De Toekomst van Oosterweel: strategisch professionalisme versus nieuwe acties van onderuit

 

De Oosterweelsaga is een verhaal met een geschiedenis die al teruggaat naar vorige eeuw. Daarom is het goed om heel dat verhaal nog eens historisch, sociologisch en politicologisch in beeld te brengen. Ik blijf dus heel bewust weg van de techniciteit van dit zeer ingewikkelde dossier en zoem alleen in op enkele hoofdlijnen om te reflecteren over wat Oosterweel en het toekomstverbond ons kan leren over burgerparticipatie in de politieke context van vandaag. Even de breekhoek opgezet dus om het volledige plaatje in beeld te krijgen.

 

Oude en nieuwe actievoerders

 

De aftrap van het Oosterweelverhaal werd gegeven in 1995 door de Antwerpse gouverneur Camille Paulus. We zijn nu 27 jaar en een generatie actievoerders verder. Daar moest ik aan denken toen ik op 25 februari naar de aanwezigen keek in de Antwerpse peperfabriek die kwamen luisteren naar de kritiek van Thomas ‘de kat’ Goorden en Inge Salden van ‘Recht op Lucht’ op het Toekomstverbond dat nu vijf jaar bestaat. In de zaal zaten actievoerders van het eerste en van het laatste uur, jong en oud. Ook Wim Van Hees, intussen een tachtiger met gezondheidsproblemen, en andere ouderen van Ademloos konden zich niet vinden in de houding van de nieuwe actievoerders. De eerste generatie actievoerders waren stRaten-generaal met o.a. Manu Claeys en Peter Verhaeghe (vanaf 2004), Ademloos met o.a. Wim Van Hees volgde in 2008 en vanaf 2014 kwam Ringland met o.a. Peter Vermeulen de beweging van onderuit versterken.

 

Alerte democratie

 

De dynamiek die toen ontstond was niet gering en via volksraadplegingen en rechtszaken bij de Raad van State werd zowel de Lange Wapper als de BAM-tanker opzij geschoven, maar het weggestemde tracé bestaat nog steeds. Burger-David had de Goliaths van de politiek een flinke mep toegebracht. Dat was du jamais-vu in de Antwerpse en Vlaamse politiek. Imminente sociologen als Luc Huyse maar ook Tom Coppens, Filip De Rynck, Wouter Van Dooren, Eva Wolf, Carl Devos en andere sociale wetenschappers spraken zich lovend uit over die nieuwe participatieve burgerdemocratie in werking. In 2017 werd de strijdbijl tussen ‘boven’ en ‘onder’ begraven en werd met veel enthousiasme ‘Het toekomstverbond’ gesloten.

In datzelfde jaar verscheen ‘De waarde van weerstand’, een studie van Wouter Van Dooren en Eva Wolf over ‘wat Oosterweel ons leert over besluitvorming’. (1) Beide auteurs plaatsen de Oosterweelcase in het kader van wat de Australische politicoloog John Keane de monitory democracy of, in het Nederlands, de alerte democratie noemt. De macht die politici door verkiezingen verwerven, wordt door een toenemend aantal actoren kritisch onderzocht. Daar situeert zich de verschuiving van de parlementaire naar de alerte democratie. Keane noemt ze monitors en dat kunnen media, consumentenverenigingen, denktanks, beroepsassociaties, belangengroepen, vakbonden en beleidsonderzoekers zijn. Enkele monitors in Oosterweel zijn stRaten-Generaal, Ademloos, Ringland, de Antwerpse televisie, de Gazet van Antwerpen, VOKA, de havengemeenschap, het Rekenhof, de Gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Ordening, de adviesbureaus, de referendumkiezers, de Facebook-groepen en twitteraars.

Van Dooren en Wolfs onderscheiden in hun boek drie grote periodes in de Oosterweelsaga. In de eerste periode (1995-2005) is Oosterweel een project in de luwte. Weinig politieke en publieke actoren hadden toen al het project op de radar. Dat veranderde in de tweede periode (2005-2015): vanaf het lanceren van de maquette van de Lange Wapper-brug groeide de weerstand tegen het project. In de laatste jaren (2015-2017) zijn er schuchtere, maar belangrijke stappen gezet in de richting van een oplossing die er in 2017 kwam met het tot standkomen van het Toekomstverbond. En intussen kan daaraan nog een vierde periode én vraag toegevoegd worden: is er na vijf jaar Toekomstverbond nog toekomst voor dat gigantische Oosterweeldossier?

 

Een rechtvaardig beleid

 

Wat is volgens Wouter Van Dooren, professor bestuurskunde, en Eva Wolf, een rechtvaardig beleid?  Dat bestaat volgens hen uit drie dimensies: de beleidsinhoud, het beleidsproces en de beleidsinteracties. Die drie dimensies vormen een piramide waarbij relationele rechtvaardigheid het fundament is. Er moeten open en transparante processen mogelijk zijn waardoor inspraak echt is en niet louter ceremonieel en waarbij geen parallelle besluitvormingstrajecten aanwezig kunnen zijn. Relationele rechtvaardigheid is zeer belangrijk, want als binnen dat contact de andere partij schoffeert en intimideert, dan laat dat lang sporen na. De tweede trap is procedurele rechtvaardigheid, want, waarschuwen zij ‘als er geen aandacht wordt gegeven aan hoe de beslissingsruimte wezenlijk verankerd wordt in beleidsprocedures bestaat het risico dat het openhouden van beleidsopties slechts tot een retorisch trucje verwordt’. De top van de piramide, rechtvaardig beleid, bouwt dan weer verder op die rechtvaardige procedures. De auteurs verwijzen hiervoor naar het belangrijke go-between werk van intendant Alexander D’Hooghe die volgens hen ruimte creëerde voor een rechtvaardiger beleid, gebaseerd op rechtvaardiger procedures en betere menselijke relaties, maar ze vergeten niet te vermelden dat het ook een verdienste is van de actiegroepen en de beleidsmakers die een zwaarbeladen verleden achter zich lieten.

 

Burgerparticipatie

 

Op de 23ste Horta-bijeenkomst in 2017 zei Wim Van Hees onder andere: ‘Het dilemma is dat we nu voor de keuze staan tussen opnieuw belanden in een fase van stilstand of doorgaan met het toekomstverbond met alle risico’s daaraan verbonden.’ Hiermee drukte de Ademloos-man zeer goed uit dat het instappen in het Toekomstverbond (en het loslaten van drukkingsmiddelen als de raad van State en referenda) niet risicoloos was. De actievoerders waren er zich duidelijk van bewust dat de oefening van ‘samen in bad’ door iedereen voluit moest gespeeld worden en niet met de rem op. Inderdaad, de nieuwe positie van de woordvoerders en trekkers van de burgerbeweging is vanaf het Toekomstverbond geen gemakkelijke. Het ‘inbreken’ in dat nieuwe kader vraagt tijd en een heroriëntering van alle spelers, gaande van politici, administratie, BAM/Lantis en actievoerders. Kan de openheid en diversiteit van het sociale protest een plaats vinden binnen de structuren van de macht? Of anders gevraagd: hoe kunnen de vertegenwoordigers die van ‘onder’ naar ‘boven’ gaan voldoende tweerichtingsverkeer blijven onderhouden met de beweging waaruit ze gegroeid zijn? Wat met de bewaking van het eigen moreel engagement? Bestaat er geen gevaar voor besmetting met het virus van de politiek van het haalbare? Is een overname van een bestuurslogica onafwendbaar en leidt dat niet tot besparen op transparantie? Politieke machtscenakels zijn vaak toxische milieus. Burgerplatformen die horizontaal, direct democratisch willen functioneren en die toch institutioneel willen werken, krijgen daarmee onvermijdelijk te maken. Burgerparticipatie is overal in opkomst. Er zijn intussen behoorlijk wat ‘rebelse plekken’ in de wereld die op dit ogenblik met die moeilijke vragen worden geconfronteerd. (2) Neem nu Spanje bijvoorbeeld met Barcelona waar Ada Colau, een burgeractiviste, al voor een tweede ambtsperiode burgemeeester is. In de Scheldestad gaat het vooralsnog niet over municipalisme. Antwerpen is op partijpolitiek vlak zeker geen rebelse stad, maar er gebeur(d)en wel rebelse zaken van onderuit. Inbreken in de besluitvorming in zo’n megadossier dat over stedelijke leefbaarheid gaat op het vlak van mobiliteit, gezondheid en stadsontwikkeling gaat is immer geen klein bier.

