De "verfoeilijke schuld" van Irak

De kwestie van de enorme "verfoeilijke schuld" van Irak werd op 10 en 11 april 2003 plots op tafel gelegd door de Amerikaanse regering. Deze vroeg Frankrijk, Duitsland en Rusland (drie landen die zich tegen de oorlog tegen Irak hadden verzet) om de schulden die Irak bij hen had, te laten vallen.

De zaak werd breed uitgesmeerd in de pers maar na enkele dagen geraakte ze in de vergetelheid, behalve in de Financial Times, het Engelse financiële dagblad, en enkele andere internationale kranten (International Herald Tribune, Wall Street Journal). De editorialisten van de Financial Times eisten met klem de intrekking van dit voorstel. De reden: het zou vele landen van de Derde Wereld en van het voormalig Oostblok op ideeën kunnen brengen. En als de regeringen zelf niet de toepassing van deze doctrine zouden eisen, dan zouden de sociale bewegingen van die landen (bv. van Brazilië of van Zuid-Afrika, waar de schulden van het apartheidsregime opliepen tot 24 miljard dollar) het wel doen. De FT legde uit dat de regering-Bush met vuur speelde en de schuldeisers in gevaar bracht(1).

Wat is een "verfoeilijke schuld"?

"Als een despotische regering (zoals het regime van Saddam Hoessein, nvdr) een schuld aangaat, niet naar gelang de behoeften en de belangen van de staat maar om haar despotisch bewind te versterken, om de bevolking die het bestrijdt te onderdrukken, dan is die schuld verfoeilijk voor de bevolking van de staat. Deze schuld is geen verplichting voor de natie: het is een regime-schuld, een persoonlijke schuld van de machthebbers die ze hebben aangegaan; bij gevolg vervalt ze samen met de val van dit bewind". (Alexander Sack, Les effets des transformations des Etats sur leurs

dettes publiques et autres obligations financiÈres, Recueil Sirey, 1927). De doctrine van de "verfoeilijke schuld" is perfect van toepassing op Irak.

De doctrine dateert al van uit de 19de eeuw. Ze werd gebruikt tijdens het conflict van 1898 tussen Spanje en de Verenigde Staten. De Spaanse kolonie Cuba kwam toen onder controle (protectoraat) van de Verenigde Staten. Spanje eiste dat de VS de schulden van Cuba zou terugbetalen. De VS weigerden en verklaarden dat het om een "verfoeilijke schuld" ging omdat ze door een despotisch regime werd aangegaan om een politiek te voeren die niet in het belang van de burgers was. Belangrijk is dat deze verklaring, die uiteindelijk door Spanje werd erkend, vastgelegd werd in een internationaal verdrag, het Verdrag van Parijs, en dus gezaghebbend is.

Er zijn nog andere gevallen. Zo werden de schulden van Napoleon Bonaparte na zijn val (in 1815) door Frankrijk niet meer erkend omdat het "verfoeilijke schulden" zou gaan, die werden aangegaan tegen de belangen van de Fransen in. Na de Amerikaanse Secessieoorlog (1861-1865) weigerden de noordelijke overwinnaars de zuidelijke schuld, die werd aangegaan om een op slavernij gesteund systeem te verdedigen, te erkennen. Na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), bepaalde het Verdrag van Versailles dat de schulden die door het regime van de Duitse keizer werden aangegaan om Polen te koloniseren van generlei waarde waren en niet ten laste van het opnieuw opgerichte Polen konden vallen. In Costa Rica ging het dictatoriale regime van Federico Tinoco(2), dat regeerde van 1917 tot 1918, schulden aan bij de Britse kroon. Rechter Taft, de voorzitter van het Opperste Gerechtshof van de VS, die was aangeduid als arbiter door de twee landen (Groot-Brittannië tegen Costa Rica, 1923) verklaarde dat de schuld een persoonlijke schuld van de despoot was. Rechter Taft meende dat de banken die geld geleend hadden de hand in eigen boezem moesten steken en niet het democratische regime aanpakken dat Tinoco had opgevolgd. Hij voegde eraan toe dat de schuldeisers hun goede trouw niet hadden bewezen.

