De verborgen geschiedenis van de verdrijving van de Palestijnen

Ilan PAPPÉ. The Ethnic Cleansing of Palestine, Oxford, uitg. Oneworld, 2006. ISBN-13:078-1-85168-467-0.

Een historicus is een soort puzzelaar. Hij zoekt in archieven, bibliotheken en via interviews brokken informatie, past de stukjes ineen tot een samenhangend geheel en trekt de logische conclusies uit het resultaat. Zo gaat het er in Israël echter niet aan toe. Daar worden die conclusies niet getrokken en wordt er, ondanks de onweerlegbare feiten, nog altijd de voorkeur gegeven aan propaganda.

Een mooi voorbeeld is de etnische zuivering van Palestina in 1947-1949, die het onderwerp is van het jongste boek van Ilan Pappé, die één van de weinige uitzonderingen is op de regel dat in Israël historici geen onkreukbare academici maar zionistische propagandisten zijn. Officieel heet het in Israël nog altijd dat de Palestijnen niet verdreven zijn, maar “vrijwillig” vertrokken op aanraden van de Arabische landen in afwachting dat hun legers de op 14 mei 1948 uitgeroepen staat Israël zouden vernietigd hebben.

Wie een beetje geïnteresseerd is in de geschiedenis van het Midden-Oosten weet al jaar en dag dat dit een grote leugen is. De zionistische leiders hebben in hun geschriften en verklaringen nooit onder stoelen en banken gestoken dat de Palestijnen moesten worden verjaagd – hoe kon er anders een “joodse staat” worden opgericht?. Vele soldaten en leden van joodse terroristische organisaties, die aan de zuiveringsoperaties en bijbehorende misdaden deelnamen, hebben er interviews over gegeven.

Sedert de jaren 1970 zijn Israëlische historici – ze kregen de naam “nieuwe historici” – volop begonnen met het ontginnen van de archieven in Israël, onder meer die van het Israëlische leger. Daardoor kwam er heel wat bijkomende en gedetailleerde informatie beschikbaar. Bekend werd Benny Morris toen die in 1987 The birth of the Palestinian refugee problem, 1947-1949 publiceerde. Maar zoals de meeste “nieuwe historici” dierf hij niet de onvermijdbare conclusies trekken uit zijn opzoekingwerk: dat het om een systematische en van bovenaf gedecreteerde verdrijvingscampagne ging. (Tegenwoordig geeft Morris dit wel toe, en is hij zelfs een fervent voorstander van die verdrijving geworden!). Andere historici weigeren een systematiek te zien in de moordpartijen waarmee de etnische zuivering gepaard ging. Met andere woorden, ze willen nog altijd de geit en de kool sparen. Ze durven onder druk van de propaganda en de mythes waarmee ze zijn opgegroeid niet zeggen wat ze vaststellen. Ze zijn bang voor de morele en politieke consequenties die dit voor Israël zou inhouden.

Anders ligt het bij Ilan Pappé. Dit boek is er het beste bewijs van. Geen terughoudendheid bij hem. Omdat hij van oordeel is dat Israël in het reine moet komen met zichzelf. Geen vergoelijking om ideologische motieven. Recht door zee. En hij reconstrueert het verleden onverbiddelijk aan de hand van al dan niet gepubliceerde documenten en getuigenissen. Het is een gruwelijk verhaal, dat verdient in het Nederlands te worden vertaald in de hoop dat de vele bewonderaars die Israël in België en Nederland nog telt het boek ter hand zouden nemen en met de neus op de feiten zouden worden gedrukt.

De officiële propagandaversie ontkracht Pappé voortdurend. Hij onderstreept dat de beslissing om de Palestijnen te verjagen, het zgn. “Plan D” (Dalet), werd genomen op 10 maart 1948 door Ben Goerion en de groep van een dozijn mensen rond hem, die hij “the consultancy” (adviesraad) noemt. Dit plan werd goedgekeurd maanden nadat de etnische zuivering al was begonnen in december 1947 ten gevolge van het door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties goedgekeurde, maar fundamenteel oneerlijke verdelingsplan van Palestina. De mythe van de vlucht van de Palestijnen na 14 mei 1948 ontkracht hij gewoon door te bewijzen dat er vóór 14 mei al 250.000 Palestijnen waren verjaagd. Niet alleen uit gebied dat de VN aan de joodse staat hadden toegekend, maar ook uit gebieden die deel zouden moeten uitmaken van een Palestijnse staat want Ben Goerion vond hetgeen hem was toegekend ontoereikend. In feite wou hij minimum 78% van Palestina, maar liefst heel Palestina – een droom die gerealiseerd werd tijdens de zesdaagse oorlog van 1967. (De Syrische Golan-hoogten stonden ook in 1948 al op het zionistische verlanglijstje, maar het bleek, evenmin als Oost-Jeruzalem, toen geen militair haalbare kaart).

Vanaf 14 mei 1948 zou nog eens 500.000 Palestijnen hetzelfde lot worden beschoren. Maar, en dit onderstreept Pappé terecht, de etnische zuivering bleef niet beperkt tot de periode 1947-1949: ze is nooit opgehouden. Ook vandaag duurt ze, op beperkte schaal, nog altijd voort. Onder meer in en rond Jeruzalem.