 

‘Red de democratie’

 

Manu Claeys van stRaten-generaal is niet alleen actievoerder en dossierwreter. Ondanks of misschien dank zij zijn activistencarrière is de schrijver in hem toch verder kunnen blijven groeien. Zo verscheen er in 2013 het vuisdikke ‘Stilstand’ van hem waarin hij zijn goed onderbouwde woede uitspuwde over de machtspolitiek, betweterbestuur en achterkamerdemocratie rond het Oosterweeldossier

In zijn ‘Red de democratie’ uit 2018 slaat hij een gematigder toon aan en reflecteert hij uitvoerig op ‘waarom burgerparticipatie de democratie kan redden’ (3). Hij maakt daarin een analyse ‘waarom het systeem hapert en wat we eraaan kunnen doen’. Hij schrijft: ‘Het is mijn overtuiging dat het volwaardig integreren van burgerparticipatie in de politieke besluitvorming een essentiële stap zal blijken bij de noodzakelijke heropwaardering van die besluitvorming.’ (p. 167) Dat betekent voor Claeys dat de representatieve democratie en de participatieve democratie niet tegen elkaar moeten worden uitgespeeld maar in elkaar verweven kunnen worden. Als voorbeeld hiervan schetst Claeys hoe de gevoerde dialoog tussen het buurtcomité De Ploeg, een projectontwikkelaar, de bouwheer en de architecten geleid heeft tot een betere oplossing voor de tweede bouwfase rond het Antwerpse Kievitplein. Socioloog Luc Huyse vermeldde in ‘De democratie voorbij’ trouwens het optreden van De Ploeg als een voorbeeld van good practice  om de democratie te verrijken. Ook rond het Toekomstverbond is Claeys in 2018 behoorlijk optimistisch. Hij eindigt zijn boek als volgt: ‘En zo redden we de democratie, want aan toegewijde burgers ontbreekt het niet, wel aan bestuursculturen die de toewijding alle kansen geven.’ (p. 339)

 

Opgelet: Un train peut en cacher un autre!

 

Hebben nu in de afgelopen jaren de bestuursculturen ook de kans gegeven aan al die toegewijde burgers? Of anders geformuleerd: In hoeverre is er nu in de voorbije vijf jaar Toekomstverbond een ‘rechtvaardig beleid’ gevoerd in heel dat dossier zoals Wouter Van Dooren en Eva Wolf dat omschreven? Was er sprake van procedurele rechtvaardigheid met ‘open en transparante processen waardoor inspraak echt is en niet louter ceremonieel en waarbij geen parallelle besluitvormingstrajecten aanwezig kunnen zijn’?