De doctrine van de verfoeilijke schuld werd in 1927 geformuleerd door Alexander Sack. Hij was een voormalig minister van de Russische tsaar, die na de revolutie van 1917 naar Frankrijk was uitgeweken en professor in de rechten was in Parijs. De doctrine werd gepubliceerd in zijn bundel over de overdracht van schulden in geval van regimewissel(3).

De voorbije 30 heeft, voor zover wij weten, geen enkele schuldenaar beroep gedaan op deze doctrine om eenzijdig schulden te verwerpen of op basis van deze doctrine een arbitrage te vragen.

Het CADTM daarentegen,evenals een aantal auteurs (onder wie Jean-Claude Willame,

1986 ; Patricia Adams, 1991) en bewegingen, analyseren al lang de schulden van de Derde Wereld vanuit die juridische hoek: de schulden van Mobotu (Zaïre – Democratische Republiek Congo), van Habyarimana (Rwanda), van Marcos (de Filippijnen), van Suharto (IndonesiPe), van de generaals van de Argentijnse dictatuur, van Pinochet in Chili, van de Uruguyaanse dictatuur, van de Braziliaanse dictatuur (van 1964 tot 1985, is de Braziliaanse schuld gegroeid van 2,5 miljard tot 100 miljard dollar; ze is dus verveertigvoudigd in de periode van de dictatuur), van Nigeria, van Togo, van Zuid-Afrika. Het gaat hier niet om oude verhalen, want de bewoners van die landen betalen deze "vefoeilijke schulden" met nieuwe leningen.

Het geval van de Democratische Republiek Congo is zeer duidelijk. In 2003 stemt de schuld van 13 miljard dollar, die ze zou moeten betalen grosso modo overeen met de schulden die Mobutu aanging omdat er bijna geen enkele nieuwe lening werd toegestaan sedert zijn val in 1997. De hele schuld van de Democratische Republiek Congo zou dus moeten worden geannuleerd.

"Verfoeilijke schuld" als chantagemiddel

Waarom heeft de regering-Bush plots de "verfoeilijke schuld" weer opgerakeld? Op 10 en 11 april 2003 kwamen de minister van Financiën van de G8 samen in Washington. De Amerikaanse minister van Financiën, John Snow, vroeg in het bijzonder Rusland, Frankrijk en Duitsland de "verfoeilijke schuld" van Irak te annuleren. De VS deden dat niet opdat dit ook werkelijk zou gebeuren, maar wel als chantagemiddel. Zij wilden er Frankrijk, Duitsland en Rusland mee onder druk zetten om hun standpunt te wijzigen en de oorlog te legitimeren.

Het kwam er ook op neer dat zij die landen een inspanning vroegen zodat de landen die uitgaven deden voor militaire operaties met de heropbouw zouden kunnen beginnen met de olie-opbrengst van Irak. Hoe hoger de schuld van voor de oorlog, des te langer zouden de VS en hun bondgenoten moeten wachten om hun onkosten voor de heropbouw terug te krijgen.

Duitsland kondigt onmiddellijk aan dat er geen sprake kan van zijn de Iraakse schuld kwijt te schelden, maar wel van een herschikking. De VS marchanderen voort om Frankrijk, Rusland en Duitsland ervan te overtuigen om toch een ernstige inspanning te doen in termen van schuldvermindering. In ruil voor hun goede wil zouden de bedrijven van die landen contracten voor de heropbouw kunnen krijgen.

De VS hebben duidelijk toegevingen losgekregen van Frankrijk en Rusland, want op 22 mei 2003 hief de Veiligheidsraad de sancties tegen Irak op. Het beheer van de olie, die de Raad tot dan toe zelf controleerde, werd in handen gegeven van Paul Bremer, de door de VS aangeduide burgerlijke bestuurder van Irak.

De Veiligheidsraad (met inbegrip van landen zoals Frankrijk, Rusland en China die zich tegen de oorlog hadden verzet) legitimeert de bezetting en geeft het beheer van de olie in handen van de VS met 14 stemmen tegen nul (Syrië had de zaal verlaten op het moment van de stemming om geen stelling te moeten nemen).