Mensen gaan niet zo maar op de vlucht. Vandaar slachtpartijen om de Palestijnen bang te maken en te demoraliseren. Van de moordpartijen die berucht werden is vooral Deir Yassin bekend. Ze had plaats op 9 april 1948, ruim één maand voor de onafhankelijkheidsverklaring én buiten gebied dat voor de joodse staat was voorzien. Maar het dorp lag nu eenmaal vlakbij de stad Jeruzalem, die volgens het verdelingsplan een internationale zone met apart statuut moest worden. Maar ze stond hoog op het verlanglijstje van Ben Goerion, de in Israël veel geroemde “vader des vaderlands”, maar in feite een vulgaire oorlogsmisdadiger. Honderden mensen, van wie minimum 93 die niet hadden deelgenomen aan de verdediging tegen de joodse aanvallers, werden er vermoord door het leger en joodse terroristische organisaties.

Maar Deir Yassin was niet het enige “exces” zoals sommige “ruimdenkende” Israëli’s de zaak proberen te vergoelijken. Pappé komt op een totaal van 31 massamoorden en “waarschijnlijk zes meer”. Hij beschrijft zoveel als mogelijk in detail wat er op al die plaatsen is gebeurd. Ook Palestijnse dorpen die a-politiek waren of in goede verstandhouding leefden met joodse buren werden niet gespaard. Hier en daar werden dorpen ongemoeid gelaten op vezoek van joodse nederzettingen, die lieten weten dat ze werkvolk en huispersoneel nodig hadden.

Pappé’s werk, alhoewel van hoge academische kwaliteit, wordt in Israël niet geapprecieerd. De feiten mogen dan wel in archieven op papier staan en daders mogen er over pochen, van historici wordt verwacht dat ze die niet onder het voetlicht brengen. Dat mocht Teddy Katz, een student van Illan Pappé, aan den lijve ondervinden toen hij in 1999 een proefschrift over de massamoord in het dorp Tantura op 22 mei 1948 voorbracht aan de universiteit van Haifa, waar zeker 230 mensen de dood vonden. De meesten gewoon afgemaakt door Israëlische soldaten. Katz verloor retroactief zijn diploma! Alleen al dit feit zou voldoende moeten zijn voor een academische boycot van Israël. Meer nog, veteranen van de Alexandroni-brigade, die verantwoordelijk waren voor het bloedbad, daagden Katz voor de rechter wegens “smaad”!

Het boek bevat heel wat constanten in de Israëlische politiek, die we vandaag de dag nog altijd terugvinden. Zoals de mythe van de joodse David tegenover de Palestijnse en Arabische Goliath. Pappé onderstreept, zoals zo velen al voor hem, dat Israël nooit in een underdogpositie verkeerde. De Israëlische troepenmacht en bewapening was in 1948 veel groter en beter dan die van alle Arabische legers samen. In de dagboeken en brieven van Ben Goerion wordt dat ook onomwonden gezegd. Het was echter kwestie de Israëli’s schrik aan te jagen opdat ze, zonder vragen te stellen, de rangen zouden sluiten rond hun leiders. En om de buitenwereld tot sympathie en, vooral, tot wapenleveringen en diplomatieke steun te overhalen. Ook in 1956, bij de Suez-oorlog, en in 1967, in de aanloop naar de zesdaagse oorlog, toen de Egyptische president met succes als een nieuwe Hitler werd afgeschilderd, werd de Israëlische bevolking wijsgemaakt dat haar laatste uur bijna geslagen was – en geloofde ook de buitenwereld dat. Nadien gaven politici en generaals toe dat er nooit sprake was geweest van een mogelijke “tweede holocaust”.

De Israëli’s begonnen geen roekeloze oorlogen in 1948, 1956 en 1967. Integendeel, het waren expansieoorlogen, Latere agressies liepen wel verkeerd af. De invasie van Libanon in 1982 werd gevolgd door een relatief snelle aftocht en in 2000 moest Zuid-Libanon worden ontruimd omdat de bezetting te duur werd in Israëlische mensenlevens en materiaal. En vorig jaar werd een nieuwe invasie in Libanon een volslagen fiasco toen bleek dat één van de beste legers ter wereld het niet kon halen tegen enkele duizenden gemotiveerde Hezollah-strijders.

Maar er zijn nog andere steeds tot op de dag van vandaag terugkerende feiten in het Israëlische gedrag. Blinde terreur is er één van. Het geweer heeft duidelijk de voorkeur op de olijftak zoals de Britse journalist David Hirst al in 1977 bewees in zijn boek The Gun and the Olive Branch. The Roots of Violence in the Middle East. Gebruik van chemische en biologische wapens is een ander vast gegeven. Al in 1948 werd er gewerkt aan een chemisch wapen om mensen blind te maken. In Akko werden tyfus-bakteriën in het drinkwater gegooid en in Gaza werd een poging verijdeld om waterbronnen te vergiftigen met tyfus en dysenterie.

Ook doodseskaders ontbraken (en ontbreken) niet bij elke actie. Dat was al zo in jaren 1930 toen de Palestijnen in opstand kwamen. Vanaf 1947 werd het een nog altijd voortdurend systeem. Zo stelde Pappé vast dat gewoon een verdenking van Arabisch nationalisme in 1947-1948 voldoende was om afgemaakt te worden door doodseskaders die de troepen volgden. Ook nu is dat nog steeds zo – met de zegen van de Verenigde Staten en van de Europese Unie.

(Uitpers, nr 89, 9de jg., september 2007)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=484170&refsource=uitpers

Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).