Na vijf jaar ‘de schup in de grond’ wordt het Toekomstverbond geëvalueerd en door velen – ook van de achterban van de actiegroepen – als ‘te weinig’ ervaren. In de huidige vergunning voor de Oosterweelverbinding is nog maar in ca. 1,6 km overkapping voorzien op het gehele traject van de Ring van 12,2 km. De overkappingsoperatie beperkt zich vooralsnog tot een kaas met heel veel gaten en het uitgetrokken overheidsbudget blijft voorlopig op 1,25 miljard euro staan. Het routeplan voor 2030 is nog altijd niet vastgelegd in een ‘kamerbrede resolutie’ en gedragen door alle partijen waardoor de modal shift – 50% autoverkeer en 50% alternatieve vervoerswijzen –  voor de ruime Antwerpse regio in het gedrang komt. Bij het indienen van de omgevingsvergunningsaanvraag voor Oosterweel werden echter nog wijzigingen in het vooruitzicht gesteld. Wegens dat engagement van Lantis hebben de drie burgerbewegingen zich toen niet fundamenteel verzet tegen de vergunningsaanvraag. Werden de drie actiegroepen toen met een kluitje in het riet gestuurd of blijft de mogelijkheid tot een volledige overkapping alsnog open? En dan is er natuurlijk ook die zeer belangrijke modal shift. ‘Overkappen zonder modal shift werkt niet,’ zei Manu Claeys en daar hameren de andere actievoerders ook al jaren op. In elk geval: het terechte ongeduld bij de achterban is in die periode nog groter geworden en dan moest het PFOS-schandaal wegens de grondvervuiling door 3M nog uitbreken. Antwerpen kwam in ‘Dark waters’ terecht zoals de striemende documentaire over 3M in Parkersburg, West-Virginia heet.

Vanaf toen zijn er nieuwe actievoerders opgestaan die zeer hard en op een eigen manier aan de alarmbel zijn gaan trekken. Dat leidde tot verdeeldheid en ook verwarring tussen de oorspronkelijke actievoerders en een nieuwe generatie die op de korte termijn acties onderneemt waardoor het langetermijnperspectief van het Toekomstverbond wel eens op de helling zou kunnen komen. Er zijn op dit ogenblik verschillende bewegingen van onderuit aan de gang die niet op elkaar afgestemd zijn.  Un train peut en cacher un autre! Hoe diep de verdeeldheid is, werd pijnlijk duidelijk toen Thomas Goorden, Greenpeace en een nieuwe burgerbeweging Grondrecht eind vorig jaar naar de Raad van State stapten om de werken aan Oosterweel stil te leggen.

 

Strategisch gebakkelei

 

Hoe moet het nu verder met de burgerbewegingen rond Oosterweel in Antwerpen? Welke strategie moet er gevolgd worden? Burgerbewegingen en actiegroepen zitten niet altijd op dezelfde lijn. Meestal gaat het bij actiegroepen om een one issue karakter waardoor er grote accentverschillen kunnen ontstaan, maar het kan ook gaan over tegenstellingen die meer van algemene, ideologische aard zijn. Hoe dichter men van onderuit opschuift naar de regionen waar beleid gemaakt wordt hoe interessanter maar ook hoe hoeveel moeilijker het wordt om er een andere invulling aan te geven zonder al te veel  toegevingen te moeten doen aan de eigen overtuiging. Neem nu Madrid dat onder Manuela Carmena vier jaar een ‘rebelse’ plek was waarin burgerparticipatie in de praktijk werd toegepast. Carmena, een gepensioneerde en gedreven rechter van de burgerbeweging ‘Ahora Madrid’ wilde het municipalisme in haar stad vorm geven door burgemeester van iedereen te zijn over partijen en ideologische tegenstellingen heen en dat maakte dat zij overal de scherpe kantjes probeerde af te ronden. Dat werd haar door de eigen linkerzijde Madrid en Pie aangewreven als te pragmatisch. Madrid en Pie verweet Carmena dat er onder haar bewind te weinig tegenwind is geboden aan de financiële en economische elites waardoor zij gewoon aan de touwtjes bleven trekken in Madrid. Naast andere factoren leidde die houding in het stemgedrag tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 2019 tot een nederlaag voor de lijst van Carmena. In Madrid kwam het rechtse PP terug aan de macht.

