De Taliban en Boeddha

De Afghaanse Taliban hebben zich nog minder – als dat nog mogelijk was – geliefd gemaakt in de buitenwereld door in maart twee reusachtige, 1400 jaar oude boeddha-beelden te vernietigen op bevel van hun leider, mollah Mohammed Omar. Eerder, in februari, was al begonnen met de vernietiging van kleinere beelden in het museum van Kaboel. Waarom die vernietiging?

Godsdienst heeft iets met afbeeldingen. Soms ook met cultusgebouwen van de “verkeerde” godsdienst. Bepaalde godsdiensten, zoals jodendom en islam, verbieden afbeeldingen zonder meer – al zijn er uitzonderingen zoals de miniaturen van Iran en de Mogols in India bewijzen. Protestanten zijn er niet erg op gebrand. In andere godsdiensten fleur(de)n ze de plaatsen van de eredienst op zoals in de rooms-katholieke kerken en in de Indische en boeddhistische tempels (al is het boeddhisme in feite geen godsdienst). Geregeld waren en zijn er felle conflicten waarbij afbeeldingen worden verwoest.

Eén van de eerste bekende gevallen in de geschiedenis is Egypte in de veertiende eeuw voor Christus, waar het werk van Akhenaton, die het aangedurfd had de heersende godsdienst door een monotheïstische leer te vervangen, grondig werd verwoest. Het triomferende christendom haalde vanaf de 4de eeuw de “heidense idolen” neer. Het Byzantijnse rijk werd in de 8ste en 9de eeuw geplaagd door iconoclasme. En in 1566 lieten de beeldenstormers een spoor van vernieling achter in kerken en kloosters in de Nederlanden. De hele kolonisatieperiode werd gekenmerkt door de verwoesting van inheemse culturen. Van hun beelden en tempels in Latijns-Amerika tot “afgodsbeeldjes” door paters missionarissen in zwart Afrika.

Gebrek aan respect voor de ander en voor andere godsdiensten is één van de oorzaken van de vernielingsdrift. Een triomferende godsdienst wil de concurrentie uitroeien, doen verdwijnen. Moslims verwijzen naar de profeet Mohammed die beelden vernielde. Bij de islam komt daar nog de oude discussie bij over de waarde van de overblijfselen uit de pre-islamitische tijd. Voor de moslims in het algemeen hebben die weinig of geen waarde omdat het “heidense” bouwwerken zijn. Alles begint pas met de islam, al wat er daarvoor was is waardeloos.

In een aantal islamitische landen – deze die uit het toerisme belangrijke inkomsten halen zijn het meest tolerant – bestaat of bestond er onbegrip, zelfs soms irritatie tegenover archeologen die overblijfselen uit het pre-islamitische verleden kwamen of komen blootleggen. Maar daar is wel verandering ingekomen: een aantal van die landen, zoals de Verenigde Arabische Emiraten, zijn tot het besef gekomen dat ze voor hun identiteit en legitimatie behoefte hebben aan een geschiedenis. Daarom zijn ze belang gaan hechten aan opgravingen en restauratie van oude monumenten.

Iets waardeloos vinden betekent nog niet dat men het bewust gaat vernietigen. In Egypte waren de monumenten uit de oudheid lange tijd steengroeven. Maar al in de zevende eeuw werden er fanatici gesignaleerd voor wie de “heidense monumenten” een doorn in het oog waren en die de vernietiging ervan eisten. In het jaar 900 ging een fanatieke moslim op de neus van de grote sfinks van Gizeh inhakken.

Met de opkomst van het islamitische fundamentalisme vanaf de jaren 1970 is de eis tot verwoesting van de heidense monumenten weer naar boven gekomen. Enkele fundamentalisten hebben zelfs de afbraak van de piramiden gevraagd. Uiteraard ergeren zij zich ook aan de afbeeldingen van mensen en dieren, die in de oud-Egyptische kunst overvloedig voorkomen.

De fundamentalistische ideeën hebben zich over de hele islamitische wereld verspreid en zijn zo ook in Afghanistan terecht gekomen, waar er een sterke invloed is van het wahhabisme, de uiterst strenge versie van de islam van Saudi-Arabië. Maar het fundamentalisme is niet enkel een fenomeen van de islam. In de Verenigde Staten bloeit het fundamentalisme in de zuidelijke staten. In Israël triomfeert het joodse fundamentalisme via de systematische kolonisatie van het “historische” Israël. In India bloeit het hindoe-fundamentalisme. Dat bleek al in 1992 toen in Ayodhya een oude moskee met de grond gelijk werd gemaakt door een horde fanaten omdat op die plaats de wieg zou hebben gestaan van prins, later god Ram.