De Verenigde Naties wijzen Sergio Vieira de Mella aan als hun vertegenwoordiger ter plekke, met statuut dat veel bescheidener is dan dat van Paul Bremer. Vieira de Mello zal in augustus omkomen in een aanslag tegen de zetel van de VN in Bagdad, waarbij in totaal 24 doden vielen.

De sancties tegen Irak opheffen, betekent dat ondernemingen, te beginnen met de Amerikaanse opnieuw zaken kunnen doen in Irak. De Financial Times titelt op 23 mei 2003 : " UN

removal of sanctions clears way for business ". Dat wil ook zeggen dat alle bezittingen van Saddam Hoessein en van Irak, die in het buitenland (onder meer in de Verenigde Staten) gedurende meer dan twaalf jaren bevroren waren, weer vrijgegeven worden. Dit stelt de VS in staat zichzelf terug te betalen voor de oorlogsinspanningen en voor de heropbouw. Het zijn niet de Irakezen die het geld terugkrijgen.

Van de eerste tot de tweede Golfoorlog

In de jaren 1980 werd Saddam Hoessein in zijn oorlog tegen Iran, waarin één miljoen doden vielen, gesteund door de VS en hun bondgenoten. In 1990 viel Irak Koeweit binnen. Er circuleren verschillende verhalen over dit onderwerp. Het is niet uitgesloten dat de regering van vader Bush Saddam Hoessein liet verstaan dat deze agressie niet tot een reactie zou leiden en hem dus in zekere zin in de val liet lopen. Aan het einde van de eerste Golfoorlog, die Woestijnstorm werd gedoopt door de overwinnaar, liet men welbewust Saddam Hoessein aan de macht want de VS waren bang dat het land, en zijn oliereserves, in handen zou vallen van een ongecontroleerde opstand. En dat in de buurt van Iran dat ook niet onder controle is. De geallieerde troepen kwamen niet tussenbeide toen Saddam Hoessein de opstand in Basra neersloeg.

De eerste Golfoorlog werd gevoerd met een mandaat van de VN, die ook de Iraakse tegoeden bevroren en het land onder embargo plaatsten. Later zal een programma "olie voor voedsel" worden gelanceerd. De helft van de opbrengsten van de Iraakse petroleum moeten dienen om voedsel en geneesmiddelen aan te kopen. Wat totaal onvoldoende was, want naar schatting 500.000 kinderen kwamen om ten gevolge van het embargo.

De wereldopinie was goeddeels op de hoogte van dit programma, waarrond ook een bepaalde propaganda werd gevoerd. Minder bekend was dat 25% van de olie-inkomsten naar de buurlanden ging als herstelbetalingen. De Commissie van de VN voor Compensaties (UNCC – United Nations Compensation Commission, zie www.uncc.ch) erkende na 1991 de geldigheid van aanvragen tot vergoeding voor een totaal bedrag van 44 miljard dollar (wat maar een deel van de aanvragen is). Deze aanvragen werden ingediend door individuen, bedrijven en regeringen.

Tot aan de oorlog van maart-april 2003 betaalde de commissie in totaal 17,6 miljard van de goedgekeurde 44 miljard dollar uit. Daarbij werd voorrang verleend aan individuen en families. Er moet dus nog 26 miljard dollar worden betaald en er moet nog een beslissing worden genomen over een hele reeks aanvragen tot herstelbetaling. Het is duidelijk dat er bij de besteding van het oliegeld geen absolute voorrang werd gegeven aan het voldoen van de behoeften aan voedsel en medicijnen van de Iraakse bevolking.

In 2003 werd de oorlog gevoerd door een coalitie onder leiding van de VS. Troepen uit Groot-Brittannië, Australië, Nederland en Denemarken namen direct deel aan de militaire operaties. Andere landen gaven steun op andere manieren. Deze coalitie schond het handvest van de VN. Ze beging volgens het handvest een agressie.

De onbetaalbare schuld van Irak

Volgens een studie van het Amerikaanse ministerie van Energie van 2002 beliep de Iraakse schuld 62 miljard dollar(5). Volgens een gezamenlijke studie echter van de Wereldbank en van de Bank voor Internationale Betalingen, zou de schuld 127 miljard dollar bedragen, waaronder 47 miljard dollar achterstallige interesten(6). Een privéstudiebureau uit Washington komt op een totaal van Iraakse financiële verplichtingen (schulden, herstelbetalingen en contracten) op 383 miljard dollar, waarvan 127 miljard dollar schulden.