Ik zei het al: Antwerpen is op partijpolitiek vlak zeker geen rebelse stad zoals Madrid is geweest, maar toch dreigt ook hier eenzelfde scenario binnen de burgerbeweging. Un train peut en cacher un autre. Het kan ook een pas opgestarte trein zijn die links voorbij probeert te steken. Wat doe je daarmee ? Wordt daardoor een progressieve beweging met dezelfde einddoelstellingen uit elkaar gespeeld of kunnen ze elkaar versterken? Volgens Manu Claeys is het laatste wenselijk. ‘Er zijn twee soorten burgerbewegingen, en die zijn allebei even nodig. Er zijn activistische bewegingen, zeg maar ‘de aanjagers van het debat’, zoals Greenpeace. Daarnaast zijn er cocreatieve bewegingen zoals de Bond Beter Leefmilieu en Natuurpunt. De drie Antwerpse burgerbewegingen – stRaten- generaal, Ademloos en Ringland – zijn geëvolueerd van een activistische naar een gemengd activistische en cocreatieve aanpak. Nog altijd strijden wij met andere milieuverenigingen tegen vervuilende bedrijven als Ineos.’ (4) En verder in het interview zegt hij nog: ‘PFOS is het nieuwe gevecht voor wie ijvert voor een gezond Antwerpen. Dat is de verdienste van milieuactivisten zoals Thomas Goorden. Vandaag is PFOS de Lange Wapper van toen.’

In plaats van elkaar te versterken bestaat er op dit ogenblik echter een tendens om de messen te scherpen binnen de progressieve beweging in Antwerpen. Manu Claeys en zijn kompanen van het eerste uur krijgen verdachtmakingen over zich heen omdat zij niet alleen mee aan de Lantis-tafel zitten maar bovendien op stedelijk niveau ook te maken krijgen met een NVA-bestuur. Manu Claeys verdedigt die positie: ‘Wij willen nu zaken realiseren zonder aan de zijlijn te blijven staan. Vroeger stonden we op de barricades, vandaag sleutelen we mee aan een betere stad. Natuurlijk doen we dat samen met het stadsbestuur, in Antwerpen betekent dat dus met de N-VA.’ Volgens Claeys laat links-progressief Vlaanderen regelmatig zien dat het de grootste moeite heeft om een brede linkse samenwerking tot stand te brengen. De retoriek werkt volgens hem als volgt: je verklaart jezelf zuiverder dan de ander, door die andere progressieven te betichten van capitulatie. En dan komt zijn grootste verwijt: ‘Links-progressief Vlaanderen etaleert een gebrek aan strategisch professionalisme.’

 

De neoliberale context

 

Dat strategisch professionalisme is zeker belangrijk en behoort tot de inzichten en verworvenheden van  de ‘oude’ actiegroepen: het zijn al lang geen eendagsvliegen meer of ‘drie man en een paardenkop’ zoals ex-minister-president Kris Peters ooit sneerde, maar burgers met dossier- en terreinkennis van wie het engagement verder reikt dan de doorsnee politieke horizon die meestal niet verder gaat dan een of twee mandaatsjaren. Burgers gaan langer en partijpolitiek belangenlozer mee. In beleids- en ambtenarenkringen is dat besef intussen aan het doordringen. Daarin heeft Manu Claeys zeker gelijk. Het respect voor gedegen burgerparticipatie is in sommige beleidskringen gegroeid. Dat is een nieuwe verworvenheid, maar daarnaast is er een zeer belemmerende factor die minder zichtbaar is omdat hij zo nadrukkelijk en voor velen als vanzelfsprekend aanwezig is. Ik bedoel daarmee de dominante neoliberale context waarin heel het Oosterweelverhaal zich ontwikkeld heeft. Het andere, progresssieve denken rond stadsontwikkeling, volksgezondheid, leefbaarheid en mobiliteit dat grotendeels dank zij de actiegroepen mee is opgenomen in het Toekomstverbond wordt door de partijpolitieke overheid wel met de lippen beleden, maar in de praktijk voert zij een andere ideologische agenda uit. Dat gaat niet alleen op voor de stedelijke maar ook de Vlaamse overheid waarin het neoliberale denken dominant aanwezig is en zeker ook bij de N-VA die niet alleen met de leeuwenvlag, maar ook met de vrije markt-vlag voor de ‘hardwerkende Vlaming’ (en VOKO) zwaait. Laten we elkaar toch geen Liesbeth noemen: de machtspolitiek, het betweterbestuur en de achterkamerdemocratie waartegen Manu Claeys zo fulmineerde doet nog altijd geruisloos haar werk. En dat gebeurt niet alleen in Antwerpen, maar evenzeer in Barcelona en Madrid waar de 3M’en, maar ook de Ubers, de Air B&B’s, de grote immobiliënwereld en de bol.com’s van deze aarde alsnog onaantastbare machtscenakels vormen.