De Taliban behoren tot de meest fundamentalistische moslims. Dat de ideeën van vernietiging van niet-islamitische beelden daar opgang hebben gemaakt, kan dus niet verbazen. Maar hoe raar het ook klinkt, de Taliban hebben hier en daar verbetering gebracht in Afghanistan. Met name de erecode en het gewoonterecht van de Pathanen, de grootste etnische groep in Afghanistan, zijn veel strenger dan de sharia, de islamitische wet. Zo kennen de Pathanen geen erfrecht voor vrouwen. De Taliban hebben dit ingevoerd op basis van de koran: vrouwen hebben nu recht op een half erfdeel van een man. De Pathaanse erecode staat ook moord op vrouwen toe op basis van roddel, want roddel op zichzelf is al een aantasting van de familie-eer volgens die code. Ook dit kan niet meer.

Vernietiging uit frustratie

Dat de vernietiging van de boeddhabeelden nu plaats vindt, lijkt vooral een gevolg te zijn van de frustratie van de Taliban, wier regime enkel wordt erkend door Pakistan, Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten. Ze controleren 95% van het grondgebied – enkel Ahmed Shah Massoud biedt nog weerstand – maar de “internationale gemeenschap” blijft hen mijden als de pest. En dat zit de Taliban dwars. Vorig jaar begonnen ze een grootscheepse internationale campagne om erkenning te krijgen. In het kader daarvan verbood mollah Omar op 27 juli de papaverteelt in het land, dat tot dan toe één van de voornaamste drugsproducenten ter wereld was. Dat was een flinke streep door de rekening van de Afghanen. In bepaalde zones leefde 90 tot 95% van die teelt (Le Monde, 01.12.00). Met als gevolg grote armoede. Maar op het verbod kwam niet de verhoopte reactie van de “internationale gemeenschap”. Daar bovenop kreeg Afghanistan dan nog eens te kampen met een strenge winter en droogte zodat een miljoen Afghanen aan de rand van de hongersnood kwam. Redenen genoeg dus voor woede van de Afghaanse leiders.

De Afghaanse gezant Sayed Rahmatullah, die naar de Verenigde Staten werd gestuurd in een poging de relaties te verbeteren en het isolement van de Taliban te doorbreken, zei in een interview met de New York Times (gepubliceerd in de International Herald Tribune, 20.03.01), dat het besluit de beelden te vernietigen een woedende reactie was op een aanbod van een buitenlandse delegatie voor geld voor de conservatie van de beelden op een moment dat een miljoen Afghanen met de hongerdood werd bedreigd. Volgens hem waren de mollah’s van de Taliban verontwaardigd. “De geleerden zegden hen: waarom help je onze kinderen niet die sterven aan ondervoeding in plaats van geld uit te geven aan beelden? Ze wezen dat af en zegden dat dit geld enkel voor beelden was”.

“Als we deze beelden hadden willen vernietigen, hadden we het drie jaar geleden kunnen doen”, zei Rahmatullah. “Waarom deden we het niet? In onze godsdienst laten we iets met rust dat schadeloos is. Als er geld gaat naar beelden terwijl kinderen sterven, dan worden ze schadelijk en vernietigen we ze”.

Het is ook geen toeval dat de vernietiging er gekomen is kort nadat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties nieuwe sancties in het vooruitzicht stelde als Afghanistan de wegens terrorisme gezochte Saudi-Arabiër Osama bin Laden niet zou uitleveren en de “terroristische” trainingskampen niet zou sluiten. De Taliban reageerden woedend op die resolutie.

Sedertdien is er toch weer enige ontspanning gekomen tussen het Westen, dat ooit enthousiast regeerde op de machtsovername in Afghanistan door de Taliban – wegens de mogelijkheid de Centraal-Aziatische olie en gas via Afghanistan en Pakistan naar zee te brengen en aldus Iran en Rusland een hak te zetten. Onder de paraplu van het drugscontroleprogramma van de Verenigde Naties werd er een delegatie naar Afghanistan gestuurd, die bestaat uit twee Amerikanen en diplomaten en drugsspecialisten uit België, Groot-Brittannië, Canada, Duitsland en Nederland. De delegatie zal onderzoeken hoe de boeren kunnen worden geholpen, die gestopt zijn met de papaverteelt. Beter laat dan nooit, maar alvast te laat voor de prachtige boeddhabeelden die ooit tot het erfgoed van de mensheid behoorden, maar nu enkel nog op foto’s kunnen worden bewonderd.

(Uitpers, mei 2001)

(Visited 9 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 110 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook