden van zijn conservatieve volkspartij Partido Popular (PP) hebben die 11de maart onmiddellijk door wat er op het spel staat: is het ETA de schuldige dan lijkt het allesbehalve ondenkbaar dat de geshockeerde bevolking de beschermende vleugel van de regering gaat opzoeken. Met het oog op de verkiezingen van 3 dagen later zou dat de PP uitstekend van pas komen, aangezien de meeste peilingen van vóór 11 maart meldden dat de partij een stemmenaantal zou halen dat nauwelijks hoger ligt dan dat van de voornaamste oppositiepartij, het sociaal-democratische PSOE.

De andere optie zorgt voor paniek binnen de rangen van de regeringspartij: blijkt Al Qaeda achter de aanslagen te zitten dan legt de burger ongetwijfeld het verband met de invasie in Irak, die door Aznar ten volle gesteund werd ondanks de massale tegenkanting van de publieke opinie. Het was dus zaaks koste wat het kost het ETA naar voren te schuiven als enige mogelijke schuldige voor de aanslagen, tenminste tot na de verkiezingen. Het dient gezegd dat de partij van Aznar goed op weg was te slagen in dat opzet, hoewel de aanwijzingen in de richting van Al Qaeda zich opstapelden.

De binnenlandse media waren grotendeels monddood gemaakt (Aznar bracht de hoofdredacteurs van alle grote kranten telefonisch op de hoogte dat "de regering de absolute zekerheid heeft dat het ETA de dader is", de Spaanse ambassadeurs werd door de minister van Buitenlandse Zaken Ana Palacio opgedragen "alles in het werk te stellen om elke andere hypothese dan die van het ETA ten stelligste af te wijzen" en wie toch een andere mening liet horen werd de huid volgescholden – zo werd Batasuna-lid Arnaldo Otegi een "sukkelaar" genoemd toen hij elke betrokkenheid van het ETA ontkende.

Pásalo

Eén van de weinige mediakanalen die de manipulatie-en-censuur-storm wist te doorstaan is de radiozender Cadena SER. Het is die omroep die op zaterdagavond melding maakt van spontane betogingen aan de hoofdzetel van de PP in Madrid en in andere steden. Het aantal manifestanten stijgt snel en op onafhankelijke nieuwssites als Indymedia, per email en per SMS wordt opgeroepen de straat op te trekken of kabaal te maken met potten en pannen (een "cacerolazo" zoals ook het moedige Argentinië die gekend heeft). De woelige uren voor de verkiezingen van 14 maart van start gingen zou voortaan bekend staan als de nacht van de "pásalo", de boodschap waarmee de uitgewisselde berichten steevast werden afgesloten. Bij de PP voelt men dan al aankomen dat het uitgekiende plannetje aan het mislukken is.

Op zondagavond wordt bevestigd dat de Partido Popular een zware verkiezingsnederlaag geleden heeft ten koste van een partij, de PSOE, die niet zo lang geleden op sterven na dood leek. Van alle kanten, vooral ook vanuit het buitenland, komt kritiek op de manier waarop de crisis werd aangepakt door de Spaanse overheid. Zo publiceerde de vooraanstaande krant Financial Times op 26 maart een artikel waarin het uitdrukkelijk vragen stelt bij de handelswijze van Aznar en zijn medewerkers: "een aantal regeringen in Europa meent dat Spanje het hele continent in gevaar heeft gebracht door het ETA met de vinger te wijzen en zich hardnekkig aan dat idee vast te klampen", schrijven Leslie Crawford en George Parker, die het artikel beëindigen met een veelzeggende zin: "de reputatie van Aznar is naar de vaantjes".

Heilige Voorzienigheid

Bijzonder pijnlijk moet het bovendien zijn voor Aznar om vast te stellen hoe zijn partij ook in het Baskenland en Catalonië zware klappen kreeg. Het was gedurende zijn 8 jaar durende bewind Aznar’s persoonlijke obsessie om af te rekenen met de "perifere nationalismen", ten voordele van het heilig verklaarde Spaanse nationalisme, maar bij zijn afscheid staat de PP er in beide autonome regio’s slechter voor dan ooit tevoren.

De strategie van de PP in het Baskenland bestond erin de spanningen te vergroten, want analisten in Madrid hadden begrepen dat olie op het vuur van het conflict gieten voor electorale winst zou kunnen zorgen buiten Euskadi. Na 11-S slaagde Aznar er gedeeltelijk in de strijd tegen het ETA op de internationale agenda van de terrorismebestrijding te zetten, maar de ultieme gok om de Baskische terroristen ten onrechte te beschuldigen van de slachting in Madrid bleek een nefaste beslissing met fatale gevolgen voor de conservatievelingen. Bovendien hebben ook de gematigde Baskische nationalisten van het PNV (Partido Nacionalista Vasco), in het verleden trouwe bondgenoten van de centrale overheid, resoluut gekozen voor meer onafhankelijkheid, o.m. via het omstreden "plan Ibarretxe ».

In Catalonië staan de zaken er voor de Partido Popular indien mogelijk nog slechter voor. De conservatieve regionalistische partij CIU, voormalig coalitiepartner van de PP, ging er bij de lokale verkiezingen van afgelopen november fors op achteruit en maakt voor het eerst sinds het einde van de dictatuur geen deel uit van de Catalaanse regering. Die deelregering of "Generalitat" bestaat nu uit socialisten, communisten en leden van het links-republikeinse Esquerra Republicana de Catalunya (ERC). De leider van die partij, Carlos Carod-Rovira, werd onlangs nog door de PP bestempeld als de Duivel in persoon toen hij in Perpignan ging onderhandelen met leden van het ETA om een staakt-het-vuren in Catalonië af te dwingen. Uitgerekend het ERC is één van de grote winnaars van de verkiezingen van 14 maart, het stijgt van 1 naar 8 zetels in het Parlement en is nu de 4e grootste partij in Spanje.

De onlangs overleden Catalaanse schrijver Manuel Vázquez Montalbán vat het beleid van de Spaanse premier als volgt samen in zijn laatste boek, getiteld La Aznaridad: "de laatste maanden als premier tonen dat Aznar een man is met weinig ideeën – zo weinig dat hij er in feite maar één heeft: hij heeft opdracht gekregen van de Heilige Voorzienigheid om ten strijde te trekken tegen de terroristen".

No nos falles

De man die eind april officieel benoemd zal worden tot nieuwe premier, José Luis Rodríguez Zapatero, wacht ongetwijfeld een zware taak. Niet alleen moet hij de Spaanse economie in goede banen leiden binnen de context van een wereldmarkt in crisis en de nakende uitbreiding van de EU. Hij zal ook de handen vol hebben met het normaliseren van de relaties met door Aznar genegeerde internationale instellingen als de VN en met landen als Frankrijk en Duitsland. De eerste minister zal bovendien zijn verkiezingsbelofte waar moeten maken om de Spaanse troepen weg te halen uit Irak, wat hem redelijk wat moeite zal kosten gezien de grote druk vanuit het Witte Huis. Rond thema’s als onderwijs, huisvesting en veiligheid wacht hem eveneens een zware klus, en tenslotte zullen ook de betrekkingen met Latijns-Amerika een nieuw elan gegeven moeten worden. De avond na de verkiezingen was er dan ook maar één boodschap te horen die de kiezers hun nieuwe politieke leider toeriepen: "No nos falles! Laat ons niet in de steek!"

(Uitpers, nr. 52, 5de jg., april 2004)

Visited 11 Times, 1 Visit today

Tags :