 

De modal shift

 

Het meest schrijnende voorbeeld in het Oosterweeldossier is waarschijnlijk wel de modal shift, die op zich een progressieve manier is om op een rationele manier met (stedelijke) mobiliteit om te springen, maar die de facto wordt tegengewerkt door een N-VA-politiek die de hardwerkende Vlaming, liefst in zijn bedrijfswagen, vanuit de groene zone rond de stad liefst tot op de Grote Markt zou laten rijden. Koning auto speelt nog steeds de eerste viool in Antwerpen en daar helpt het huidige stadsbestuur duchtig aan mee door onder andere parkeergarages tot tegen de spoorlijn in het centrum van de stad toe te laten en inpandige garages bij nieuwe woningen verplicht te stellen. Dat is op zijn zachtst uitgedrukt contraproductief. Verkeersexpert Dirk Lauwers zegt het iets vriendelijker: ‘De stad is wel een grote parking, die steeds groter wordt. Waar andere grootsteden duizenden parkeerplaatsen in hun kernen hebben geschrapt, creëert Antwerpen er steeds meer. Het beleid is erop gericht van Antwerpen een bezoekers­stad te maken waar autoverkeer tot in het hart van de stad welkom is. (6)

Het overkappings- én leefbaarheidsverhaal kan maar overeind blijven als de beoogde modal shift waar gemaakt wordt. Dat betekent minder verkeer met de auto, meer te voet, per fiets of met het openbaar vervoer. Maar net op dat terrein is er – zie ook de resultaten van Straatvinken – het afgelopen jaar te weinig zichtbare vooruitgang geboekt. En dan zullen we het nog maar niet hebben over de lamentabele toestand van het openbaar vervoer … modal shift 50/50 tegen 2030? De actiegroepen drukken er al jaren op, de N-VA staat op de rem.

 

De waarde van weerstand

 

Er is grote nood om ons economisch systeem grondig te herdenken. Dat zegt ook verkeersexpert Kris Peeters en hij verwijst daarvoor naar de geest van Kate Raworths ‘donuteconomie’, die uitgaat van echte behoeften en rekening houdt met capaciteitslimieten. (5) ‘De oefening hoeft geen tijdverlies te betekenen. Wat als we nu eens eindelijk werk maakten van de door mobiliteitsexperts al jaren gesuggereerde maatregelen: een snelheidsbeperking tot 70 kilometer per uur op de Ring, een sturend tolbeleid voor Kennedy- en Liefkenshoektunnel, het laten uitdoven van de perverse subsidiëring van salariswagens, de invoering van rekeningrijden, enkele kleinere infrastructurele verbeteringen, investeringen in het openbaar vervoer. Ze kosten weinig en leveren morgen al resultaat op.’ En toch werden die maatregelen alsnog niet uitgevoerd. Why not? ‘Recht op Lucht’ en andere nieuwe actiegroepen dringen hier terecht ook op aan. De ‘oude’ burgerbewegingen worden ook duidelijk ongeduldig. Ze eisen meer daadkracht en daarom pleitenze  onder meer voor een uitgebreidere opdracht voor leefbaarheidsintendant Alexander D’Hooghe, om mee zijn schouders te zetten onder projecten rond de modal shift. Ringland-voorzitter Pol van Steenvoort op een recente persconferentie: ‘Vooralsnog blijven we als burgerbeweging sterk geloven in het Toekomstverbond. Maar we stellen ook vast dat het vertrouwen daarin bij onze achterban geslonken is. Sommigen stellen bijvoorbeeld zelfs de noodzaak van de Oosterweelverbinding opnieuw in vraag. Daarom verwacht Ringland de nodige vertrouwenwekkende stappen voor de afgesproken overkapping. Alleen op die manier kan het Toekomstverbond alive and kicking zijn en blijven, klaar om ook de uitdagingen in de komende jaren samen aan te pakken.’ Bij Ringland zijn ze duidelijk hun engelengeduld kwijt. ‘Je kan zoveel mooie plannen maken als je wil: als de investeringen niet volgen, dan zal er weinig gebeuren’, zei voorzitter Pol Van Steenvoort ook nog op die persconferentie. Hij en boegbeeld Peter Vermeulen riepen de regering tot de orde. ‘Wat nu op tafel ligt, is gewoon veel te weinig.’ Tegen 15 maart eist Ringland een doorbraak “met een stevig budget”. Toch als de regering wil dat het Toekomstverbond blijft bestaan.

Hoe moet het nu verder met en na PFOS? Dirk Lauwers ziet de hele affaire niet zozeer als een obstakel maar eerder als een kans voor Oosterweel. “Processen vertragen of lopen dood als je nieuwe maatschappelijke problematieken, zoals in dit geval PFOS, niet ziet of negeert. PFOS zou door mensen die inzitten met mobiliteit moeten gebruikt worden om nog eens kritisch te kijken naar het hele project.’ (7)  Hopelijk kan uit het strategisch gebakkelei tussen oude en nieuwe actiegroepen maar weer het besef van ‘De waarde van weerstand’ naar  boven komen, zoals de titel van de studie van Wouter Van Dooren en Eva Wolf luidt. Gezamenlijke weerstand dan weliswaar om het Oosterweeldosssier beter te maken vooral dan tegen de dominante neoliberale stroming in. En daarvoor is er niet alleen heel veel engagement van heel veel burgers nodig, maar ook een gemeenschappelijke strategie van onderuit.

 

1)Eva Wolf en Wouter Van Dooren, De waarde van weerstand, wat Oosterweel ons leert over besluitvorming, Kalmthout: Pelckmans Pro,  2017, 240 blz. ISBN 978-9463370851, prijs: 24,95 euro

(2)Walter Lotens, Rebelse plekken, over municipalisme en commons, Gompel&Svacina, Oud-Turnhout, 2019

(3) Manu Claeys, Red de democratie, waarom het systeem hapert en wat we eraan kunnen doen, Antwerpen, 2018.

(4), Manu Claeys verdedigt zich in PFOS-debat tegen de klokkenluiders: ‘Er zijn moedwillig leugens verteld’. In: Knack van 17/07/202121

(5) Dirk Lauwers, Het Oosterweelsyndroom. In: De Standaard van 12 januari 2022

(6) Kris Peeters, Dronken van Oosterweelde. In: De Standaard van 6 januari 2022

 (7) Dirk Lauwers, Hoe essentieel is Oosterweel ? Uit ‘Dwars’ van 19 februari 2022

 

 

Deel dit artikel

Visited 579 Times, 2 Visits today

Tags :
Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

zie ook