De eerste categorie van landen-schuldeisers bestaat uit de 19 leden van de "Club van Parijs" en enkele ‘gasten’ van de Club (Brazilië, Zuid-Korea). Zij eisen 21 miljard dollar op en daarnaast nog eens evenveel aan achterstallige rente. In totaal dus 42 miljard dollar.

De tweede categorie omvat de Arabische landen (Verenigde Arabische Emiraten, Koweit, Egypte, Jordanië, Marokko, Saudi-Arabië), Turkije en enkele landen van het voormalige Oostblok (Polen, Bulgarije, Hongarije), die nu trouwe bondgenoten van de VS zijn geworden. Zij eisen samen 55 miljard dollar op. Meer dan de helft van dit bedrag (30 miljard) wordt door de Golfstaten (Koeweit niet inbegrepen) gevraagd. Maar het gaat hier om een oud geschil tussen Irak en deze schuldeisers. Irak zegt dat deze 30 miljard dollar een gift zijn ter financiering van de oorlog tegen Iran, maar de betrokken staten zeggen dat het een lening is.

Voor deze twee categorieën gaat het om bilaterale schulden – in totaal 97 miljard dollar. De privébanken houden zich gedeisd. Zij vragen ongeveer twee miljard dollar (Bank of New York en JP Morgan zijn de belangrijkste). Wat de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds (IMF) betreft, Irak moet hen niet meer dan 200 miljoen dollar.

De belangrijkste onderhandelingen zullen niet plaats hebben tussen de schuldeisers en de zgn. door de VS geïnstalleerde "Iraakse autoriteiten", maar wel tussen de schuldeisers. Ze zullen draaien rond de vraag wie een inspanning wil doen om de Iraakse schuld zodanig te verlagen dat de rest betaalbaar wordt.en afzien van een deel van zijn rechten om de schuld van Irak betaalbaar te maken

"Betaalbaar" betekent hier dat de resterende schuld op vastgelegde betaaldata kan worden afgelost. Met de behoeften van de Iraakse bevolking zal hierbij geen rekening worden gehouden.

De VS gaan hun collega’s uit de Club van Parijs en ook de Arabische landen, Turkije, Polen, Bulgarije en Hongarije vragen een gemeenschappelijke inspanning te doen om hun eisen met een derde of zelfs tweederden te verminderen. Daardoor zou de bilaterale schuld tot 65 of zelfs 32 miljard dollar dalen. De VS willen die vermindering om nieuwe schulden, ten bate van de heropbouw, te kunnen maken. Er zal dus nog wel maanden lang worden gebekvecht.

In dit opzicht is het de moeite eens de bedragen te onderzoeken die de leden van de Club van Parijs opeisen. In de Club zitten de hoofdrolspelers van de twee kampen die ontstonden in de aanloop naar de oorlog. Het is goed te onthouden dat op het ogenblik van de bijeenkomst van de ministers van Financiën van de G7(7) op 10 en 11 april in Washington, de media beweerden dat Rusland, Frankrijk en Duitsland de voornaamste geldschieters waren van de "verfoeilijke schuld" van Irak.

De werkelijkheid is genuanceerder. In feite kwam het vredeskamp op 9,790 miljard dollar en het oorlogskamp op 9,9 miljard uit.

Laten we ook niet vergeten dat in het vooruitzicht van onderhandelingen de cijfers doorgaans worden opgeblazen en vervalst. Zo vraagt de Club van Parijs het dubbele van wat Irak hem moet door er interesten vanaf 1991 bij te voegen. Dat is absurd want Irak beschikte niet over zijn olie. Het waren de VN die het oliegeld beheerden. Verder waren de buitenlandse tegoeden van Irak geblokkeerd. Irak kon dus onmogelijk zijn schulden terugbetalen. Niettemin heeft de Club van Parijs (alsook andere bilaterale schuldeisers) interest aangerekend en aldus de schuld verdubbeld. Als de Club van Parijs nu tijdens de onderhandelingen afziet van de terugbetaling van de 21 miljard dollar achterstallige interesten, dan kan hij dat aan de wereldopinie en aan de Irakezen voorstellen als een gebaar van generositeit.

De vicieuze cirkel van de schuld

Of de financiële lasten van Irak nu 50, 100 of 200 miljard dollar bedragen, ze gaan Irak meeslepen in een vicieuze cirkel van toenemende schulden. Aldus zal Irak in een ondergeschikte positie geraken ten overstaan van zijn schuldeisers, die de oliereserves zullen plunderen. De VS zullen zich als eersten bedienen.

Laten we even proberen uitrekenen wat de terugbetaling van de schuld in de toekomst gaat betekenen. We er hierbij van uit dat de schuldeisers hun eisen matigen en de schuld van vóór de oorlog terugbrengen tot 62 miljard dollar – als ze één derde korting geven zoals boven uitgelegd(8) – waarbij dan nog eens 50 miljard dollar herstelbetalingen komen en nog enkele tientallen miljarden nieuwe schulden voor de heropbouw (laat ons zeggen 38 miljard dollar voor de periode 2003-2005). Als we veronderstellen dat de schuldeisers ermee instemmen dat er pas vanaf 2005 moet worden terugbetaald, dan zal de schuld in deze veronderstelling 150 miljard dollar belopen.

De waarschijnlijkste veronderstelling is dat de schuldeisers dan aan de Iraakse autoriteiten, die geen rotte frank hebben, de olie-inkomsten gaan vragen om hen terug te betalen. Maar er zijn nog enkele problemen. Zal er in Bagdad in 2005 al een Iraaks gezag zijn dat namens Irak daden kan optreden? Dat is in het geheel niet zeker. En hoe groot zal de olieproductie zijn? In augustus 2003 bedroeg ze amper 300.000 vaten per dag tegenover 1;7 miljoen voor de oorlog en 2,7 miljoen voor de oorlog van 1991.

Er wordt geschat dat de volledige renovatie van het productieapparaat tussen de 30 en 40 miljard dollar zal kosten. Wie gaat dat betalen? En hoe zal de veiligheid worden verzekerd van de ondernemingen die de renovatie gaan uitvoeren. De grote oliebedrijven hebben president Bush al laten weten dat ze niet bereid zijn één cent in de heropbouw van het productieapparaat te steken als de veiligheid niet verzekerd is. Ook willen ze zelf bepalen wanneer het toekomstige Iraakse regime de voorwaarden voor legitimiteit vervult.

Een andere onbekende is de prijs van de olie. Hoe hoog of laag zal die zijn in 2005? En zal de olieindustrie een openbaar bedrijf zijn of niet? Als ze de staat toebehoort zal die de inkomsten in kas krijgen en ze kunnen gebruiken voor de aflossing van de schuld. Maar als ze geprivatiseerd wordt, dan zal de staat enkel belastingen en taksen kunnen innen. Hoe kan hij dan de schulden aflossen?

Volgens verschillende bronnen zullen de inkomsten van de olie in het beste geval in 2005 tussen de 10 en de 20 miljard dollar bedragen. Als er bv. Overeengekomen wordt dat Irak op 20 jaar 150 miljard dollar moet afbetalen tegen een rente van 7%, dan bedraagt de jaarlijkse afbetaling 18 miljard dollar. Dat is totaal onmogelijk met inkomsten tussen de 10 en de 20 miljard dollar. Anderzijds gooit Bush het geld over de balk voor de oorlog en de bezetting van Irak terwijl er geen geld is voor de Derde Wereld.

Daarom zou de doctrine van de "verfoeilijke schuld" moeten worden toegepast op Irak, evenals op de ontwikkelingslanden met zware schulden. De bewoners van die landen hebben het volste recht om te eisen dat een belangrijk deel van de schuld van hun land ongelding wordt verklaard onder de doctrine van de "verfoeilijke schuld".

Ook zouden George Bush, Tony Blair, J. Howard (de eerste minister van Australië), de regeringsleiders van Nederland en Denemarken (deze twee landen hebben direct deelgenomen aan de invasie) moeten worden vervolgd en veroordeeld voor de misdaad die agressie is onder het handvest van de VN.

(Uitpers, nr. 46, 5de jg., oktober 2003)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 43 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook